2020

Pharmakeia – Ternary curse

Iets later dan gepland zijn we uiteindelijk toch aan de volgende release van de ‘Prava Campaign 2020’ aanbeland, en ditmaal gaat het over de meest beklemmende en versmachtende eend in de bijt. Wat het woord Pharmakeia betekent vertelde ik vorig jaar al, en die uitleg gaat nog steeds op. Aan het concept van ‘we gaan jullie de stuipen op het lijf jagen en laten horen wat er in je hersenpan gebeurt als je niet voorzichtig met psychedelica omgaat’ wordt niet geraakt. “Ternary curse” bewandelt verder het verdorde pad dat het zelfgetitelde debuut reeds verkende, alleen klinkt het om te beginnen een pak zwaarder. De gitaar, die met momenten wat de befaamde HM2-sound emuleert, staat meer vooraan in de mix en dit valt meteen op in “AEEIOUO”, dat de plaat aarzelend in gang trekt en ons pas naar het einde toe begint overdonderen. Vanaf “EEIOU” is het echter rammen geblazen want rond de razende drums wervelen tal van chaotische riffs, die een haast onbehapbaar nummer vormen. Halfweg de plaat valt het geheel weer wat beter te vatten, al is de grens tussen verteerbaar en waanzinnig nagenoeg constant haarfijn: iets wat de krijsende en haast ontmenselijkte vocalen maar wat graag in de verf zetten wanneer ze nét niet overslaan. “IO” begint zelfs met een lekker rollende riff die zich langzaamaan verder ontvouwt en vormt waarschijnlijk het meest ‘conventionele’ (met een korrel zout) nummer van de plaat, waarin een bedreigende spanningsboog zich opeens compleet in dissonante chaos te stort. Her en der vinden we in het gitaarwerk – naast de sound – ook knipogen naar old school death metal terug, van het type Morbid Angel en Obituary. Zo schotelt “IIO” ons uit het niets uit het niets een breakdown voor – gelukkig niet van de beatdown soort maar toch, wie had dat verwacht? “IIIO” is dan weer die laatste piek van deze alweer fout gelopen trip en ontspoort nog eens volledig tot we murw geslagen terug bij onze positieven komen. Opvallend hoe zo’n verstikkend werk dat zowel qua klank als qua beladenheid en sfeer overduidelijk in de black metal categorie terechtkomt, terwijl zo veel individuele riffs aan death metal ontleend zijn. Pharmakeia is duidelijk nog steeds de onbetwiste nummer één van het collectief wat (on)beluisterbaarheid betreft en als je snel gedesoriënteerd raakt, ben je hier niet aan het juiste adres, gezien de muziek soms even moeilijk te ontcijferen valt als de betekenis van de songtitels. Als je echter zoals ik je je dagen vult met muziek waar je je aandacht bij moet houden, is “Ternary curse” een heel rijke plaat waarin vanalles te ontdekken valt, maar ook één die tijdens je exploraties je keel meermaals toeknijpt.

CAS: 85/100

Pharmakeia – Ternary curse (Amor Fati Productions 2020)
1. AEEIOUO
2. EEIOU
3. EIO
4. IO
5. IIO
6. IIIO

