blut aus nord

Nubivagant – Roaring eye

Dat we hier fan zijn van Gionata Potenti aka Omega is al lang geen geheim meer. De laatste jaren waren we dan ook zeer te spreken over zijn werk bij onder andere Chaos Invocation, het geniale Hallucinogen van Blut Aus Nord en zijn eigen materiaal met Darvaza en Fides Inversa, en dit zijn dan maar enkele (grote) namen binnen het wereldje waaraan de Italiaan heeft bijgedragen, voornamelijk van achter de drumkit. Potenti’s dag duurt precies achtenveertig in plaats van vierentwintig uur, want tussenin heeft hij ook nog de tijd gevonden om zijn eerste solo-album in elkaar te timmeren, dat nu via Amor Fati het levenslicht ziet. Interessant natuurlijk, want werk van zijn hand is zo goed als altijd synoniem voor oerdegelijke blackmetal. Met Nubivagant, want zo heet het project, slaat hij echter een iets andere weg in. Nog steeds krijgen we naar goede gewoonte retestrak drumwerk, en ook de repetitieve, meeslepende riffs rollen vlotjes uit zijn pols en bevatten zoals gewoonlijk ook een orthodoxe inslag, hoewel die minder uitgesproken is dan bij pakweg een Fides Inversa. “Roaring eye” beslaat een goeie veertig minuten, opgebouwd uit 5 middellange nummers en een intermezzo in de vorm van “Solemn peals”. In tegenstelling tot Potenti’s andere bands wordt het tempo relatief laag en slepend gehouden (behalve op “Crawling the earth” waar we dan toch een hoop blastbeats te horen krijgen), wat de repetitiviteit ten goede komt. De man weet op instrumentaal vlak wel degelijk een meeslepend album neer te poten. Op instrumentaal vlak, that is, want op vocaal gebied gaat het er radicaal anders aan toe dan we van hem gewend zijn. Het ganse werk lang horen we geen enkele scream terug, integendeel: enkel cleane, melodieuze zang bereikt onze trommelvliezen, iets wat hier op Addergebroed zelden het geval is. Dit soort cleane vocalen die meer richting deathrock dan blackmetal neigen zijn naar mijn smaak vaker wel dan niet hit or miss, en in dit geval komt het helaas op dat laatste neer. Potenti’s zang klinkt ondanks een vrij vol geluid redelijk eendimensionaal en weinig gevarieerd, maar is wel ‘verdraagbaar’ (bij gebrek aan een beter woord). Wat echter compleet tenenkrullend is, is het feit dat in opener “Wonders of the invisible earth” zelfs gebruik wordt gemaakt van poppy meezingrefreintjes. Een greep uit het lyrisch aanbod op deze track: “Nananaaana // Nananaananaaa”, en dat terwijl teksten bij zijn andere projecten meestal wel degelijk in elkaar zitten. Heldere zang in blackmetal is sowieso al gewaagd, maar als die dan nog eens worden ingezet om meezingrefreintjes in de nummers te steken haak ik af. Het is pas tijdens het hierboven genoemde “Crawling the earth” dat er wat meer variatie en vooral kracht in de zanglijnen kruipt, wat ervoor zorgt dat dit (in combinatie met meer variatie in tempo) het meest interessante nummer van de plaat is geworden. Ook in afsluiter “The plague of flesh” gaat het tempo weer even de hoogte in en slaat de zangstem om in iets dat het midden houdt tussen cleane zang en geroep en waar eindelijk eens wat oprechte passie vanaf spat. Al bij al klinkt Nubivagant verre van slecht en de productie is naar aloude gewoonte ook weer dik in orde (wat komen die cymbaaltikjes heerlijk door in de mix) maar de ondermaatse en eentonige zang doet voor mij ferme afbreuk aan wat het album had kunnen worden. Meer variatie alstublieft! Onze Jokke lijkt deze aanpak dan wel weer te kunnen smaken en vindt het net verfrissend, dus het zal vooral van persoonlijke smaak afhangen. Mij doet het weinig, maar geef het vooral een kans gezien het album op elk ander vlak wél een zeer degelijk niveau haalt en aanhoudt!

