Month: augustus 2020

Vital Spirit – In the faith that looks through death

En de award voor ontdekking van de maand gaat naar Vital Spirit, een spiksplinternieuwe band waarachter echter twee mannen met heel wat ervaring schuilgaan. Zanger/gitarist/bassist Kyle Tavares (o.a. Seer en live muzikant voor Wormwitch) en drummer Israel Langlais (o.a. Wormwitch) deden muzikale inspiratie voor dit nieuwe project op tijdens de Amerikaanse tourns van Wormwitch in 2018 en 2019 en werden daarbij sterk beïnvloed door de landschappen en geschiedenis. Het fijne aan “In the faith that looks through death” is niet alleen het prachtige hoesontwerp maar ook dat deze EP met een speelduur van slechts 17 minuten in staat is een frisse wind doorheen het black metal landschap te laten waaien, een broeierig hete woestijnwind wel te verstaan want de winderige invloeden van het Wilde Westen zijn alom vertegenwoordigd in de zwartmetalen basis van de vier nummers. Zo lijken de gitaarmelodieën regelrecht uit één of andere jaren ’60 Spaghetti Western film te zijn geplukt. De sfeer die de muziek uitstraalt past dan ook perfect bij thema’s zoals Mayaanse kosmologie en geschiedenis, de rol van Pancho Villa (ook wel de Centaur van het Noorden genoemd) in de Mexicaanse revolutie en Wovoka’s Ghost Dance, een eeuwenoud spiritueel ritueel bij Indiaanse stammen in de VS. Tekstuele inspiratiebronnen vormen de woorden van Wovoka, Patti Smith, de Mayaanse orakelpriester Chilam Balam, Townes Van Zandt en de corridos (Mexicaanse muziekstijl waarin de daden van helden of criminelen bezongen worden) van de Mexicaanse Revolutie. Het verweven van die Spaghetti Western invloeden voelt nergens geforceerd aan maar vloeit op een interessante manier over in de felle black metal van het duo. Vital Spirit’s muziek is als een cocktail aan muzikale invloeden waarin namen als de recent overleden Ennio Morricone, Taake, Earth, Ulver, Marty Robbins, Dissection, Drudkh en Wovenhand hoorbaar zijn. “Harrowing ballads imbued with the enduring spirit of the Americas” noemen ze het zelf. Écht vernieuwend is het mengen van Americana en Spaghetti Western met black metal niet want een Volahn en andere Black Twilight Circle bands, een Cobalt of Devil With No Name gingen Vital Spirit al voor, maar nog nooit hoorde ik zo’n perfecte blend waarbij kippenvel 17 minuten lang gegarandeerd is. “In the faith that looks through death” is de eerste release op Tavares’ eigen label Hidden Tribe Records. Het wordt een tape waarop ik als een bezetene ga jagen. Vendetta zal de vinylrelease later op het jaar verzorgen. ¡Viva la revolución!

JOKKE: 85/100

Vital Spirit – In the faith that looks through death (Hidden Tribe Records/Vendetta Records 2020)
1. Heart of sky
2. Centaur
3. Face of the sun
4. Ghost dance

Silver Knife – Unyielding/Unseeing

Het mes snijdt aan twee kanten. Een samenwerking tussen muzikanten die hun sporen reeds verdiend hebben in het verleden, kan mooie nieuwe perspectieven bieden, maar tegelijk is de druk om te presteren ook groot, zeker als je een kwalitatieve muzikale rugzak meedraagt. Daarom verkiezen sommige van dergelijke nieuwe constellaties om de identiteiten in stilzwijgen te hullen. Dat is echter niet het geval bij Silver Knife, een nieuw project dat initieel op poten gezet werd door onze landgenoot Hans Cools (o.a. Monads, ex-Trancelike Void, Hypothermia, Cult Of Erinyes) en onze Noorderbuur Nicky die – al dan niet gemaskerd – muzikaal actief is met o.a. Laster, Reiziger en Nusquama. De ietwat depressieve sluier die dikwijls over Hans zijn werk gedrapeerd is en de wat progressievere insteek die we van Nicky kennen, resulteerde in een adembenemend mooi debuut getiteld “Unyielding/Unseeing“. Meer inkijk in het creatie- en opnameproces konden jullie reeds hier lezen. Producer Déhà, die hier tegenwoordig regelmatig de revue passeert, nam ook plaats op de drumkruk om dit debuut aan een verschroeiend hoog en metronoomvast tempo in te spelen, maar zal de drumstokken voortaan aan Pierre van Paramnesia overhandigen. Deze Fransman, die ook creatief bezig is onder de noemer Business For Satan, voorzag “Unyielding/Unseeing” tevens van verbluffend artwork. Met deze line-up is er bij Silver Knife écht wel sprake van een internationaal gegeven. Maar genoeg randinfo en over naar de muziek want dat is tenslotte het aller belangrijkste. Reeds vanaf de openingstonen meten de heren zich een hoog tot zéér hoog tempo aan, maar ondanks deze sneltrein ontplooit het gelaagde gitaarwerk zich ook tot mooie, dromerige soundscapes zoals dat het geval is in “Silver_red“, mijn persoonlijk hoogtepunt en één van de meer dynamische composities op dit debuut. Echo’s van oude Alcest of Woods Of Desolation horen we op tijd en stond opduiken en doen ons instant wegdromen. Zowel Nicky als Hans namen de zang voor hun rekening, maar de boodschap van wat er gekrijst wordt ontgaat me zo goed als volledig. Dat is ook helemaal niet erg want bij Silver Knife vervullen de high pitched screams eerder de rol van een extra laag in de dichtgeplamuurde sound van het trio. Ruimtelijkheid en dynamiek worden eerder via melodie en structuur gecreëerd dan via de productie. Zo vormt “Unseeing” met diens vrouwelijke spoken word passage een rustpunt tussen alle verwoestende snelheden die we elders op de plaat over ons uitegstort krijgen. Silver Knife verschiet niet al zijn kruid in de eerste nummers want ook “Conjuring traces” en diens zeer catchy en aanstekelijke gitaarmelodie en op de voorgrond tredende basgitaar mogen niet onvermeld blijven. Silver Knife maakt met “Unyielding/Unseeing” van meet af aan een statement en legt de lat voor zichzelf naar de toekomst hoog. Het is tevens een werkstuk dat absoluut niet moet onderdoen voor het werk van de andere bands en projecten van de heren. Aanrader!