Shagor – Sotteklugt

Ik heb het best wel voor bands die Oud- of Middelnederlandse woorden in hun titels gebruiken of neologismen uitvinden om hun titels een wat antieke bijklank mee te geven. ’t Nederlands is een rijke taal en het moet nu eenmaal niet altijd in het Engels of Noors te doen zijn. Die roep werd vooral bij onze noorderburen gehoord, getuige een indrukwekkende resem Nederlandstalige releases van onder andere Wederganger, Laster en Fluisteraars. Aan dat rijtje wordt Shagor toegevoegd, dat hun eerste plaat “Sotteklugt” (wat een titel!) via het immer sympathieke Babylon Doom Cult Records ter wereld brengt. Jo Versmissen gaat er prat op dat hij met zijn label enkel releases uitbrengt waar hij zelf volledig achter staat, en in het geval van Shagor slaat hij wederom niet naast de bal. Naast de hiervoor genoemde bands worden door Shagor en het label ook referenties aangehaald zoals Ulver ten tijde van het magistrale “Bergtatt” en ook Aversio Humanitatis, maar dan op zeer melodieuze wijze met langdurende opbouwen. Langdurig, niet langdradig, want de vier volwaardige nummers die op “Sotteklugt” prijken zijn elk op zijn minst een kleine zeven minuten lang. Daartussen vinden we nog “Verdoolde hemelbol”, een drietal minuten akoestische gitaar met dromerige zang, die even respijt geeft vooraleer “Dodendans” middels dragend gitaarwerk en een hoog tempo er een einde aan breit en met momenten – zeker dankzij de cleane zang die afwisselt met hese screams – zelfs even parallellen trekt met Woods of Desolation of Austere. Dit ook niet in het minst omdat “Sotteklugt” vol zit van tremoloriffs die wel uit een postrocknummer lijken weggelopen te zijn en de ganse plaat lang een heel dromerige, atmosferische en haast zweverige toon neerzetten. Met opener “Schemerzever” wordt meteen volle gas gegeven en komt inderdaad die knipoog naar Fluisteraars om de hoek kijken in de vorm van stuwend gitaarwerk. Halfweg wordt het tempo wat teruggeschakeld en wordt het repetitieve – ietwat ruizig en toch modern geproducet, trouwens – gitaarwerk doorspekt met akoestische tokkels die godbetert zelfs wat aan Lifelovers “Pulver” doen denken. Niet dat deze referenties ernaar hinten dat Shagor een DSBM-plaat heeft geschreven, maar wel dat “Sotteklugt” dezelfde melancholische emotionele intensiteit bezit die hiervoor vermelde bands als handelsmerk uitdragen. Shagor straalt naast melancholie ook verbetenheid uit en dit door middel van bijna catchy hooks die her en der opduiken, zoals iets voorbij de tweede minuut van “Nachtdwaler”: zo’n riff die meteen je aandacht opeist en even voor niets anders ruimte laat. Ook in “Respijt” komen er van die oorwurmen terug – naast het feit dat hier ook de bas een welverdiende plek opeist en het kwartet plots wel zeer venijnig uit de hoek weet te komen. Shagor mag dan misschien wat traditioneler klinken dan veel wat we heden ten dage uit Nederland voorgeschoteld krijgen, maar blijft gedurende de kleine veertig minuten heel consistent in thematiek en sfeer waarbij vooral de warme leads en de variatie in zang opvallen. ’t Moet niet altijd vernieuwend zijn om beklijvend te kunnen zijn, en dat heeft Shagor goed begrepen. De warme, heldere en vrij moderne productie draagt toch een rauw kantje met zich mee en dat voelt aan alsof Shagor niet gewoon een ode aan melancholische black metal van een goeie twintig jaar geleden brengt, maar hun debuut net in die mindset van weleer heeft geschreven. Shagor haalt her en der de mosterd, maar heeft duidelijk een eigen visie en smeedt deze elementen doelbewust om tot een eigen stijl, sound en identiteit. Authenticiteit boven alles, en daaraan is er bij Shagor alvast geen gebrek.

CAS: 85/100

Shagor – Sotteklugt (Babylon Doom Cult Records 2020)
1. Schemerzever
2. Nachtdwaler
3. Respijt
4. Verdoolde hemelbol
5. Dodendans