CAS: 77/100

Nubivagant – Roaring eye (Amor Fati Productions 2020)
1. Wonders of the invisible world
2. The furnace of Apollyon
3. One eye upon the grave
4. Crawling the earth
5. Solemn peals
6. The plague of flesh

Fides Inversa – Historia nocturna

Dat Gionata Potenti een wünderkind is hoef ik niet meer te vertellen. Met verdiensten bij onder andere Blut Aus Nord, Chaos Invocation, Darvaza, Enepsigos, Martröð en een verleden bij Acherontas heeft de Italiaan een bijzonder indrukwekkend palmares opgebouwd. In 2006 richtte hij onder het pseudoniem Omega A.D. samen met Void A.D. de entiteit Fides Inversa op, en drie jaar later werd het geniale “Hanc aciem sola retundit virtus (the algolagnia divine)” op de mensheid losgelaten, een album dat hier nog steeds heel regelmatig eens de revue passeert. Ook het prima “Mysterium tremendum et fascinans” (van een originele titel gesproken zeg) en de daaropvolgende “Rites of inverse incarnation” EP wisten onze honger voor orthodoxe black metal (hoe kan het ook anders bij een label als World Terror Committee?) te stillen. Anno 2020 komen de heren terug ten tonele, maar hebben een zeer interessante beslissing genomen: blijkbaar hadden de Italianen nood aan een zuchtje noorderwind dat eerder een wervelstorm is geworden, want niemand minder dan Wraath werd ingelijfd. Dezelfde Wraath die we kennen van ondermeer Darvaza, Behexen, Mare, Ritual Death en One Tail, One Head en die zonder enige twijfel één van de beste frontmannen binnen hedendaagse black metal is en zodus een aanwinst is voor zo goed als elk project waarmee hij in aanraking komt. Ook labeleigenaar Unhold is op de plaat te horen. De niet onbesproken Absurd-zanger speelde de baspartijen in maar zal live niet van de partij zijn. Zoals vanouds speelt Fides Inversa orthodoxe black metal volgens de regels van de kunst, maar het gitaarwerk klinkt gejaagder, opgefokter (“A wanderer’s call and orison”) en triomfantelijker (“I glance you with a touch…”) dan ooit, waarbij op dat laatste nummer de gecombineerde stemmen van Potenti en Wraath het nummer nog eens extra epiek meegeven. Op een nummer als “The Visit” blijkt dat de heren nog steeds goed geluisterd hebben naar “Si monvmentvm reqvires, circvmspice” en “Paracletus”, maar Fides Inversa heeft gelukkig nog steeds een eigen smoelwerk. Geen klassieke intermezzo’s deze keer, al wordt er wel wat geëxperimenteerd met repetitieve gitaarloopjes en vooral helder ‘roepende’ zang, in “Syzygy” zelfs bijgestaan door hoge vrouwelijke vocalen, en in tegenstelling tot op “Rites of inverse incantation” is dit experiment hier meer dan geslaagd en creëert dit veel variatie op een album dat het voor de rest vooral van hoge tempo’s moet hebben en waar de retestrakke blast beats van Potenti de plek in de schijnwerpers opeisen. Na deze epiek grijpt het energieke “I am the iconoclasm” echter nog eens duidelijk terug naar de begindagen van de band, en komen ook wat thrash-invloeden van om de hoek piepen, wat ik enkel kan toejuichen! Fides Inversa heeft met de huidige line-up enkele knallers van muzikanten in de gelederen, en “Historia nocturna” is zodus opnieuw een zeer degelijk werk geworden dat in tegenstelling tot vorig werk een zeer volle sound heeft meegekregen, nog steeds nét wordt overschaduwd door het monumentale debuut maar voor de rest met kop en schouders boven de twee voorgaande releases uitsteekt.

