Ars Magna Umbrae – Apotheosis

Over Ars Magna Umbrae’s eerste langspeler “Lunar ascension” waren we twee jaar geleden erg te spreken. De Pool K.M. speelde gretig in op de dissonante trend die al een tijdje bezig was en vooral door IJslandse acts geëxploiteerd werd hoewel de origines ervan eerder tot de Franse scene te herleiden zijn. Ook het snerpende, nerveuze, demonische en kille gitaarwerk van USBM acts als Nightbringer of Bestia Arcana vond zijn weg naar het Ars Magna Umbrae universum. Al deze elementen zijn op het nagelnieuwe “Apotheosis” opnieuw aanwezig. Atonale klanken en dissonanten stromen nog steeds gretig door de riffaders en de link naar de aangehaalde USBM referenties wordt vooral in een kraker als “On the wings of divine fire” nogmaals bevestigd. Dit nummer heeft tevens een waas van oosters aandoende mystiek over zich gedrapeerd en speelt gretig met dynamische elementen. Ook de titeltrack is vermeldenswaardig en start met een monsterriff, probeert je nadien voortdurend op het verkeerde been te zetten met afwijkende tempo’s en ritmes, maar ontplooit zich wat later ook tot een meer melodische song. Het is typerend voor de occulte en esoterische black waarin we hier een kleine veertig minuten ondergedompeld worden en die ons het ene moment mee de abyssale dieptes in sleurt maar ons even later even goed in kosmische sterrenstelsels katapulteert. En of deze taferelen zich nu aan een horroreske rotvaart manifesteren of ons op traag glooiende uitdijingen doet meesurfen, maakt niet uit want Ars Magna Umbrae’s creaties barsten steeds van een gezwinde hypnose die droom en realitet doen samensmelten. Op vocaal vlak krijgen we heel diverse keelklanken voorgeschoteld gaande van raspend gekrijs over mysterieus gefluister, sappige screams en verhalende vrouwelijke stemmen. Deze tweede langspeler is opnieuw een schot in de roos en hopelijk nog niet de apotheose van deze uitermate getalenteerde one-man band. Nog even meegeven dat K.M. tot voor kort ook deel uitmaakte van Cultum Interitum die op de laatste dag van augustus hun eerste langspeler op de mensheid loslaten. Ook een aanrader voor fans van Ars Magna Umbrae en de aangehaalde referenties.

JOKKE: 86/100

Ars Magna Umbrae – Apotheosis (I, Voidhanger Records 2020)
1. Through fields of Asphodel
2. She who splits the earth
3. On the wings of divine fires
4. Apotheosis
5. Mare tenebrarum
6. Oracle of luminous dark
7. Of divine divergence
8. In tenebris ignis

Precambrian – Tectonics

Black metal muzikanten zijn veelal nostalgische zielen die ons middels hun muziek terug katapulteren naar (lang) vervlogen tijden. Zo handelt menig black metal plaat over de gruwelijkheden van de twee wereldoorlogen, duistere middeleeuwse aangelegenheden, Bijbelse toestanden of de gebeurtenissen die zich afspeelden nadat een zootje ongeregeld het in 793 wat te bont te maakte op Lindisfarne. Precambrian daarentegen neemt ons nog verder mee de teletijdmachine in en dropt ons zo’n luttele 4,6 miljard jaar terug de tijd in wanneer de aarde vorm kreeg. “Tectonics“, de titel van hun eerste langspeler (eerder verschenen reeds 2 EP’s), spreekt wat dat betreft boekdelen. Precambrian was voor ondergetekende een nobele onbekende, maar blijkbaar schuilt er heel wat ervaring in de rangen van het trio. Aanvoerder van dienst is immers Roman Saenko van Drudkh fame en ook zijn twee andere kompanen maken momenteel deel uit van die band. Andere gemeenschappelijke delers van de drie muzikanten zijn het ter ziele gegane Blood Of Kingu, Rattenfänger, Old Silver Key, Windswept en het in 2014 gestopte Hate Forest. Die laatste moet je voor ogen houden als je wilt weten hoe Precambrian klinkt, maar dan met een meer energieke productie. “Archaebacteria” schiet meteen uit de startblokken en ontketent een aardverschuiving ter hoogte van Oekraïne, de bakermat van het powertrio. De aanstekelijke riffs en het begeleidende drumwerk zijn om van te smullen en Roman zorgt met zijn haatvolle screams voor de kers op de taart – leuk ook dat hij af en toe eens wat diepe gutturale klanken laat opborrelen. De uitstekende, doch niet afgelikte productie, doet het gelaagde gitaarwerk bovendien uitstekend tot zijn recht komen. Het enige wat mij mateloos stoort, is dat zowat elk nummer stopt alsof iemand in de studio per ongeluk een kabel uittrok. Wie met dit idee op de proppen kwam, verdient een ‘djoef op zijn muile’. Oh wacht, dit is natuurlijk een verwijzing naar Hate Forest’s laatste volwaardige wapenfeit want ook op “Sorrow” werd er niet echt lang nagedacht over songeindes. Voor de rest geen klachten over “Tectonics“. Het onheilspellende, betoverende en hypnotiserende karakter van klassieke Hate Forest is alom tegenwoordig evenals diens barbaarse en woeste, brandende snelheden. Het lijken misschien tegenstrijdigheden maar deze wisselwerking levert een grandioos huwelijk en debuut op.