JOKKE: 83/100

Silver Knife – Unyielding/Unseeing (Amor Fati Productions/Entropic Recordings 2020)
1. Unyielding
2. This luminous loom
3. Silver_red
4. Unseeing
5. Conjuring traces
6. Sundown

Selbst – Relatos de angustia

Wat ons de laatste jaren vanuit de bergpassen van het wondermooie Chili bereikt valt voornamelijk uiteen in twee categorieën: snelle blackthrash en onwelriekend composterende blackdeath, zoals het geweldige Wrathprayer en krakers als Nihilifer en Dead Moon Temple. Nu komt N, bezieler van Selbst, oorspronkelijk wel uit Venezuela maar trok wegens de aanhoudende politieke malaise naar het zuiden. Tweede langspeler voor de man die er een andere stijl op nahoudt dan zijn landgenoten alweer, en de zelfgetitelde voorganger ging er bij mij al in als zoete koek. Op “Relatos de angustia” komt er opnieuw dissonantie vanuit IJsland en Frankrijk aangewaaid zoals de Svartidauði-tokkels op “The weight of breathing”. Ondanks het feit dat deze sound de fundering vormt van wat Selbst ten gehore brengt sluipt er op “The depths of selfishness” met de om elkaar heen dartelende gitaren ook wel wat van de huidige Poolse generatie binnen. Subtiel zitten ook wat meer post-black ideetjes verscholen zoals mijn persoonlijk hoogtepunt van de plaat: de leadgitaar op het eind van “Sculpting the dirtiness of its existence”. Maar naast vernuftig gitaarwerk dat soms iel en dan weer loodzwaar klinkt zijn het de vocalen die hun plek in de spotlight opeisen, want N gaat van ijzige uithalen tot diepere screams en in de sludgy afsluiter klinkt hij bijna als Kirk Windstein van Crowbar. Om dit al brede palet nog wat aan te vullen komt in die track ook nog de bevriende Rogger Canonico cleane zang aanleveren. De productie zit een pak beter dan op voorgaand materiaal en klinkt dieper en dynamischer. N tapt uit meerdere vaatjes en nam zoals een waar blackie betaamt alles op z’n eentje op in totale afzondering. Behalve de drums dan, die door Nebirus Sad (die ook deel uitmaakt van de livebezetting) vakkundig werden ingeblikt. Zoals de titels al doen vermoeden kijkt Selbst niet bepaald rooskleurig tegen de wereld aan en deze existential dread vertaalt zich in een complexe en vooral gevarieerde brok zwartgalligheid. Van slepende passages tot furieuze uitbarstingen, Selbst vliegt gedurende de veertigtal minten nergens uit de bocht en de wall of sound waarmee “Relatos de angustia” toeslaat komt gemeen hard aan. De vele invloeden vloeien vlot in elkaar over en het geheel klinkt gelukkig heel coherent. Geen wonder dat dit spek voor de bek van Debemur Morti is, dat het album naar goede gewoonte op alle formats ter wereld brengt. Of deze in de jaarlijst terechtkomt valt nog niet te zeggen, maar m’n kop eraf als Selbst niet op de shortlist terechtkomt!