CAS: 85/100

Fides Inversa – Historia nocturna (World Terror Committee Productions 2020)
1. Intro
2. A wanderer’s call and orison
3. Transcendental lawlessness
4. The visit
5. I glance at you with a touch…
6. Syzygy
7. I am the iconoclasm

Prison Of Mirrors – De ritualibus et sacrificiis ad serviendum abysso

Dat deze Italianen hun bandnaam ontleend hebben aan het gelijknamige Xasthur-nummer lijkt me vrij ondenkbaar, want met lo-fi depressieve éénmans black metal heeft dit niets van doen. Integendeel, “De ritualibus et sacrificiis ad serviendum abysso“, het debuut (er verschenen eerder al twee EP’s) van Prison Of Mirrors, staat bol van de avontuurlijke black en death metal waarin met de nodige dissonanten in het rond gestrooid wordt. Een geluid dat oorspronkelijk door Franse pioniers als Deathspell Omega en Blut Aus Nord verkend werd en nadien gretig gekopieerd werd door tal van IJslandse bands. Het moge met andere woorden geen verrassing wezen dat Prison Of Mirrors onderdak heeft gevonden bij Oration, het label van Studio Emissary producer Stephen Lockhart en meesterbrein achter Rebirth Of Nefast. Stephen heeft immers een groot aandeel in de sound van het gros van de IJslandse black metal bands en nam ook de mix en mastering van deze plaat voor zijn rekening. De vier composities die op deze eerste langspeler prijken, vormen dan ook geen easy listening-materiaal. Opener “The unquenchable visions from the abyss” klokt meteen op negen minuten af. De twee volgende nummers doen daar telkens nog een minuutje bij en het afsluitende “Ascending through the majesty of the dark towers” verdubbelt de speeltijd van “Sigils for the ritual exhumation” en neemt een dikke 22 minuten voor zijn rekening. U weze gewaarschuwd! De duistere, occulte en rituele sfeerschepping die van de knappe albumhoes van Khaos Diktator Design (ofte Atterigner, die de Gorgoroth-plaat “Instinctus bestialis” inzong) afdruipt, vindt zijn weerga ook in het muzikale gebeuren. Met zo’n lange composities kan het ook niet anders dat Prison Of Mirrors de instrumenten ook geregeld lange tijd voor zich laat spreken. Hierbij creëren de riffs van Anubis en Lord Swart mystieke spanningsvelden waarin heel wat atonale riffs een akelig sfeer scheppen. Om de albumtitel geen onrecht aan te doen, mogen ook ritualistische elementen zoals sacrale Russische gezangen en rituele percussie niet ontbreken, maar drummer Bestia (o.a. Earth And Pillars) gooit ook tal van blastpartijen, tempowissels en minder gangbare ritmes in de strijd. Dikwijls vinden deze overgangen abrupt plaats in plaats van gelijdelijk aan aangekondigd en opgebouwd te worden. En wanneer Lord Swart zijn strot dan toch open trekt, ontsnappen er gortdroge screams die de satanische en orthodoxe boodschap verkondigen. Wel moeten de Italianen erover waken dat ze zichzelf niet te veel verliezen in hun ellenlange composities. Ik mis immers soms een kapstok, leidraad of écht memorabele riff die het ene nummer van het andere onderscheidt. Natuurlijk draait het bij een plaat als dit om de totaalbeleving en niet zo zeer om de indivuele songs, maar soms is minder ook meer weet je wel.

JOKKE: 79/100

Prison Of Mirrors – De ritualibus et sacrificiis ad serviendum abysso (Oration 2020)
1. The unquenchable visions from the abyss
2. Blaze of the ecstatic liturgy
3. Sigils for the ritual exhumation
4. Ascending through the majesty of the dark towers