Beltez – A grey chill and a whisper

Een tijdje geleden tikte ik nog Exiled, punished…rejected van Beltez op de kop, een koopje bovenop een andere bestelling. Ik herinnerde me dat de derde plaat van de Duitsers degelijk was en kon die voor het klein prijsje niet laten liggen. Goeie beslissing, want mijn interesse werd opnieuw aangewakkerd en ik ving er wind van dat het kwintet aan een nieuw project bezig zou zijn. Dit nieuwtje dat de ronde deed in de wandelgangen bleek te kloppen, maar het zou over ‘een vierde langspeler’ gaan. In zekere zin klopt dat… ware het niet dat Beltez het veel grootser zag dan ‘simpelweg’ een album schrijven en uitbrengen. De Keulenaars hadden een gesamtkunstwerk voor ogen, en naast muziek en bijbehorend artwork werd ook een uitstapje richting de literatuur gedaan. De heren kozen niet gewoon een verhaal om hun muziek op te baseren, maar contacteerden zelf een auteur om een nieuw stukje proza neer te pennen. Zodus boetseerde de eveneens Duitse schrijfster Ulrike Serowy een kortverhaal getiteld “Black banners”, dat op zichzelf al de moeite is om te lezen. Duister, beklijvend en niet subtiel knipogend naar onze goede vriend H.P. Lovecraft, die ergens in het multiversum goedkeurend zit mee te lezen. De aandachtige lezer zal in het kortverhaal ook nog eens een metafoor voor een huidig maatschappelijk fenomeen ontwaren, zoals het goeie horror betaamt. Naast het verhaal en het album (door Benjamin Harff ook van intrigerend artwork voorzien) krijgen we ook nog eens een audioboek voorgeschoteld, ingesproken door Dan Capp van Winterfylleth, en voor de leut wordt er ook nog een akoestische versie van het afsluitend nummer “We remember to remember” toegevoegd. Lang geleden dat ik zo’n uitgekiend concept onder mijn loep kon leggen! Avantgarde Music moet dezelfde mening hebben gehad, want onze oosterburen vonden voor deze uitgave onderdak bij het Italiaanse label. Muzikaal volgen de negen nummers (die op iets meer dan een uur speelduur afklokken) de chronologie van het verhaal waarop ze gebaseerd zijn: van onheilspellend naar bedreigend, naar verdoemd. Hoewel veel bands die Lovecraftiaanse thema’s aanhalen nogal een goede relatie met dissonante tonen lijken te onderhouden, gooit Beltez het over een meer harmonische boeg met langgerekte melodieën (“A taste of utter destruction”) en enkele schaarse gitaarsolo’s zoals de harmonieuze lead die “I may be damned but at least I’ve found you” naar een climax stuwt. De blackmetal ligt vaak wat in het Zweeds-melodieuze hoekje maar verwacht geen zeemzoeterigheid, want Beltez moet het hebben van explosieve uitbarstingen die zich ondersteund door scherpe screams steeds weer opwerpen, na hier eens een rustiger, atmosferisch stuk en daar weer een korte ambient-passage zoals we het ook gewend zijn binnen de hedendaagse USBM. De arrangementen zijn doordacht, want de verhalende en steeds voortstuwende structuur van de nummers volgt het verhaal bijna alinea per alinea: zo begint “The unwedded widow” even terneergeslagen als het personage waarnaar de titel verwijst, en worden we daarna overweldigd door de weemoed en wanhoop van onze protagonist, als reactie op het gedrag van de ongehuwde weduwe. Zonder teveel prijs te willen geven over het verloop van het verhaal valt deze tendens in elk nummer te bespeuren, wat op zich al bewonderenswaardig is want het ganse boeltje blijft, ook muzikaal, heel coherent. Ook goeie punten voor de sound, want de snedige ritmegitaar, beukende drums, warm klinkende leads en dragende bas zorgen voor een niet te stoppen wall of sound, zeker wanneer het tempo onvermijdelijk terug de hoogte in gaat. Waar Beltez voordien okay was, een degelijke middenmootband, doet ze nu een gooi naar de hogere regionen binnen het wereldje met een album dat eigenlijk met moeite nog een album genoemd kan worden, maar eerder een crossover tussen verschillende disciplines in de kunst en verschillende artiesten met een voorliefde voor Lovecraft als gemene deler. “A grey chill and a whisper” is een enorm ambitieus project geworden waarin duidelijk over de plaatsing van elk woord en elke noot is nagedacht, en waarvan de executie ook meer dan bovengemiddeld is. Toen ik hoorde dat de heren met een nieuwe plaat bezig waren had ik zeker kwaliteit verwacht, maar dit Kunstwerk (met hoofdletter K) overklast ruimschoots wat ik in gedachten had en zou zomaar één van dé verrassingen van het jaar kunnen zijn!

CAS: 90/100

Beltez – A grey chill and a whisper (Avantgarde Music 2020)
1. In apathy and in slumber
2. The city lies in utter silence
3. Black banners
4. A taste of utter extinction
5. The unwedded widow
6. From sorrow into darkness
7. A grey chill and a whisper
8. I may be damned but at least I’ve found you
9. We remember to remember