JOKKE: 82/100

Precambrian – Tectonics (Primitive Reaction 2020)
1. Archaebacteria
2. Fossilization
3. Cryogenian
4. Volcanic winter
5. P-Tr. extinction

Obscure Relic – First black communion

Als ik de bandfoto van Obscure Relic zo bekijk, dan denk ik niet dat één van deze vijf mottigaards ooit een schoonheidswedstrijd zou winnen of in staat zou zijn met een Brazilaanse babe aan zijn hand over het strand te flaneren. Zelfs zonder corpsepaint zou ik van hun tronies verschieten en daar het woordje ‘bestiaal’ enkele keren in de bijgevoegde biografie verscheen, vermoedde ik dat de black metal van deze Brazilianen minstens even onverzorgd voor de dag zou komen. Maar dat valt al bij al wel mee. “First black communion” is een zoethoudertje, nadat eerder dit jaar de “Sons of evil power” demo verscheen, in afwachting van een eerste full-length. Zodra de titeltrack na de obligate intro uit de boxen knalt, moet ik meteen aan oude-Dark Funeral denken, zowel qua sound (hun self-titled EP en “The secrets of the black arts“) als qua Zweedse insteek van het tremoloriffwerk (“Vobiscum satanas“). Maar natuurlijk zijn deze nummers verre van zo overweldigend als wat Lord ‘of the sunglasses‘ Ahriman en co destijds afleverden. Het titelnummer kan mij zeker bekoren en ook “Master of all forms“, dat wat meer met dynamiek speelt, kan er absoluut mee door maar vanaf “Enter the infernal realms” begint Obscure Relic als dertien in een dozijn te klinken. Natuurlijk is dit nog maar het tweede kleine wapenfeit van het kwintet dat nog maar sinds 2 november 2019 of “Dios de los Muertos” aan hun snelweg naar de hel aan het timmeren is. Ik geef ze groot gelijk dat ze eerst nog wat verder willen schaven aan die langspeler want het potentieel is er in elk geval. Nu nog wat meer aan een eigen (lelijk) smoelwerk werken en wat sulfer in hun uitvoering steken en het komt allemaal goed.

JOKKE: 72/100

Obscure Relic – First black communion (Helldprod Records 2020)
1. Intro
2. The first black communion
3. Master of all forms
4. Enter the infernal realms
5. For blackerubins
6. Final

Silver Knife – Het mes snijdt aan twee kanten

Zaadjes kunnen tot mooi dingen uitgroeien. Dat bewijst Silver Knife, een muzikaal project dat geïnitieerd werd door onze landgenoot Hans en de Nederlander Nicky, beiden gekend van tal van andere bands. In hun enthousiasme wisten ze nog andere muzikale en grafische duizendpoten mee in het verhaal te betrekken zodat Silver Knife uiteindelijk tot een band met vaste line-up uitgroeide. Amor Fati zette zijn schouders onder Silver Knife en op 19 augustus ziet het debuut “Unyielding / Unseeing” het daglicht. We hadden het met de heren o.a. over het schrijfproces en hun toekomstplannen. (JOKKE)

The English version of this interview can be found here.


Alvast proficiat met de release van jullie debuutplaat “Unyielding / Unseeing”. Als ik het goed voorheb waren jullie al lang van plan om ooit eens samen muziek te maken. Hoe zijn jullie met mekaar in contact gekomen?
N.: Dankjewel! Toen ik in 2008 – op aanraden van Laster’s S. – Trancelike Void leerde kennen, had ik geen idee van de persoon achter de muziek. Echt in contact kwamen Hans en ik pas jaren later middels avonden waar onze bands het podium deelden. Na een wat geëscaleerde avond in Athene ontstond het idee om samen iets te ondernemen. Omdat we elkaar altijd sporadisch troffen bleef het echter bij praatjes, tot Hans vorig jaar bij een show in Antwerpen resoluut de agenda trok.

H.: Als muzikant wil je je horizon verbreden, en één manier om dat te doen is door samen te werken met andere muzikanten. Ik heb altijd een ‘lijstje’ in m’n achterhoofd met mensen waar ik wel eens iets mee zou willen ondernemen. Het was best ironisch dat we elkaar steeds op locaties doorheen Europa tegen het lijf liepen, terwijl we minder dan 200 km van elkaar wonen. Die nacht in Athene in november 2017 heeft zeker voor een band gezorgd, waarna het voor mij slechts een kwestie van tijd was vooraleer we samen iets inblikten. Zoals Nicky zei: begin juli 2019, bij een Nusquama show in Antwerpen, werd het plan concreet. Een dikke maand later zaten we in de studio.