CAS: 87/100

Selbst – Relatos de angustia (Debemur Morti Productions 2020)
1. Praeludium
2. Deafening wailing of the desperate ones
3. The depths of selfishness
4. Silent soul throes
5. The weight of breathing
6. Sculpting the dirtiness of its existence
7. Let the pain run through

Morta – Funébre

Het Spaanse Morta bewijst drie zaken met diens “Funébre” EP. Ten eerste: niet enkel duister, mistig en frostbitten Scandinavisch forest worship levert goede black metal op; ook in zonnige oorden lopen er héél wat muzikanten rond die in staat zijn een zonsverduistering te creëren met hun zwartgallige muziek. Ten tweede: het simultaan fysiek aanwezig zijn van de bandleden in één en dezelfde opnameruimte (of in dit geval eerder een dungeon) komt de chemie ten goede en is iets wat bij sommige moderne bands al eens wat aan spontaniteit doet missen, zeker als bv. de leden over verschillende continenten verspreid zijn en afzonderlijke opnamepartijen via de digitale snelweg samenkomen. Ten derde: een plaat met twee opeenvolgende intro’s openen, is niet zo vreemd als je zou denken. Om maar te zeggen dat wat Cardhen (bas en zang), M.W. (drums en zang) en Necroceron (gitaar en zang) op “Funébre” laten horen, ons zeker kan bekoren. En zoals je ziet, gooien de drie heren hun stembanden in de strijd wat een gevarieerd vocaal pallet aan screams, diepere growls en ijzige wanhoopskreten oplevert. De sound van het trio verraadt in nummers als “Sacrificio” en “Sin voz ni rostro” ontegensprekelijk een voorliefde voor no-nonsense Fins zwartmetaal zoals we dat van een Sargeist kennen: geen fancy tierlantijntjes en overbodige fanfaretoestanden – op de in- en uitluidende pianoklanken na dan – maar straight to the point gemusiceer met één gitaar, een basgitaar en een drumstel. Extra punten ook voor authenticiteit want de teksten die over occulte toestanden en de dood gaan, worden in de moedertaal vertolkt. “Funébre” werd door Poisonous Sorcery in een oplage van 100 exemplaren op vinyl uitgebracht maar is al maanden hopeloos uitverkocht (hoewel dra terug aan woekerprijzen beschikbaar op Discogs). Thank God, brengt Signal Rex het ding ook op tape en CD uit.

JOKKE: 80/100

Morta – Funébre (Signal Rex/Poisonous Sorcery 2020)
1. Cadáver perenne
2. Introit: Sabbat
3. Sacrificio
4. Sin voz ni rostro
5. Infierno fúnebre
6. Oraculum ab necromantiæ
7. Fuego y hueso
8. Gloria profunda

Ars Magna Umbrae – Apotheosis

Over Ars Magna Umbrae’s eerste langspeler “Lunar ascension” waren we twee jaar geleden erg te spreken. De Pool K.M. speelde gretig in op de dissonante trend die al een tijdje bezig was en vooral door IJslandse acts geëxploiteerd werd hoewel de origines ervan eerder tot de Franse scene te herleiden zijn. Ook het snerpende, nerveuze, demonische en kille gitaarwerk van USBM acts als Nightbringer of Bestia Arcana vond zijn weg naar het Ars Magna Umbrae universum. Al deze elementen zijn op het nagelnieuwe “Apotheosis” opnieuw aanwezig. Atonale klanken en dissonanten stromen nog steeds gretig door de riffaders en de link naar de aangehaalde USBM referenties wordt vooral in een kraker als “On the wings of divine fire” nogmaals bevestigd. Dit nummer heeft tevens een waas van oosters aandoende mystiek over zich gedrapeerd en speelt gretig met dynamische elementen. Ook de titeltrack is vermeldenswaardig en start met een monsterriff, probeert je nadien voortdurend op het verkeerde been te zetten met afwijkende tempo’s en ritmes, maar ontplooit zich wat later ook tot een meer melodische song. Het is typerend voor de occulte en esoterische black waarin we hier een kleine veertig minuten ondergedompeld worden en die ons het ene moment mee de abyssale dieptes in sleurt maar ons even later even goed in kosmische sterrenstelsels katapulteert. En of deze taferelen zich nu aan een horroreske rotvaart manifesteren of ons op traag glooiende uitdijingen doet meesurfen, maakt niet uit want Ars Magna Umbrae’s creaties barsten steeds van een gezwinde hypnose die droom en realitet doen samensmelten. Op vocaal vlak krijgen we heel diverse keelklanken voorgeschoteld gaande van raspend gekrijs over mysterieus gefluister, sappige screams en verhalende vrouwelijke stemmen. Deze tweede langspeler is opnieuw een schot in de roos en hopelijk nog niet de apotheose van deze uitermate getalenteerde one-man band. Nog even meegeven dat K.M. tot voor kort ook deel uitmaakte van Cultum Interitum die op de laatste dag van augustus hun eerste langspeler op de mensheid loslaten. Ook een aanrader voor fans van Ars Magna Umbrae en de aangehaalde referenties.