Lamp of Murmuur – Heir of ecliptical romanticism

Vorig jaar kwam uit het niks Lamp of Murmuur opduiken en op amper een jaar tijd heeft het Amerikaanse eenmansproject nogal wat furore gemaakt. Vooral met de release van de fantastische “Burning spears of crimson agony” EP eerder dit jaar leek de zwartgeblakerde hoek van het internet compleet tilt te slaan, werden nog nooit zoveel woordgrapjes over een bandnaam gemaakt, vlogen de gelimiteerde releases sneller dan ik voor mogelijk had gehouden over de toonbank én stonden ze nog binnen diezelfde minuut op Discogs te blinken aan, uiteraard, exuberante prijzen. Dood aan dat Discogsgespuis! Om maar te zeggen dat Lamp of Murmuur zich op bijzonder korte tijdspanne op de kaart heeft weten te plaatsen met haar bezwerende, rauwe en toch met rock-n-roll vibes doorspekte blackmetal en al enige tijd vlot over de tongen gaat. Na een hoop demo’s (waarvan eentje uit een dungeon synthexpirementje bestond) en een EP is het wachten voorbij en viel begin deze maand het doek over de eerste langspeler. Drie nieuwe tracks, een intermezzo en 2 heropnames van eerder materiaal (nummer vier en vijf). Oh, en begot een Dead Can Dance cover in de vorm van “In the wake of absurdity”. De vraag die elkeen zich stelt is: “Jamaja, met al die hype, is ’t eigenlijk wel de moeite waard?” en we kunnen alvast met de deur in huis vallen door daar volmondig “Ja!” op te antwoorden. “Heir of ecliptical romanticism” klinkt qua productie dan wel een pak meer opgekuist dan wat eraan voorafging maar verzaakt niet aan wat Lamp of Murmuur ons al van in den beginne voorschotelt: rauw zwartmetaal met een bepaalde swingende catchiness, hoe contradictorisch dat ook mag klinken. Dat de productie wat meer afgelikt klinkt is natuurlijk relatief, want dat de Amerikaan misschien minder klinkt alsof hij vanuit een halfvolle beerput loopt te krijsen betekent niet dat hij zich ondertussen heeft gedoucht. “Of infernal passion and aberrations” knalt meteen zonder poespas het gaspedaal in – het tempo ligt gedurende de hele plaat vrij hoog – maar binnen de twee minuten wordt al overgeschakeld op een midtempo strofe waar het thrashmetalgehalte vanaf spat. Voor het eerst maar zeker niet voor het laatst, want in het daarna volgende “Bathing in cascades of caustic hypnotism” worden dit soort riffs meer in de verf gezet. Niet dat M., het met verf bekladderde gezicht van de band, deze catchy heavy en thrashmetalriffs gewoon binnen zijn furieuze black steekt, maar deze eerder volledig incorporeert in zijn eigen sound. Ondanks het feit dat “Heir of ecliptical romanticism” een zeer riffgeoriënteerd album is, eist de basgitaar met zijn heldere toon en soms bijna funky lijntjes een bepalende plek in de schijnwerpers op. Hoewel ze met momenten haast subtiel is, draagt ze de opgejaagde riffs verder en verzacht de overbruggingen ertussen zoals in het hierboven vermelde “Bathing…”. Nu, goeie old school black zou niet compleet zijn zonder een laag synths die doorheen de raspende vocalen (die in overvloed present zijn) meanderen. In de eerste twee songs zorgen ze voor een uitdieping van de sfeer om dan onverwacht het voortouw te nemen in het titelnummer. Deze track contrasteert wat met de meer brutale, furieuze en opgefokte songs die eraan voorafgingen – de keyboards lijken zowaar wat weg hebben van de opwekkende leads die we kennen van Mesarthim, een referentie die ik nooit verwacht had in deze review te maken. Na deze opvallende wending, eindigend in een heuse atmosferische apotheose, compleet met cleane zang en triomfantelijke koperblazers (in synth-vorm), loopt het album met enkele minuten ambient op zijn einde. Dit echter niet voordat de Dead Can Dance cover de revue is gepasseerd. Opnieuw prominente keyboards en een duet tussen naar de achtergrond verdrongen krijsen en heldere zang dat helaas niet overtuigt. De cover klinkt wat haastig ineengebokst en voor mijn part mocht het album met de ambient zijn geëindigd, hoewel het best een interessant experiment was. Lamp of Murmuur bestookt ons op “Heir of ecliptical romanticism” met een spervuur aan riffs, blastbeats en keldergeschreeuw maar weet deze vorm van blackmetal eigentijds (lees: deftig opgenomen en geproduceerd) te doen klinken en vooral een dijk van een grimmig album neer te poten. De hype is real!