Op zich vind ik een samenwerking tussen jullie beiden niet zo vanzelfsprekend daar ik Hans zijn werk met o.a. Kilte, Hypothermia en Monads toch eerder wat in de depressieve black en doom metal hoek catalogiseer dan de wat progressievere aanpak van Nicky in bands als Laster, Nusquama, Vuur & Zijde en Reiziger. Waarom dachten jullie dat de krachten bundelen een interessant muzikaal resultaat zou opleveren?
H.: Een al te vanzelfsprekende samenwerking zou misschien ook niet zo interessant zijn. Als ik een nieuw muzikaal project met iemand begin, ben ik niet echt bezig met wat nu de persoonlijke invloeden zijn, noch met welke muziek er in ‘t verleden gemaakt werd. Het gaat erom iets nieuws te doen, en daarbij laat je je muzikaal verleden (deels) los. De directe stap naar een samenwerking was dan ook iets dat veel meer met de persoon achter de muziek te maken had.

N.: Muzikaal gezien is voor mij het niet-vanzelfsprekende een belangrijke factor om een nieuwe samenwerking aan te gaan. Ik leer en krijg energie van afwijkende benaderingen; wat mijn eigen creativiteit alleen maar ten goede komt. Daarnaast vind ik het belangrijk om samen te werken met mensen met wie ik een persoonlijke klik en gedeeld muzikaal enthousiasme ervaar. Dat klinkt misschien logisch, maar laat ook zien dat een muzikaal verleden alleen onvoldoende is om de handen in elkaar te slaan.

Was de muzikale richting van meet af aan duidelijk of kreeg die pas vorm door samen te komen om te musiceren?
H.: We spraken op voorhand over muzikale richting en concepten, maar het was toen we beiden met een gitaar in de hand in mijn woonkamer zaten dat Silver Knife echt vorm begon te krijgen. Het was daar dat ik de muziek als geheel in mijn hoofd begon te horen. Gelukkig werk ik al zo lang met Déhà samen dat ik twee dagen later in de studio kon overbrengen wat Nicky en ik precies voor ogen hadden.

N.: Ondanks de spontaniteit stond voorop dat het muzikaal een eigen karakter moest hebben, los van onze eerdere werken, maar ook thematisch verwijderd van hedendaagse tendensen binnen de black metal. Je zou kunnen stellen dat vast stond wat het niet moest worden; iets wat wel vaker een goed beginpunt is om te achterhalen waar ik op dat moment naar op zoek ben.

Is de muzikale inbreng van jullie beide qua riffs en melodieën even groot of nam er één iemand de lead in het songschrijven? Ik hoor namelijk eerder Nicky’s stempel in het totaalgeluid dan dat van Hans, tenzij de depressieve waas die bijwijlen als een sluier over de muziek gedrapeerd is en wat Hypothermia en Kilte invloeden verraadt.
H.: De verdeling is redelijk 50/50, zowel muzikaal als tekstueel. De sfeer en samenwerking tijdens de opnames is hierbij van groot belang geweest. Zelfs de nummers die door Nicky of mijzelf afzonderlijk geïnitieerd werden, kregen constante feedback. Het proces in de studio was op die manier redelijk intens; er werden voortdurend gemeenschappelijke beslissingen genomen en knopen doorgehakt, met – indien nodig – Déhà als doorslaggevende stem. Uiteindelijk vloeiden we in een richting waar de nummers minder het gezicht droegen van ofwel Nicky of mijzelf, maar duidelijk het gelaat van Silver Knife lieten zien.

Later in het proces kwam ook Pierre Perichaud van Paramnesia op de proppen als drummer. Was een drummer van vlees en bloed noodzakelijk voor jullie muziek of waren geprogrammeerde drums aanvankelijk ook een optie? Hoewel ik moet toegeven dat Pierre’s razendsnelle drumwerk de precisie van een drumcomputer benadert.
H.: Het debuut was klaar vóór Pierre erbij was. Déhà deed alle drums zelf in zijn studio. Toen Déhà en ik in december een bezoek brachten aan Pierre, liet hij ons weten dat hij fan was van het album, en dat hij het miste om muziek te maken. Helemaal onbewust bleek de drumstijl ook perfect te kloppen met zijn werk in Paramnesia (en Lure, waarvan de eerste demo snel uitkomt, houd dat maar in ‘t oog!). Het duurde geen 5 minuten eer we hem hadden uitgenodigd om erbij te komen. Ondertussen is hij bezig met opnames voor een EP en zal hij ook op de volgende full-length drummen.

Pierre is natuurlijk ook gekend van zijn artwork en tattoo studio onder de noemer Business For Satan. Zijn creaties zijn altijd om duimen en vingers bij af te likken en bevatten heel wat symboliek. Zo ook in het geval van jullie artwork. Ik zie centraal het zilveren mes dat naar jullie bandnaam refereert en dat twee handen heeft afgehakt die in een “as above so below” positie staan. Welke betekenis schuilt hierachter?
P.: De spiegel waarin het zilveren mes zich bevindt, nodigt uit tot reflectie. De handen zijn een symboliek voor deze uitnodiging. Toekomst, lot, ijdelheid, introspectie, dood, … De spiegel en de muziek forceren je om dieper te kijken, en vragen ons hoe ver we daarin kunnen/willen gaan. Welke plicht zijn we verschuldigd aan de spiegel en het mes?