JOKKE: 86/100

Ars Magna Umbrae – Apotheosis (I, Voidhanger Records 2020)
1. Through fields of Asphodel
2. She who splits the earth
3. On the wings of divine fires
4. Apotheosis
5. Mare tenebrarum
6. Oracle of luminous dark
7. Of divine divergence
8. In tenebris ignis

Precambrian – Tectonics

Black metal muzikanten zijn veelal nostalgische zielen die ons middels hun muziek terug katapulteren naar (lang) vervlogen tijden. Zo handelt menig black metal plaat over de gruwelijkheden van de twee wereldoorlogen, duistere middeleeuwse aangelegenheden, Bijbelse toestanden of de gebeurtenissen die zich afspeelden nadat een zootje ongeregeld het in 793 wat te bont te maakte op Lindisfarne. Precambrian daarentegen neemt ons nog verder mee de teletijdmachine in en dropt ons zo’n luttele 4,6 miljard jaar terug de tijd in wanneer de aarde vorm kreeg. “Tectonics“, de titel van hun eerste langspeler (eerder verschenen reeds 2 EP’s), spreekt wat dat betreft boekdelen. Precambrian was voor ondergetekende een nobele onbekende, maar blijkbaar schuilt er heel wat ervaring in de rangen van het trio. Aanvoerder van dienst is immers Roman Saenko van Drudkh fame en ook zijn twee andere kompanen maken momenteel deel uit van die band. Andere gemeenschappelijke delers van de drie muzikanten zijn het ter ziele gegane Blood Of Kingu, Rattenfänger, Old Silver Key, Windswept en het in 2014 gestopte Hate Forest. Die laatste moet je voor ogen houden als je wilt weten hoe Precambrian klinkt, maar dan met een meer energieke productie. “Archaebacteria” schiet meteen uit de startblokken en ontketent een aardverschuiving ter hoogte van Oekraïne, de bakermat van het powertrio. De aanstekelijke riffs en het begeleidende drumwerk zijn om van te smullen en Roman zorgt met zijn haatvolle screams voor de kers op de taart – leuk ook dat hij af en toe eens wat diepe gutturale klanken laat opborrelen. De uitstekende, doch niet afgelikte productie, doet het gelaagde gitaarwerk bovendien uitstekend tot zijn recht komen. Het enige wat mij mateloos stoort, is dat zowat elk nummer stopt alsof iemand in de studio per ongeluk een kabel uittrok. Wie met dit idee op de proppen kwam, verdient een ‘djoef op zijn muile’. Oh wacht, dit is natuurlijk een verwijzing naar Hate Forest’s laatste volwaardige wapenfeit want ook op “Sorrow” werd er niet echt lang nagedacht over songeindes. Voor de rest geen klachten over “Tectonics“. Het onheilspellende, betoverende en hypnotiserende karakter van klassieke Hate Forest is alom tegenwoordig evenals diens barbaarse en woeste, brandende snelheden. Het lijken misschien tegenstrijdigheden maar deze wisselwerking levert een grandioos huwelijk en debuut op.

JOKKE: 82/100

Precambrian – Tectonics (Primitive Reaction 2020)
1. Archaebacteria
2. Fossilization
3. Cryogenian
4. Volcanic winter
5. P-Tr. extinction

Obscure Relic – First black communion

Als ik de bandfoto van Obscure Relic zo bekijk, dan denk ik niet dat één van deze vijf mottigaards ooit een schoonheidswedstrijd zou winnen of in staat zou zijn met een Brazilaanse babe aan zijn hand over het strand te flaneren. Zelfs zonder corpsepaint zou ik van hun tronies verschieten en daar het woordje ‘bestiaal’ enkele keren in de bijgevoegde biografie verscheen, vermoedde ik dat de black metal van deze Brazilianen minstens even onverzorgd voor de dag zou komen. Maar dat valt al bij al wel mee. “First black communion” is een zoethoudertje, nadat eerder dit jaar de “Sons of evil power” demo verscheen, in afwachting van een eerste full-length. Zodra de titeltrack na de obligate intro uit de boxen knalt, moet ik meteen aan oude-Dark Funeral denken, zowel qua sound (hun self-titled EP en “The secrets of the black arts“) als qua Zweedse insteek van het tremoloriffwerk (“Vobiscum satanas“). Maar natuurlijk zijn deze nummers verre van zo overweldigend als wat Lord ‘of the sunglasses‘ Ahriman en co destijds afleverden. Het titelnummer kan mij zeker bekoren en ook “Master of all forms“, dat wat meer met dynamiek speelt, kan er absoluut mee door maar vanaf “Enter the infernal realms” begint Obscure Relic als dertien in een dozijn te klinken. Natuurlijk is dit nog maar het tweede kleine wapenfeit van het kwintet dat nog maar sinds 2 november 2019 of “Dios de los Muertos” aan hun snelweg naar de hel aan het timmeren is. Ik geef ze groot gelijk dat ze eerst nog wat verder willen schaven aan die langspeler want het potentieel is er in elk geval. Nu nog wat meer aan een eigen (lelijk) smoelwerk werken en wat sulfer in hun uitvoering steken en het komt allemaal goed.