CAS: 89/100

Lamp of Murmuur – Heir of ecliptical romanticism (Death Kvlt Productions & Not Kvlt Productions, 2020)
1. Of infernal passion and aberrations
2. Bathing in cascades of caustic hypnotism
3. Gazing towards the hallways of a peaceless mind
4. The scent of torture, conquering all
5. Chalice of oniric perversions
6. Heir of ecliptical romanticism
7. The stars caress me as my flesh becomes one with the eternal night
8. In the wake of absurdity (Dead Can Dance cover)

Paysage d’Hiver – Im Wald

Een reviewproces kan gekke vormen aannemen. Zo was deze recensie voor “Im Wald”, het laatste en langverwachte geesteskind van Paysage d’Hiver, zo goed als geschreven toen ik me deze week genoodzaakt zag domweg van nul opnieuw te beginnen. Deze review komt laat ten tonele, maar ik heb er dan ook al een luisterbeurt of 35 op zitten – goed voor toch wel twee werkweken aan bingelistening. Nu goed, een album van Wintherr geeft natuurlijk niet in één luisterbeurt z’n geheimen prijs, maar twee uur lang is toch wel een ferme brok om te verteren. Oorspronkelijk zou ik zeggen dat het album dat via zijn eigen Kunsthall Produktionen verscheen wel weer een typisch Paysage d’Hiver album was geworden, compleet met ietwat ruizige sound (maar meer doordringbaar dan op bijvoorbeeld de self-titled of pakweg “Schattengang”), gecomplementeerd met heldere en relatief catchy synths (toch een nieuw element). Twee uur lang van deze materie is echter nogal een opgave om door te zitten, ondanks een knaller als “Stimmen im Wald” dat ons een nagenoeg perfecte openingsriff voorschotelt en het magistrale “Kälteschauer” dat de essentie van de band eigenlijk samenvat. “Im Wald” wordt tussen de lijnen door ook gezien als de eerste full-length van het project dat reeds in 1997 het levenslicht zag in de reflectie van de besneeuwde Zwitserse Alpenpassen, maar van een debuut kunnen we hier amper nog spreken na een toch wel uitgebreide discografie. Echter bleef ik van mening dat bijvoorbeeld de zelfgetitelde demo nog net iets meer in z’n mars had, zowel riff- als atmosfeergewijs, maar dat was buiten mijn onverwachtse trip richting de dardennen gerekend. Een eenzame, nachtelijke boswandeling met dit album geeft meteen een compleet andere ervaring en maakt duidelijk dat de titel absoluut de lading dekt. Subtiliteiten die ik in eerste instantie niet eens had opgemerkt doorheen de plaat werden plots heel ruw mijn belevingswereld binnen gestampt: zo zette ik meer dan eens mijn koptelefoon af om na te gaan of dat geluid van krakende takken nu uit de bossen rondom me kwam – ik had al kennisgemaakt met een hertenjong – of dat die enkel uit het album voortkwamen. Optie twee was het geval, want eens het album kortstondig op pauze werd gezet werd ik enkel begroet door doodse stilte. Ook het geluid van de wind zoals in bijvoorbeeld de intro van “Verweilen” had hetzelfde effect. Bevreemdend, impressionant en ietwat verwarrend zijn maar enkele woorden die dit gevoel beschrijven, maar het algemeen sentiment van deze twee uur lang durende (muzikale) wandeling, afwisselend tussen pikdonker bos en de iets helderder Hoge Venen kunnen het best beschreven worden als majestueus. Het uitgestrekte bos en de eindeloze heide resoneren met de repetitiviteit van het gitaarwerk en de zwaar distorted vocalen van Wintherrs laatste werk. Nu, wie zoals doorheen het voorgaande werk wat meer ambientinvloeden had verwacht is eraan voor de moeite, gezien deze twee uur zo goed als volledig door het zwartmetalen spectrum worden ingenomen. Ik klaag hoegenaamd niet. Hoewel het ganse werk in een setting waarin geen complete aandacht aan de muziek kan worden gegeven inderdaad als wat langdradig kan beschouwd worden – een iets kortere speelduur was misschien geen overbodige luxe geweest – biedt de juiste context wel degelijk een fantastische ervaring aan, en laat dat nu exact zijn wat Wintherr met zijn solowerk wil bereiken. De titel van de afsluiter vertaalt zich naar ‘dus het weerkaatst’, en een betere weergave van hoe het album binnen een bepaalde omgeving resoneert kon ik zelf niet geven. Als ik thuis nog Paysage d’Hiver opleg is de kans reëel dat ik voornamelijk teruggrijp naar ouder werk, maar dit “Im Wald” is ontegensprekelijk een brok atmosfeer geworden die verdomd hard aan kan komen, als je er de tijd voor neemt.