Esoctrilihum – Eternity of Shaog

Weinig mensen brengen 5 full length albums uit op 4 jaar tijd en zij die het doen, boeten vaker wel dan niet in aan kwaliteit. De anonieme Fransman Astâghul probeert het tegendeel te bewijzen én pakt die opdracht op zijn eentje aan middels het vehikel Esoctrilihum. In zijn eentje wat menselijke inbreng betreft dan toch, want de heremiet haalt inspiratie uit een uitgebreide fantasywereld die hij van de protagonist van dit album, Shaog Og Mogtoth, krijgt doorgespeeld. Shaog is een godheid die buiten tijd en ruimte verblijft en knarsetandend wacht tot hij binnen kan breken in dit universum. Deze Sovereign Of Nothingness is één van de Immemorial Gods waarvan op album nummer vier, “The Telluric Ashes of the Ö Vrth Immemorial Gods” sprake was en hanteert dezelfde werkwijze als Markov Soroka’s Tchornobog, met dat verschil dat Shaog eerder lijkt op H.P. Lovecrafts Azatoth. Niet in staat het universum binnen te breken en het met een vingerknip weg te vagen, dus beïnvloedt hij het maar middels het uitzenden van dromen die wij nu in auditieve vorm te horen krijgen. I, Voidhanger Records heeft altijd al een voorliefde gehad voor acts die buiten de lijntjes kleuren en wijkt met Esoctrilihum niet van dit stramien af. Voor het immer kleurrijke love-it-or-hate-it artwork werd het schilderij The Dracula Of Mars van Alan E. Brown gebruikt, die sinds de vorige plaat deze taak van Jeff Whitehead overnam. Alles is bevreemdend aan Esoctrilihum en zo ook de muziek: een mix van blackened death metal met ingetogen passages en een enorm experimenteel gehalte – zonder het overgewaardeerde label progressive te willen gebruiken. Esoctrilihum klinkt met momenten verstikkend, zoals in het met dissonante viool doorspekte “Thritônh (2nd passage: the colour of death)” waarin de blastbeats met machinale precisie op ons af worden gevuurd, wat best impressionant is gezien Astâghul ook deze zelf heeft ingespeeld. Op andere momenten is er dan weer tijd voor wat ingetogen contemplatie zoals op het melodisch beginnende “Amenthlys (5th passage: through the Yth-Whtu seal)” waarin melodische riffs en ondersteunende synths het geweld wat doorbreken. Maak u echter geen illusies, echt kalm wordt het nergens en het met momenten zwaar verwrongen gekrijs blijft de geschifte sfeer verder in de verf zetten en wisselt af tussen hoge stembandscheurende uithalen en agressieve grunts. Her en der worden chaotische solo’s ingezet en ook een traditioneel Fins instrument als de kantele wordt niet geschuwd om de boel nog wat buitenaardser te doen klinken. Zij die houden van voorspelbare, rechtdoorzee songstructuren zijn er ook meteen aan voor de moeite, want de muziek van Esoctrilihum blijft constant onverwachte kanten opgaan. Één van de weinige constanten zijn een vaak doorratelende basdrum en rollende riffs die hier meer een black randje, dan weer een vunzige death metal kant meekrijgen en de volle, bombastische productie. Opnieuw klokt de speelduur op ongeveer een uur af, en opnieuw spuwt Esoctrilihum van aan de randen van het universum een brok excentrieke vuiligheid in onze oren. Astâghul schrijft verre van toegankelijke muziek, maar liefhebbers van acts als Blut Aus Nord, Tchornobog, Ævangelist en The Ruins Of Beverast kunnen deze plaat blindelings aanschaffen.

CAS: 85/100

Esoctrilihum – Eternity of Shaog (I, Voidhanger Records 2020)
1. Orthal
2. Exh-Enî Söph (1st passage: Exiled from sanity)
3. Thritônh (2nd passage: The colour of death)
4. Aylowenn Aela (3rd passage: The undying citadel)
5. Shtg (4th passage: Frozen soul)
6. Amenthlys (5th passage: Through the Yth-Whtu seal)
7. Shayr-Thàs (6th passage: Walk the oracular way)
8. Namhera (7th passage: Blasphemy of Ephereàs)
9. Eternity of Shaog (∞th passage: Grave of agony)
10. Monotony of a putrid life in the eternal nothingness