Tekstueel handelt jullie debuut over onderwerpen als vervreemding en oneindig conflict. Nu versta ik niet bepaald véél van wat er gescreamd wordt en de krijszang voelt ook eerder als een extra instrument of laag aan dan dat het de bedoeling is een boodschap uit te dragen. Zijn er überhaupt teksten of ontstond de zang eerder vanuit een geïmproviseerd gevoel tijdens het opnemen?
N.: Ik was die zomer bevangen door China Miéville’s “The city & the city“. Dit werk speelt op een unieke, intieme manier met deze thema’s, en heeft dan ook behoorlijk invloed gehad op mijn deel van de teksten. Ironisch genoeg is dit het meest inzichtelijk in het door E. B. ingesproken nummer “Unseeing“. Een verstaanbare inhoud maakt in dit genre wel vaker plaats voor ongedefinieerde expressie. Ook in ons geval was dit een artistieke keuze. Zo zijn mijn hoge uithalen erg ongeschikt voor een duidelijke articulatie, maar wisten ze – in tegenstelling tot mijn andere zangstijlen – makkelijk door de volle, drukkende productie heen te klieven. Hierdoor moest er een beslissing worden gemaakt tussen een te verstane tekstuele inhoud of het karakter en de impact van een specifieke zangstijl.
Je wint wat. Je verliest wat. Het mes snijdt aan twee kanten.

H.: Omdat de teksten in de avonden van de opnamesessies werden geschreven, was er een wisselwerking gaande tussen vorm en inhoud. In plaats van eerst een muzikaal skelet te vormen, waaraan vervolgens een thema werd opgehangen, lieten we ons zowel muzikaal inspireren door de tekstuele inhoud als andersom. Dankzij de kunde van Déhà was er veel ruimte om te experimenteren, waardoor iedereen vrijuit bijdroeg aan de zang. Ik denk dan ook dat je de nagel op de kop slaat wanneer je zegt dat de zang een extra instrument is, omdat er per segment is gekeken naar wiens stemgeluid er het beste paste.

De plaat werd opgenomen met Déhà achter de knoppen en de mastering werd verzorgd door Mare Cognitum’s Jake Buczarski. De sound is heel overweldigend, maar tegelijkertijd ook héél dichtgetimmerd met weinig ademruimte en dynamiek. Dit hoor ik bij wel meer Déhà producties terug. Was dit de sound die jullie specifiek voor ogen hadden?
N.: Voordat ik naar Brussel kwam, was ik niet op de hoogte van Déhà’s en Jacob’s kwaliteiten, en dus ook niet in staat om een inschatting te maken van het uiteindelijke geluid. Het resultaat is dat je ter plekke reageert op wat je hoort, waardoor zowel de productie als de muziek een constante invloed op elkaar uitoefenen. Omdat de onafgebroken, stuwende productie correspondeerde met de thematiek en het hoge tempo, werden ruimtelijkheid en dynamiek benaderd middels melodie en structuur.
Alvorens de mix bij Jakob arriveerde, was het geluid nog vele malen robuuster; wat ten koste ging van de algehele definitie. Zijn mastering – en eindeloze geduld – heeft dan ook flink invloed gehad op de oorspronkelijke stoomwals die wij destijds aanleverden.

Zijn er plannen om met Silver Knife op te treden?
N.: Er zijn nog geen concrete plannen. Wel zijn we alle vier te spreken over het idee en zien we mogelijkheden om dit en nieuw materiaal naar het podium te brengen.

Als ik het zo hoor zal “Unyielding / Unseeing” dus nog een vervolg krijgen?
H.: Inerdaad, er komt zeker meer materiaal. Samen met het debuut namen we nog twee nummers op die (zo goed als zeker) voor een 7” EP gebruikt zullen worden. Op het moment van schrijven is Nicky in België om gezamenlijk een vervolg in te blikken. We schreven beiden meer dan genoeg materiaal sinds vorige zomer om dat mogelijk te maken.

N.: Ik zie muzikaal en thematisch nieuwe mogelijkheden voor Silver Knife en kijk ernaar uit om deze verder te verkennen.