CAS: 91/100

Paysage d’Hiver – Im Wald (Kunsthall Produktionen 2020)
1. Im Winterwald
2. Über den Bäumen
3. Schneeglitzern
4. Alt
5. Wurzel
6. Stimmen im Wald
7. Flug
8. Le rêve lucide
9. Eulensang
10. Kälteschauer
11. Verweilen
12. Weiter, immer Weiter
13. So hallt es wieder

Turia – Degen van licht

De Nederlander O. is hier op Addergebroed allang geen onbekende meer. Als één van de oprichters van het Haeresis Noviomagi collectief voelden we hem eerder al aan de tand, en ook projecten als Lubbert Das, Nusquama, Iskandr en Solar Temple bleven niet onbesproken. Het collectief is dan ook koploper in de springlevende Nederlandse black metalscene en blijft de ene na de andere nieuwe release uitspuwen. Deze keer is het na een resem splits met onder andere Vilkacis en Fluisteraars tijd voor de derde langspeler van Turia, één van de eerste projecten die de cirkel voortbracht. Geïnspireerd door trektochten door de zuiderse Alpen brengt het trio via Eisenwald “Degen van licht” uit, waarop Turia’s kenmerkende repetitiviteit en blast beat-uitbarstingen terug alom aanwezig zijn. Ondanks de bewust lo-fi gehouden sound heeft “Degen van licht” de tot nu toe beste productie van een Turia-plaat meegekregen, waardoor de gitaar een pak scherper klinkt dan op voorgaande releases en het stofzuigereffect dat bijvoorbeeld “Dede kondre” kenmerkte wat naar de achtergrond is verdwenen. Na intro “I” laat “Merode” er alvast geen gras over groeien en schiet meteen recht in de roos middels een riff die dagen in je hoofd blijft hangen en waarop vocaliste T, die tevens de zang in Nusquama opneemt, haar eerste kenmerkende krijs naar buiten perst. Het moet gezegd, met haar rauwe krijsen vol wanhoop heeft T één van de meest karakteristieke stemmen die je heden ten dage in black metal tegenkomt. Ook op “Met sterven beboet” toont Lubbert Das-drummer J meteen hoe je een stroom aan blast beats toch interessant kunt houden en er een psychedelisch aandoende riff extra mee in de verf kunt zetten. Halfweg het nummer wordt iets meer ruimte gecreëerd voor zich herhalende melodie en wordt het tempo wat teruggeschroefd, zonder echter de flow te doorbreken en waarop O zelfs enkele Pink Floyd-achtige lijnen uit zijn gitaar perst. Opvallend is hoe O doorheen het constante tapijt van snelle riffs een hoop subtiele tremolo-riffs weet te weven, een constante op elke Turia-release en dus ook op “Degen van licht”. Na de bergpieken die de eerste twee nummers waren daalt het titelnummer wat af in een dal en toont Turia een meer melodieuze kant middels een trager tempo en langer uitgesponnen epiek, die zich zonder haast verder ontplooit als een glestjer die langzaam de helling afglijdt. Het moet niet altijd rammen en beuken zijn. “Storm” jaagt het tempo meteen terug de hoogte in en na een ambient intermezzo in de vorm van “II” eindigt het album met het dertien minuten durende “Ossifrage” dat zonder twijfel het meest gevarieerde en, simpel gezegd, beste nummer van de plaat is. Turia heeft de neiging zichzelf keer op keer te overtreffen en dat is dit keer niet anders. “Degen van licht” zit barstensvol riffs die dagen in je hoofd blijven nazinderen en straalt een beklemmende, desolate sfeer uit die je moeiteloos naar weidse dalen en bergkammen teleporteert. Ik heb alvast een plekje in mijn jaarlijst gereserveerd.

CAS: 92/100

Turia – Degen van licht (Eisenwald, 2020)
1. I
2. Merode
3. Met sterven beboet
4. Degen van licht
5. Storm
6. II
7. Ossifrage