Almyrkvi/The Ruins Of Beverast

Met de regelmaat van de klok blijven er split releases op onze deurmat vallen en het Duitse Ván Records heeft daar een groot aandeel in getuige interessante splits van Akatechism/Slidhr, Carpe Noctem/Arstidir Lifsins en Kosmokrator/Hadopelagyal. Deze keer is het de beurt aan een alliantie tussen het IJslandse Almyrkvi en het Duitse The Ruins Of Beverast. Beide bands leveren twee nummers af die allen tesamen netjes op meer dan veertig minuten speeltijd afklokken. Je krijgt met andere woorden waar voor je geld, tenminste als je fan bent van atmosferische black/doom die in het geval van Almyrkvi een heuse industriële inslag met tal van Blut Aus Nord-vibes kent. Zoals we van het duo Garðar S. Jónsson en Bjarni Einarsson gewend zijn, klinken hun muzikale hersenspinsels heel cinematografisch en zouden die de perfecte soundtrack kunnen vormen voor een donkere sci-fi prent. Bjarni laat opnieuw horen een gedegen vellenmepper te zijn en stuwt de melodieuze riffgalaxies met inventieve drumroffels verder. Garðar’s meest ingezette vocalen klinken vrij diep en neigen hierdoor wat naar de death metal hoek, maar hij gooit in het dynamische “Asomatous grove” eveneens heldere zangpartijen, ijl gekrijs en mysterieus gefluister in de strijd. Mechanisch klinkende heelalgeluiden zorgen voor een naadloze overgang naar het über-melodieuze “Managarmr“, vernoemd naar een wolf uit de Edda van Snorri Sturluson die de maan verzwelgt. Deze twee space trips smaken naar meer! Alexander von Meilenwald en zijn The Ruins Of Beverast is een band die we nog steeds niet voor de volle 100% doorgronden. Op plaat kunnen de Duitsers me doorgaans wel bekoren, maar live vond ik het al meermaals moeilijk een geeuw te onderdrukken. Tijdens hun laatste passage in de Brusselse AB was dat opnieuw het geval hoewel na een nummer of drie het kwartje plots wel viel. In het dertien minuten durende “The grand nebula pulse” valt alvast geen spoor van hun signature pompeuze black/doom te bespeuren. Dit nummer is grotendeels opgebouwd uit bezwerende ambient en ritualistische vocalen en koorgezangen met enkel een basgitaar en percussie als leidraaid waarover wat trippy gitaarlijntjes gedrapeerd zijn. De experimentele psychedelica staat in schril contrast met de kosmische aanpak van de IJslanders, en toch voelt het niet vreemd aan dat beide bands op een split terecht gekomen zijn. Dit nummer moet je smaak zijn. Aanvankelijk wist het me te beklijven, maar dertien minuten is wel wat te veel van het goede. Het daaropvolgende “Hunters“, daarentegen, geeft ons de pandoering waar we op zaten te wachten. Venijnige black inclusief dito vocalen zetten de boel in lichterlaaie maar het vocaal departement zorgt middels sacrale heldere gezangen ook voor de nodige variatie. Melodieuze leads penetreren doorheen de onderstroom aan repetitieve riffs, maar ook gothrock-achtige gitaarakkoorden worden ingezet waarover Alexander verhalende zang hanteert. Een melodieuze solo neemt terug over en luidt de emotionele Interessante split van twee bands die eigenlijk beter bij mekaar passen dan initieel gedacht. De twee kosmonauten van Almyrkvi bevestigen hun kunnen. Het eerste nummer van The Ruins Of Beverast staat of valt met je smaak, maar het tweede is er boenk op.

JOKKE: 81/100 (Almyrkvi: 83/100; The Ruins Of Beverast: 79/100)

Almyrkvi/The Ruins Of Beverast – Split (Ván Recor ds 2020)
1. Almyrkvi – Asomatous grove
2. Almyrkvi – Managarmr
3. The Ruins Of Beverast – The grand nebula pulse
4. The Ruins Of Beverast – Hunters