JOKKE: 72/100

Obscure Relic – First black communion (Helldprod Records 2020)
1. Intro
2. The first black communion
3. Master of all forms
4. Enter the infernal realms
5. For blackerubins
6. Final

Silver Knife – Het mes snijdt aan twee kanten

Zaadjes kunnen tot mooi dingen uitgroeien. Dat bewijst Silver Knife, een muzikaal project dat geïnitieerd werd door onze landgenoot Hans en de Nederlander Nicky, beiden gekend van tal van andere bands. In hun enthousiasme wisten ze nog andere muzikale en grafische duizendpoten mee in het verhaal te betrekken zodat Silver Knife uiteindelijk tot een band met vaste line-up uitgroeide. Amor Fati zette zijn schouders onder Silver Knife en op 19 augustus ziet het debuut “Unyielding / Unseeing” het daglicht. We hadden het met de heren o.a. over het schrijfproces en hun toekomstplannen. (JOKKE)

The English version of this interview can be found here.


Alvast proficiat met de release van jullie debuutplaat “Unyielding / Unseeing”. Als ik het goed voorheb waren jullie al lang van plan om ooit eens samen muziek te maken. Hoe zijn jullie met mekaar in contact gekomen?
N.: Dankjewel! Toen ik in 2008 – op aanraden van Laster’s S. – Trancelike Void leerde kennen, had ik geen idee van de persoon achter de muziek. Echt in contact kwamen Hans en ik pas jaren later middels avonden waar onze bands het podium deelden. Na een wat geëscaleerde avond in Athene ontstond het idee om samen iets te ondernemen. Omdat we elkaar altijd sporadisch troffen bleef het echter bij praatjes, tot Hans vorig jaar bij een show in Antwerpen resoluut de agenda trok.

H.: Als muzikant wil je je horizon verbreden, en één manier om dat te doen is door samen te werken met andere muzikanten. Ik heb altijd een ‘lijstje’ in m’n achterhoofd met mensen waar ik wel eens iets mee zou willen ondernemen. Het was best ironisch dat we elkaar steeds op locaties doorheen Europa tegen het lijf liepen, terwijl we minder dan 200 km van elkaar wonen. Die nacht in Athene in november 2017 heeft zeker voor een band gezorgd, waarna het voor mij slechts een kwestie van tijd was vooraleer we samen iets inblikten. Zoals Nicky zei: begin juli 2019, bij een Nusquama show in Antwerpen, werd het plan concreet. Een dikke maand later zaten we in de studio.

Op zich vind ik een samenwerking tussen jullie beiden niet zo vanzelfsprekend daar ik Hans zijn werk met o.a. Kilte, Hypothermia en Monads toch eerder wat in de depressieve black en doom metal hoek catalogiseer dan de wat progressievere aanpak van Nicky in bands als Laster, Nusquama, Vuur & Zijde en Reiziger. Waarom dachten jullie dat de krachten bundelen een interessant muzikaal resultaat zou opleveren?
H.: Een al te vanzelfsprekende samenwerking zou misschien ook niet zo interessant zijn. Als ik een nieuw muzikaal project met iemand begin, ben ik niet echt bezig met wat nu de persoonlijke invloeden zijn, noch met welke muziek er in ‘t verleden gemaakt werd. Het gaat erom iets nieuws te doen, en daarbij laat je je muzikaal verleden (deels) los. De directe stap naar een samenwerking was dan ook iets dat veel meer met de persoon achter de muziek te maken had.

N.: Muzikaal gezien is voor mij het niet-vanzelfsprekende een belangrijke factor om een nieuwe samenwerking aan te gaan. Ik leer en krijg energie van afwijkende benaderingen; wat mijn eigen creativiteit alleen maar ten goede komt. Daarnaast vind ik het belangrijk om samen te werken met mensen met wie ik een persoonlijke klik en gedeeld muzikaal enthousiasme ervaar. Dat klinkt misschien logisch, maar laat ook zien dat een muzikaal verleden alleen onvoldoende is om de handen in elkaar te slaan.

Was de muzikale richting van meet af aan duidelijk of kreeg die pas vorm door samen te komen om te musiceren?
H.: We spraken op voorhand over muzikale richting en concepten, maar het was toen we beiden met een gitaar in de hand in mijn woonkamer zaten dat Silver Knife echt vorm begon te krijgen. Het was daar dat ik de muziek als geheel in mijn hoofd begon te horen. Gelukkig werk ik al zo lang met Déhà samen dat ik twee dagen later in de studio kon overbrengen wat Nicky en ik precies voor ogen hadden.

N.: Ondanks de spontaniteit stond voorop dat het muzikaal een eigen karakter moest hebben, los van onze eerdere werken, maar ook thematisch verwijderd van hedendaagse tendensen binnen de black metal. Je zou kunnen stellen dat vast stond wat het niet moest worden; iets wat wel vaker een goed beginpunt is om te achterhalen waar ik op dat moment naar op zoek ben.