Ifernach – The green enchanted forest of the druid wizard

Tussen de recente releases van Amor Fati Productions viel de van lelijk cover artwork voorziene “Gaqtaqaiaq” LP van het voor mij onbekende Ifernach op. Daar het gros van wat Amor Fati op de markt brengt mij wel kan bekoren, besloot ik deze re-release – oorspronkelijk verscheen ie via Nekrart Productions in 2018 op CD – toch maar eens uit te checken. Na een wat cheesy intro knalde er rauwe punky black met gewelddadige Franstalige vocalen uit mijn speakers. Ik was nog steeds niet helemaal overtuigd tot Finian Patraic, de alleenheerser van dienst, plots heel melodieuze gitaarleads in de strijd gooide die mijn armhaartjes 90° van richting deden veranderen. Instant buy en fast forward naar 2020, want via Tour de Garde en GoatowaRex verscheen afgelopen maand – respectievelijk op tape en vinyl – de vierde langspeler met de toverachtige titel “The green echanted forest of the druid wizard“, nadat vorig jaar nog een EP en langspeler verschenen en ook eerder dit jaar al een EP gelost werd. Bezig bazeke die Finian Patraic! De man heeft roots bij de Ierse immigranten en het inheemse “First Nation” volk de Mi’kmaq (of Micmac), die wonen in het oosten van Noord-Amerika, meer bepaald in New England, Atlantisch Canada en Gaspésie. Zijn muzikale output doopte hij – je kan het tegenwoordig zo gek niet meer bedenken qua geografische aanduiding – Gespegewagi black metal, verwijzend naar het traditioneel territorium van de Listiguj indianenstam. Het inluidende titelnummer start met een riff waar Count Grishnackh jaloers op zou zijn geweest en het eerste échte nummer “The passage of Dithreabhach” houdt ons met diens epische tremoloriffs nog verder in een wurggreep vast. Wat wel verdwenen lijkt te zijn, zijn het rauwe punk-element en de bijtende Franstalige screams. In het verleden hanteerde Finian veelal het Frans omdat die ook in de black metal scene van Québéc gebruikt wordt en die hem nauw aan het hart ligt, maar Engels is de man zijn moedertaal. Wel werkt de muzikant nog steeds graag met contrasten en verweeft hij tussen de furieuze black metal ook dromerige ambient- en folkloristische akoestische intermezzi. Het draagt bij tot de mysterieuze atmosfeer van het zwartmetaal dat wordt gebracht ter meerdere eer en glorie van de wouden waar niemand een voet durft te zetten, maar haalt soms ook wel de vaart uit de plaat, zeker als dat bijvoorbeeld in de vorm van “A cursed spear” meer dan acht minuten in beslag neemt. Met “In the hollow of the Togharmach” is het opnieuw tijd voor het echte werk waarbij bombastich drumwerk, snijdende tremolo’s, afwisselende heldere, plechtstatige zang en hese screams ons diep in het duistere woud meesleuren. “Teinm laida“, dat is vernoemd naar één van de drie vaardigheden van een ziener in Ierse romantische literatuur, is opgedeeld in twee stukken waarbij de aanloop uit meditatief clean gitaargepingel bestaat en het tweede deel de rauwe, repetitieve en groezelige black opnieuw laat zegevieren. “A winter tree clad in black frost” trekt terug overduidelijk de Burzum-kaart en doet wat het moet doen: ons middels repetitieve en hypnotiserende riffs en drumwerk, subtiele toetsenverleidingen en wat dieper krijswerk in vervoering brengen. Bovendien komen de Ierse roots naarmate het nummer vordert in de synthpartijen subtiel naar boven drijven. “Hidden palaces under the green hills” zorgt met diens sample van een kabbelend waterbeekje, rustgevende ambient en gitaargetokkel, rituele percussie en indianenfluitjes voor een sereen en berustend einde. “The green enchanted forest of the druid wizard” is een erg degelijke plaat geworden, maar het black metal deel had van mij gerust nog wat meer mogen doorwegen, want de echte kracht van Ifernach zit ‘em in de melodieuze leads die hij daarin weet te verwerken.

JOKKE: 81/100

Ifernach – The green enchanted forest of the druid wizard (Tour de Garde/GoatowaRex 2020)
1. The green enchanted forest of the druid wizard
2. The passage of Dithreabhach
3. A cursed spear
4. In the hollow of the Togharmach
5. Teinm laida I
6. Teinm laid II
7. A winter tree clad in black frost
8. Hidden palaces under the green hills