Aara – En ergô einai

De Verlichting was een intellectuele beweging uit de achttiende eeuw waarbij wetenschappelijk denken vanuit rationalisme en empirisme centraal stond. Het is de voedingsbodem voor Aara’s tweede langspeler “En ergô einai” (geen idee wat die titel betekent – iemand?) die via Debemur Morti Productions wordt uitgebracht. De kern van deze Zwitserse band bestaat uit Berg (gitaar, bas en keyboards) en Fluss (zang) die voor de opnames bijgestaan werden door drummer J. In de negen minuten durende opener “Arkanum” horen we echter nog een veel bekendere gastmuzikant aan het werk. De spookachtige atmosferische, deels akoestische, intro is immers van de hand van Vindsval (Blut Aus Nord en Yerûšelem), niet de minste om op je plaat te laten meespelen. Deze inleidende klanken monden uit in het eerste hoofdstuk van de reis van de zoektocht van de mens naar kennis en betekenis in tijden van Verlichting. Muzikaal wordt dit vertaald naar een plotse storm van ratelende drums, scheurende gitaren en helse kreten. Door die orkaan van intensiteit stroomt echter een hartverscheurende melodie, gedragen door golvende en glimmende tonen die tegelijkertijd ook verlangende en opbeurende kwaliteiten vertoont. Voor het eerst wordt de mens geconfronteerd met de idee van het bestaan ​​van een individu, losgemaakt van religie en klassen – wat de ontwikkeling van wetenschap en cultuur vooruit hielp. De constante afwisseling van emoties en stemmingen in de songstructuur brengt de kloof tussen nieuw en oud in beeld en geeft uitdrukking aan de afstandelijkheid van de conventionele en euforische stemming. “Arkanum” beschrijft het begin van een ontwikkeling die de mens in diepe vragen en de zoektocht naar betekenis zal storten. Het verhaal eindigt bij “Telôs” dat handelt over de illusie en chaos in de door de mens gemaakte wereld en is gebaseerd op het besef dat het doel en de zin van het leven in de ervaring van het pure moment liggen. Het nummer begint met een koorstuk dat het heroïsche ideaal van het doel (‘Telôs’) weerspiegelt, dat de mens onvermoeibaar op jacht gaat naar de reis van zelfontdekking en wordt onderbroken door een rauwe maar hoopvolle passage die de realisatie van de werkelijkheid belichaamt. Steeds meer doorbreekt een melancholische en hymnische melodie het oppervlak, een moment tussen wanhoop en acceptatie. Een laatste rebelse uitspatting weerklinkt alvorens het koor uit het begin van het nummer terugkeert en “En ergô einai” beëindigt. Daartussen liggen nog drie andere composities waarin Aara haar kracht uitbundig kan etaleren, namelijk het vermogen om het hart van extravagante sonische black metal-omwentelingen te doorboren met prachtig vloeiende en van karakter veranderende melodieën die meermaals een etherische helderheid uitstralen. Het verraadt een klassiek geschoolde aanpak. Het enige minpuntje vind ik de vrij eentonige high-pitched krijsstem die wat weg heeft van oude Hecate Enthroned. Niet verwonderlijk aangezien Fluss een dame is – waarmee ik verder geen afbreuk wil doen aan de vele goede black metal zangeressen die er rondlopen – maar haar scream kon wel wat meer diepte verdragen. Gelukkig bevat de muziek ook vele instrumentale passages om je op te laten meevoeren en waarbij het wel duimen en vingers aflikken is.

JOKKE: 82/100

Aara – En ergô einai (Debemur Morti Productions 2020)
1. Arkanum
2. Stein auf Stein
3. Aargesang (Aare II)
4. Entelechie
5. Telôs

Esoteric – A pyrrhic existence

Esoteric is al een slordige kwart eeuw vaste Birminghamse waarde in de Britse doom metal-scene. Maar ondanks heel wat cluboptredens over de jaren, zijn ze nooit echt zo bekend geworden als bepaalde van hun ‘verdoomde’ landgenoten. Er zijn tegenwoordig nogal wat bands die hun beste plaat op de markt gooien en voor mij is dat bij Esoteric ook het geval.
Komen ze dus nu uit de schaduw met deze zevende full-length “A pyrrhic existence“? Helaas, denk ik het niet. Want hoewel dit een dijk van een plaat is, is het ook een erg grimmige muzikale mars met loden schoenen naar een gitzwart eind. Dit is zware kost, geweldig, maar niet licht verteerbaar. Brilliant, maar niet geschikt voor de toevallige luisteraar. Voor mij is dit intense metal van de bovenste plank. Barstensvol sfeer, afwisseling binnen éénzelfde concept, emotie en technisch kunnen. Deze release op twee schijven – bijna 98 minuten – is de culminatie van alles wat de band voordien heeft gedaan. De openingstrack “Descent” klokt af op net geen 28 minuten en zou een magistrale pre-release EP op zich zijn geweest met een langzame opbouw, pakkende melodie en slepende tempowissels kenmerkend voor Esoteric en dit album. Maar de band gaat verder en verkent met elke track een tikkeltje meer de intrigerende snijlijn van meeslepend en incongruent. De eerste disc eindigt met een ambient track die even pauze gunt vooraleer disc twee aanvangt met het scherpe “Consuming lies“. Zesde en laatste track “Sick and tired” slaat de nagels in de gevoelsdoodkist met een traditionelere funeral doom compositie. Het geluid is passend log en alles wordt duidelijk ingespeeld met ervaring en gedrevenheid. Wat het album echt over de top tilt voor mij is echter het feit dat het nooit stil is op de achtergrond. Er is altijd wel een goed geplaatste feedback sound, een ruis of een onderliggend gitaarlijntje om de boel te ondersteunen en te tillen naar een hoger, vreemder niveau. “A pyrrhic existence” is simpelweg de beste release in experimentele funeral doom sinds lange tijd. Trouwens, niet enkel liefhebbers van Evoken en consorten, maar ook fans van Lychgate, The Great Old Ones of Blut Aus Nord kunnen dit best eens checken.