Is de muzikale inbreng van jullie beide qua riffs en melodieën even groot of nam er één iemand de lead in het songschrijven? Ik hoor namelijk eerder Nicky’s stempel in het totaalgeluid dan dat van Hans, tenzij de depressieve waas die bijwijlen als een sluier over de muziek gedrapeerd is en wat Hypothermia en Kilte invloeden verraadt.
H.: De verdeling is redelijk 50/50, zowel muzikaal als tekstueel. De sfeer en samenwerking tijdens de opnames is hierbij van groot belang geweest. Zelfs de nummers die door Nicky of mijzelf afzonderlijk geïnitieerd werden, kregen constante feedback. Het proces in de studio was op die manier redelijk intens; er werden voortdurend gemeenschappelijke beslissingen genomen en knopen doorgehakt, met – indien nodig – Déhà als doorslaggevende stem. Uiteindelijk vloeiden we in een richting waar de nummers minder het gezicht droegen van ofwel Nicky of mijzelf, maar duidelijk het gelaat van Silver Knife lieten zien.

Later in het proces kwam ook Pierre Perichaud van Paramnesia op de proppen als drummer. Was een drummer van vlees en bloed noodzakelijk voor jullie muziek of waren geprogrammeerde drums aanvankelijk ook een optie? Hoewel ik moet toegeven dat Pierre’s razendsnelle drumwerk de precisie van een drumcomputer benadert.
H.: Het debuut was klaar vóór Pierre erbij was. Déhà deed alle drums zelf in zijn studio. Toen Déhà en ik in december een bezoek brachten aan Pierre, liet hij ons weten dat hij fan was van het album, en dat hij het miste om muziek te maken. Helemaal onbewust bleek de drumstijl ook perfect te kloppen met zijn werk in Paramnesia (en Lure, waarvan de eerste demo snel uitkomt, houd dat maar in ‘t oog!). Het duurde geen 5 minuten eer we hem hadden uitgenodigd om erbij te komen. Ondertussen is hij bezig met opnames voor een EP en zal hij ook op de volgende full-length drummen.

Pierre is natuurlijk ook gekend van zijn artwork en tattoo studio onder de noemer Business For Satan. Zijn creaties zijn altijd om duimen en vingers bij af te likken en bevatten heel wat symboliek. Zo ook in het geval van jullie artwork. Ik zie centraal het zilveren mes dat naar jullie bandnaam refereert en dat twee handen heeft afgehakt die in een “as above so below” positie staan. Welke betekenis schuilt hierachter?
P.: De spiegel waarin het zilveren mes zich bevindt, nodigt uit tot reflectie. De handen zijn een symboliek voor deze uitnodiging. Toekomst, lot, ijdelheid, introspectie, dood, … De spiegel en de muziek forceren je om dieper te kijken, en vragen ons hoe ver we daarin kunnen/willen gaan. Welke plicht zijn we verschuldigd aan de spiegel en het mes?

Tekstueel handelt jullie debuut over onderwerpen als vervreemding en oneindig conflict. Nu versta ik niet bepaald véél van wat er gescreamd wordt en de krijszang voelt ook eerder als een extra instrument of laag aan dan dat het de bedoeling is een boodschap uit te dragen. Zijn er überhaupt teksten of ontstond de zang eerder vanuit een geïmproviseerd gevoel tijdens het opnemen?
N.: Ik was die zomer bevangen door China Miéville’s “The city & the city“. Dit werk speelt op een unieke, intieme manier met deze thema’s, en heeft dan ook behoorlijk invloed gehad op mijn deel van de teksten. Ironisch genoeg is dit het meest inzichtelijk in het door E. B. ingesproken nummer “Unseeing“. Een verstaanbare inhoud maakt in dit genre wel vaker plaats voor ongedefinieerde expressie. Ook in ons geval was dit een artistieke keuze. Zo zijn mijn hoge uithalen erg ongeschikt voor een duidelijke articulatie, maar wisten ze – in tegenstelling tot mijn andere zangstijlen – makkelijk door de volle, drukkende productie heen te klieven. Hierdoor moest er een beslissing worden gemaakt tussen een te verstane tekstuele inhoud of het karakter en de impact van een specifieke zangstijl.
Je wint wat. Je verliest wat. Het mes snijdt aan twee kanten.

H.: Omdat de teksten in de avonden van de opnamesessies werden geschreven, was er een wisselwerking gaande tussen vorm en inhoud. In plaats van eerst een muzikaal skelet te vormen, waaraan vervolgens een thema werd opgehangen, lieten we ons zowel muzikaal inspireren door de tekstuele inhoud als andersom. Dankzij de kunde van Déhà was er veel ruimte om te experimenteren, waardoor iedereen vrijuit bijdroeg aan de zang. Ik denk dan ook dat je de nagel op de kop slaat wanneer je zegt dat de zang een extra instrument is, omdat er per segment is gekeken naar wiens stemgeluid er het beste paste.