Temple Nightside – Pillars of damnation

De extreme metal die de Australische scene de laatste kwarteeuw al heeft voortgebracht, klinkt dikwijls barbaarser, bruter en beestachtiger dan elders op deze aardkloot. Denk daarbij maar aan bands als Bestial Warlust, Vassafor, Grave Upheaval en Portal. Ook Temple Nightside is een doodsmetalen eskadron dat vrij heftig in de omgang klinkt. Bezieler IV richtte de band een decennium geleden op en is met “Pillars of damnation” aan zijn vierde langspeler toe, hoewel ‘derde’ eigenlijk correcter is aangezien het twee jaar geleden verschenen “Recondemnation” eigenlijk een herwerking was van het debuut “Condemnation” uit 2013 dat in een zwaarder jasje gestoken werd sinds Temple Nightside vanaf “Hecatomb” uit 2016 besloot haar ‘ritualistic death metal necromancy‘ wat primitiever aan te pakken. Op dat vlak laat “Pillars of damnation” geen verrassingen horen. Of er nu aan een tergend traag en slepend tempo (het sacraal aanvoelende middenstuk in “Death eucharist“, het doomy Wreathed in agony” of de lange afsluiter) of aan een rotvaart (het gros van de andere nummers) gemusiceerd wordt, speelt geen rol want ongeacht de snelheid klinkt Temple Nighside’s caveman death metal alsof die uit de diepste, meest humide en wazige spelonken van het eiland naar boven komt geborreld. Het sepulchrale en bestiale schrikbewind is aanwezig, maar ook de riffs eisen een belangrijke rol op en worden niet door de dichte atmosfeer en echoënde doodsrochels weggemoffeld. Chaotische solo’s geven een onderscheidende toets aan de songs en rijgen meer dan eens op Obituary-wijze de openingsriffs reeds aan flarden. Het zwartgeblakerde achtergrondkader waarin Temple Nighside opereert, refereert aan bands als Grave Miasma en Cruciamentum en maakt dat ik deze wel kan smaken. De muzikanten musiceren iets technischer en strakker dan in het verleden, maar verwacht nu ook geen popcorn-getriggerde death metal alstublieft. “Pillars of damnation” bevat acht reuzentreden die we moeten nemen om uit een van het zonlicht afgesloten ondergrondse crypte omhoog te clauteren. De humiditeit en het zuurstofgebrek doen een aanval op onze longcapaciteit tijdens deze driekwartier durende tocht. Het afsluitende bijna tien minuten durende “Damnation” is daarbij de moeilijkste horde om te nemen want hoewel het tempo hier loodzwaar en traag beukt, is het moeilijk om de aandacht niet te verliezen. Het is een kwestie van nog even op de tanden te bijten en door te zetten totdat we eindelijk wat zuurstof en daglicht te zien krijgen. Ondanks enkele monotone mindere momenten is “Pillars of damnation” een aanrader voor wie zijn doodsmetaal graag primitief, sepulchraal en in holbewonerstijl heeft.

JOKKE: 80/100

Temple Nightside – Pillars of damnation (Iron Bonehead Productions 2020)
1. Contagion of heresy
2. Death eucharist
3. Morose triumphalis
4. The carrion veil
5. Wreathed in agony
6. Blood cathedral
7. In absentia
8. Damnation

Gaerea – Limbo

Misantropen aller landen, verenigt u! De poorten naar de hel staan wagenwijd open, maar als het van Gaerea afhangt kom je er niet in. Voor de ietwat achteloze lezers, een korte uiteenzetting: “limbo o / m (religie) (rooms-katholiek) plaats voor de zielen van mensen die niet als zondaars kunnen worden beschouwd en dus niet naar de hel gaan, maar die niet gedoopt zijn en dus ook niet tot de hemel worden toegelaten.” Wie wil er nu niet een eeuwigheid in de wachtkamer blijven zitten? Zeker als die wachtkamer tot de nok gevuld is met getormenteerde zielen die na een elusief aantal dagen wegrotten tussen hemel en hel van hun eigen geest een Abu Ghraib voor gevorderden hebben gemaakt. Het is op dit soort mentale constructie dat de nieuwe langspeler van het Portugese vijftal werd gebouwd. Auto-destructieve verlangens, perpetuele eenzaamheid en een allesomvattend nihilisme staan op thematisch vlak centraal, en passen als geen ander bij de desolate edoch meeslepende riffs die de heren voortbrengen op Limbo. De auditieve golven op deze plaat durven uit onverwachte hoek komen. Naast onweerlegbaar strakke blastbeats en hypnotiserende black metal tremolo, is er ook ruimte voor post-invloeden en doomriffs. Daar giet Gaerea echter met momenten nog een laagje hard- of metalcore over. Of dit onder stimulans van de nieuwe schoonfamilie is laat ik in het midden, maar Season of Mist heeft alleszins weten helpen met een ontiegelijk propere productie en mastering. De hardcore riffs waren ook op debuutplaat “Unsettling whispers” hoorbaar, maar het geheel klonk op deze voorganger rauwer en daardoor eerlijker. Er lijkt de laatste jaren een subtiele trend te zijn ontstaan waarbij traditionele black- en death metal bands opteren om elementen uit hardcore in hun muziek te weven – wat zeker bonuspunten qua agressiviteit en intensiteit kan opleveren. Op “Limbo” gaat de band wat mij betreft soms iets te ver in die richting, wat gek genoeg net het omgekeerde effect kan opleveren. De riffs klinken catchy op momenten dat ze net ijskoud en genadeloos zouden mogen zijn (“Urge“), en het geheel komt zo soms te braaf of gepolijst over (“To Ain“). “Limbo” dreigt daardoor met momenten zijn net veelbesproken ziel te verliezen en de nummers weten me daarom minder bij te houden dan ik zou willen. Ben je echter opgezet met heel deftige songwriting, een dijk van een sound en een imposante beheersing van de bespeelde instrumenten, dan gaat deze kritiek mogelijks niet aarden. De in totaal net onder de 52 minuten afklokkende LP is nu eenmaal met momenten écht meeslepend en hondsbrutaal. Gaerea gaat in januari 2021 op hun tour doorheen Europa met Harakiri For The Sky, en dat ze naast een epische post-band gaan schijnen lijkt me vanzelfsprekend.

JULES: 81/100

Gaerea – Limbo (Season of Mist 2020)
1. To Ain
2. Null
3. Glare
4. Conspiranoia
5. Urge
6. Mare

Moldé Volhal – Into the cave of ordeals…

Lukrake aanbevelingen door vreemden op het internet checken is ook een manier om bands te ontdekken die ik anders mogelijks of zelfs waarschijnlijk zou hebben gemist. In het geval van Moldé Volhal kwam de tip vanuit het verre Chicago, en zelden is een openingsriff zo hard aangekomen. Geen gezever met intro’s, meteen erin vliegen is het motto van de band die net ten tonele is gekomen. Naast het feit dat ze Noors zijn en dat de “Into the cave of ordeals…” EP hun spiksplinternieuwe eerste wapenfeit is weten we helemaal niets over de band. Wanneer ik hun naam ingeef in Google krijg ik prompt recepten voor pasta op Italiaanse wijze voorgeschoteld, maar van black metal geen spoor. In elk geval is de speelknop amper goed en wel ingedrukt of Moldé Volhal trekt meteen alle registers open met een verschroeiend tempo en gitaarwerk dat wel wat doet denken aan, en even triomfantelijk klinkt als Forteresse. Enkel de rochelende vocalen geven een Noors tintje mee aan de sound die wel heel Québecois aandoet met een gestage stroom aan blast beats en repetitieve tremolo picked riffs die best warm klinken. “Beyond the red horizons of a thousand battles” komt opnieuw uit dezelfde hoek aanwaaien en komt galopperend op gang, maar bouwt al meer variatie in op vlak van tempo’s en heeft bijwijlen zelfs een punky kantje meegekregen. Het is pas het daaropvolgende “Through everlasting halls (thriumphant return to the keep of Moldé Volhal)” we get it, ‘t is geïnspireerd op een zelfgemaakte fantasywereld – dat door middel van plots heel aanwezige synths en het lagere tempo meer een eigen gezicht meekrijgt en de gitaarsolo halfweg klinkt even episch als de titel doet vermoeden. Na een intermezzootje komt het afsluitende “Moldé Volhal” dat voor het eerst scherpe Noorse randjes laat horen. Nog steeds krijgen we sterk rollende riffs zoals we dat uit Canadese hoek gewend zijn, maar de Noren klinken hier ruwer, kwader, minder warm en wel, meer Noors. In ’t begin dan toch, want halfweg horen we een passage met blazers die onverwachts doet denken aan Summoning, om er meteen daarna de meest kille riff van het album tegenaan te gooien waar uiteindelijk dan weer een melodieuze solo uit voortvloeit. De overgangen zijn niet steeds even conventioneel maar meestal vrij vloeiend, dus dat dit nummer met zijn zesenhalve minuut net iets teveel ideeën bevat kan ik nog ietwat door de vingers zien. Of het album al of niet een fysieke release zal krijgen en bij welk label dat dan zou zijn is ongeweten, maar dat “Into the cave of ordeals…” er als zoete koek in zal gaan bij liefhebbers van de Frans-Canadese scene mag duidelijk zijn.

CAS: 79/100

Moldé Volhal – Into the cave of ordeals… (Eigen beheer 2020)
1. Into the cave of ordeals…
2. Beyond the red horizons of a thousand battles
3. Through the everlasting halls (triumphant return to the keep of Moldé Volhal)
4. In the land where frozen rivers meet…
5. Moldé Volhal

Heresiarch /Antediluvian – Defleshing the serpent infinity

Liefhebbers van zompige death metal in combinatie met chaotische woeste en bestiale black zullen ongetwijfeld wel al van Heresiarch en Antediluvian gehoord hebben. Deze respectievelijk Nieuw-Zeelandse en Canadese bands slaan de handen in mekaar voor een split waarvan het nut me enigszins ontgaat. De helft van de geboden 21 minuten speeltijd wordt immers ingenomen door nietszeggende ambient. Dat zulke intermezzi op een langspeler vol teringherrie als rustpunt ingebouwd worden, begrijp ik, maar moet dat nu echt ook op een korte EP? In plaats van aan de dynamiek bij te dragen, maakt dit het geheel enkel maar meer verknipt. De twee échte composities die Heresiarch aanlevert, klinken zoals deze extreme niche het betaamt: woest en overdonderend en met een schedelsplijtende solo maar er zijn betere bands in het genre zoals Adversarial of Abyssal die je echt mee in een abyssale vortex weten sleuren. Bij Heresiarch blijf ik wat twijfelend over de rand van de dieperik staren. Antediluvian klinkt zowaar nog heftiger en gedesoriënteerder met een drummer die lukraak op al zijn schelen en trommels lijkt te kloppen. Ook hier klieft een gierende solo doorheen de dichtgepakte extreme geluidsbrij en maalstroom aan maniakale vocalen. Extreem is het in elk geval, maar ik krijg het warm nog koud. Beetje magere output ook na vijf jaar wat betreft Antedelivian. Deze gasten kunnen beter, dat bewezen ze in het verleden al op hun twee langspelers en kleinere releases.”Defleshing the serpent infinity” is een totaal overbodige split als je het mij vraagt.