De plaat werd opgenomen met Déhà achter de knoppen en de mastering werd verzorgd door Mare Cognitum’s Jake Buczarski. De sound is heel overweldigend, maar tegelijkertijd ook héél dichtgetimmerd met weinig ademruimte en dynamiek. Dit hoor ik bij wel meer Déhà producties terug. Was dit de sound die jullie specifiek voor ogen hadden?
N.: Voordat ik naar Brussel kwam, was ik niet op de hoogte van Déhà’s en Jacob’s kwaliteiten, en dus ook niet in staat om een inschatting te maken van het uiteindelijke geluid. Het resultaat is dat je ter plekke reageert op wat je hoort, waardoor zowel de productie als de muziek een constante invloed op elkaar uitoefenen. Omdat de onafgebroken, stuwende productie correspondeerde met de thematiek en het hoge tempo, werden ruimtelijkheid en dynamiek benaderd middels melodie en structuur.
Alvorens de mix bij Jakob arriveerde, was het geluid nog vele malen robuuster; wat ten koste ging van de algehele definitie. Zijn mastering – en eindeloze geduld – heeft dan ook flink invloed gehad op de oorspronkelijke stoomwals die wij destijds aanleverden.

Zijn er plannen om met Silver Knife op te treden?
N.: Er zijn nog geen concrete plannen. Wel zijn we alle vier te spreken over het idee en zien we mogelijkheden om dit en nieuw materiaal naar het podium te brengen.

Als ik het zo hoor zal “Unyielding / Unseeing” dus nog een vervolg krijgen?
H.: Inerdaad, er komt zeker meer materiaal. Samen met het debuut namen we nog twee nummers op die (zo goed als zeker) voor een 7” EP gebruikt zullen worden. Op het moment van schrijven is Nicky in België om gezamenlijk een vervolg in te blikken. We schreven beiden meer dan genoeg materiaal sinds vorige zomer om dat mogelijk te maken.

N.: Ik zie muzikaal en thematisch nieuwe mogelijkheden voor Silver Knife en kijk ernaar uit om deze verder te verkennen.

Ifernach – The green enchanted forest of the druid wizard

Tussen de recente releases van Amor Fati Productions viel de van lelijk cover artwork voorziene “Gaqtaqaiaq” LP van het voor mij onbekende Ifernach op. Daar het gros van wat Amor Fati op de markt brengt mij wel kan bekoren, besloot ik deze re-release – oorspronkelijk verscheen ie via Nekrart Productions in 2018 op CD – toch maar eens uit te checken. Na een wat cheesy intro knalde er rauwe punky black met gewelddadige Franstalige vocalen uit mijn speakers. Ik was nog steeds niet helemaal overtuigd tot Finian Patraic, de alleenheerser van dienst, plots heel melodieuze gitaarleads in de strijd gooide die mijn armhaartjes 90° van richting deden veranderen. Instant buy en fast forward naar 2020, want via Tour de Garde en GoatowaRex verscheen afgelopen maand – respectievelijk op tape en vinyl – de vierde langspeler met de toverachtige titel “The green echanted forest of the druid wizard“, nadat vorig jaar nog een EP en langspeler verschenen en ook eerder dit jaar al een EP gelost werd. Bezig bazeke die Finian Patraic! De man heeft roots bij de Ierse immigranten en het inheemse “First Nation” volk de Mi’kmaq (of Micmac), die wonen in het oosten van Noord-Amerika, meer bepaald in New England, Atlantisch Canada en Gaspésie. Zijn muzikale output doopte hij – je kan het tegenwoordig zo gek niet meer bedenken qua geografische aanduiding – Gespegewagi black metal, verwijzend naar het traditioneel territorium van de Listiguj indianenstam. Het inluidende titelnummer start met een riff waar Count Grishnackh jaloers op zou zijn geweest en het eerste échte nummer “The passage of Dithreabhach” houdt ons met diens epische tremoloriffs nog verder in een wurggreep vast. Wat wel verdwenen lijkt te zijn, zijn het rauwe punk-element en de bijtende Franstalige screams. In het verleden hanteerde Finian veelal het Frans omdat die ook in de black metal scene van Québéc gebruikt wordt en die hem nauw aan het hart ligt, maar Engels is de man zijn moedertaal. Wel werkt de muzikant nog steeds graag met contrasten en verweeft hij tussen de furieuze black metal ook dromerige ambient- en folkloristische akoestische intermezzi. Het draagt bij tot de mysterieuze atmosfeer van het zwartmetaal dat wordt gebracht ter meerdere eer en glorie van de wouden waar niemand een voet durft te zetten, maar haalt soms ook wel de vaart uit de plaat, zeker als dat bijvoorbeeld in de vorm van “A cursed spear” meer dan acht minuten in beslag neemt. Met “In the hollow of the Togharmach” is het opnieuw tijd voor het echte werk waarbij bombastich drumwerk, snijdende tremolo’s, afwisselende heldere, plechtstatige zang en hese screams ons diep in het duistere woud meesleuren. “Teinm laida“, dat is vernoemd naar één van de drie vaardigheden van een ziener in Ierse romantische literatuur, is opgedeeld in twee stukken waarbij de aanloop uit meditatief clean gitaargepingel bestaat en het tweede deel de rauwe, repetitieve en groezelige black opnieuw laat zegevieren. “A winter tree clad in black frost” trekt terug overduidelijk de Burzum-kaart en doet wat het moet doen: ons middels repetitieve en hypnotiserende riffs en drumwerk, subtiele toetsenverleidingen en wat dieper krijswerk in vervoering brengen. Bovendien komen de Ierse roots naarmate het nummer vordert in de synthpartijen subtiel naar boven drijven. “Hidden palaces under the green hills” zorgt met diens sample van een kabbelend waterbeekje, rustgevende ambient en gitaargetokkel, rituele percussie en indianenfluitjes voor een sereen en berustend einde. “The green enchanted forest of the druid wizard” is een erg degelijke plaat geworden, maar het black metal deel had van mij gerust nog wat meer mogen doorwegen, want de echte kracht van Ifernach zit ‘em in de melodieuze leads die hij daarin weet te verwerken.

JOKKE: 81/100

Ifernach – The green enchanted forest of the druid wizard (Tour de Garde/GoatowaRex 2020)
1. The green enchanted forest of the druid wizard
2. The passage of Dithreabhach
3. A cursed spear
4. In the hollow of the Togharmach
5. Teinm laida I
6. Teinm laid II
7. A winter tree clad in black frost
8. Hidden palaces under the green hills

Temple Nightside – Pillars of damnation

De extreme metal die de Australische scene de laatste kwarteeuw al heeft voortgebracht, klinkt dikwijls barbaarser, bruter en beestachtiger dan elders op deze aardkloot. Denk daarbij maar aan bands als Bestial Warlust, Vassafor, Grave Upheaval en Portal. Ook Temple Nightside is een doodsmetalen eskadron dat vrij heftig in de omgang klinkt. Bezieler IV richtte de band een decennium geleden op en is met “Pillars of damnation” aan zijn vierde langspeler toe, hoewel ‘derde’ eigenlijk correcter is aangezien het twee jaar geleden verschenen “Recondemnation” eigenlijk een herwerking was van het debuut “Condemnation” uit 2013 dat in een zwaarder jasje gestoken werd sinds Temple Nightside vanaf “Hecatomb” uit 2016 besloot haar ‘ritualistic death metal necromancy‘ wat primitiever aan te pakken. Op dat vlak laat “Pillars of damnation” geen verrassingen horen. Of er nu aan een tergend traag en slepend tempo (het sacraal aanvoelende middenstuk in “Death eucharist“, het doomy Wreathed in agony” of de lange afsluiter) of aan een rotvaart (het gros van de andere nummers) gemusiceerd wordt, speelt geen rol want ongeacht de snelheid klinkt Temple Nighside’s caveman death metal alsof die uit de diepste, meest humide en wazige spelonken van het eiland naar boven komt geborreld. Het sepulchrale en bestiale schrikbewind is aanwezig, maar ook de riffs eisen een belangrijke rol op en worden niet door de dichte atmosfeer en echoënde doodsrochels weggemoffeld. Chaotische solo’s geven een onderscheidende toets aan de songs en rijgen meer dan eens op Obituary-wijze de openingsriffs reeds aan flarden. Het zwartgeblakerde achtergrondkader waarin Temple Nighside opereert, refereert aan bands als Grave Miasma en Cruciamentum en maakt dat ik deze wel kan smaken. De muzikanten musiceren iets technischer en strakker dan in het verleden, maar verwacht nu ook geen popcorn-getriggerde death metal alstublieft. “Pillars of damnation” bevat acht reuzentreden die we moeten nemen om uit een van het zonlicht afgesloten ondergrondse crypte omhoog te clauteren. De humiditeit en het zuurstofgebrek doen een aanval op onze longcapaciteit tijdens deze driekwartier durende tocht. Het afsluitende bijna tien minuten durende “Damnation” is daarbij de moeilijkste horde om te nemen want hoewel het tempo hier loodzwaar en traag beukt, is het moeilijk om de aandacht niet te verliezen. Het is een kwestie van nog even op de tanden te bijten en door te zetten totdat we eindelijk wat zuurstof en daglicht te zien krijgen. Ondanks enkele monotone mindere momenten is “Pillars of damnation” een aanrader voor wie zijn doodsmetaal graag primitief, sepulchraal en in holbewonerstijl heeft.

JOKKE: 80/100

Temple Nightside – Pillars of damnation (Iron Bonehead Productions 2020)
1. Contagion of heresy
2. Death eucharist
3. Morose triumphalis
4. The carrion veil
5. Wreathed in agony
6. Blood cathedral
7. In absentia
8. Damnation