JOKKE: 63/100 (Heresiarch: 66/100: Antediluvian: 60/100)

Heresiarch/Antediluvian – Defleshing the serpent infinity (Iron Bonehead 2020)
1. Heresiarch – Lupine epoch
2. Heresiarch – Excarnation
3. Heresiarch – No sanctuary
4. Antediluvian – Slipstream of Levi
5. Antediluvian – Prelude

Ande – Vossenkuil

Ook al schrijf je reeds enkele jaren voor een underground metalblog die heel wat aandacht aan de scene van eigen bodem schenkt, toch kan je plots nog op een onontgonnen band stoten. Ande is er zo één. Het is het geesteskind van Jimmy Christiaens en met “Vossenkuil” is de Limburger al aan zijn derde langspeler toe. Hoe kan het in godsnaam dat we dan nu pas kennismaken met dit éénmansproject? Ook de platenmaatschappijen zijn zich blijkbaar nog niet bewust van dit Ande want vooralsnog wordt zijn muzikale output in eigen beheer uitgebracht. Nadat de ambient aanvangsklanken de toon gezet hebben, volgt met “Nachtwandeling” het eerste échte nummer en met een speeltijd van meer dan acht minuten ook meteen de langste compositie en een knappe binnenkomer. Op deze nocturnale tocht worden we vergezeld van atmosferische black met post-inslag en enkele melodieuze leadpartijen en subtiele glimmende toetsen die ons bij de hand nemen en doorheen de duisternis leiden. Het daaropvolgende “Beverdansen” laat meteen al een ietwat ander geluid horen. Het tempo ligt lager, er passeren verhalende heldere vocalen en de riffs zijn minimalistischer van opzet. Het melancholische nummer is tevens opener van geest en gevoel en er waart een vleugje second wave black metal door. Met “Eeuwig vuur” had ik opnieuw een opflakkering qua intensiteit verwacht, maar het tegendeel is waar. Jimmy gaat hier volop voor ingetogen atmosfeer met cleane gitaren, subtiele percussie, heldere zang (hoewel hij ook zijn raspende stem bovenhaalt) en meewoedige gitaren die een heuse shoegaze/post-rock sfeer neerzetten. Met “De hutten” en diens meerdere blastbeatpartijen neemt de muzikant een U-turn qua venijnigheid en hoewel de drums regelmatig ook voor een meer swingende beat zorgen, vind ik dit nummer maar doorsnee klinken. De monotone en clichématige gitaarlead die we op het einde nog voorgeschoteld krijgen, kan daar spijtig genoeg niet veel meer aan veranderen. Hierna is het tijd voor een cover van ons eigenste Lugubrum. Ande koos voor “Mijn koninkrijk van groen” dat op “Gedachte & geheugen” uit 1997 prijkt. Aan dit oorspronklijk slepende repetitieve nummer dat heel wat keyboards bevat, voegde Jimmy een mooie opbouw toe die gaandeweg tot een melodieuze finale openbloeit. Hierdoor past het nummer wonderwel tussen het eigen materiaal. In “Sneeuw op het meer” wordt opnieuw een brug gelegd tussen traditionele black metal en een meer atmosferische, natuurgedreven aanpak zoals we die ook bij een band als Fen horen. “Vossenkuil” kreeg door Jimmy een einde aangemeten dat is opgetrokken uit minimale dromerige ambient die overgaat tot dreunende akoorden en dit enkel ondersteund door een minimalistische beat. Wanneer de drums eerder op het album volle gas gaan, hebben ze een punchy sound meegekregen ook al zijn ze geprogrammeerd. Ondanks de soms clichématige basisriffs, heeft Jimmy wel een goed oor voor melodieën die gevoelens gaande van neerslachtigheid en melancholie tot een voorzichtig sprankeltje hoop uitdragen. Hoewel het volop zomert, wist Ande me toch een kleine driekwartier lang een herfstgevoel aan te meten. “Vossenkuil” laat heel wat progressie horen vergeleken met diens meer depressieve voorganger “Het gebeente” uit 2017 en is een mooi visitekaartje geworden dat een label als Immortal Frost Productions toch overstag zou moeten krijgen.

JOKKE: 78/100

Ande – Vossenkuil (Eigen beheer 2020)
1. Aanvang
2. Nachtwandeling
3. Beverdansen
4. Eeuwig vuur
5. De hutten
6. Mijn koninkrijk van groen (Lugubrum cover)
7. Sneeuw op het meer
8. Afsluiting