Xavier: 95/100

Esoteric – A pyrrhic existence (Seasons Of Mist 2019)
1. Descent
2. Rotting in dereliction
3. Antim yatra
4. Consuming lies
5. Culmination
6. Sick and tired

Blut Aus Nord – Hallucinogen

Een grammatisch incorrecte Duitse bandnaam voor een Franse groep die steeds iets doet wat je niet verwacht… Blut Aus Nord is voor mij al meer dan vijfentwintig jaar één van de meest intrigerende black metal bands. Het debuut “Ultima thulée” en opvolger “Memoria vetusta I: Fathers of the icy age” brachten melodische black met bakken reverb en klonken bijna even sfeervol als een vroege Emperor. Albums drie tot en met zeven borduurden verder op die sfeer, maar dan met meer dissonantie en een progressieve aanpak. Vanaf “777 SECT(S)” ging het dan weer een modernere richting uit en kregen we veel meer kille “industriële” en “post” invloeden. Een trend die behouden bleef tot… wel… nu. Inmiddels zijn we bij full-album 13, “Hallucinogen“, welk ons op eigentijdse wijze terugvoert naar het begin van Blut Aus Nord. “Hallucinogen” is, met andere woorden, een erg sfeervolle plaat. De muziek houdt het evenwicht tussen melodische en post-black metal. Dit album is meer dan de vorige releases echt één geheel en mikt duidelijk op een complete luisterervaring. Dit hoor je meteen al bij opener “Nomos nebuleam“. Veel herhaling, achtergrond keys en koor, maar wel met dat typische gitaargeluid en die reverb heavy productie. Andere nummers zijn gelijkaardig, maar sommige kennen wat meer leads die flirten met dissonantie zoals “Sybelius” en andere kennen meer mid-tempo riffs zoals bijvoorbeeld afsluiter “Cosma procyiris“. Alles blijft echter wel heel erg mooi elkaar opvolgen, zodat je nooit uit de sfeer van het album raakt. In die zin is het dus inderdaad een geestverruimende ervaring, al vind ik het jammer dat het “trippy” aspect – zoals de album titel suggereert – uitblijft. Er zat op dat vlak gewoon meer in om “Hallucinogen” écht uniek te maken. Wat we nu hebben is namelijk een steengoede cd, maar desondanks eentje die nou niet boven, pakweg, een “Spectral voice from newborn star” van The Lost Sun uit kan torenen. De release werd vergezeld van promoteksten die dit alles als een nieuw begin aanduiden, maar ik hoor toch echt wel aansluiting met die eerste releases en daarom is dit voor mij een vrij logisch gevolg. Zeker als je bekijkt hoeveel oudere bands teruggrijpen naar een meer straightforward aanpak na jaren van experimenteren, is dit niet extreem verrassend. Toch moet je echt wel zeggen dat het indrukwekkend is hoe bandleider Vindsval er zo goed in slaagt om, ondanks de wisselende subgenres, Blut Aus Nord steevast te laten klinken als zichzelf. Fans van het eerste uur en fans van moderne, “posty” black kunnen dit echt blindelings aanschaffen. Anderen kunnen best eerst even luisteren.

Xavier: 90/100

Blut Aus Nord – Hallucinogen (Debemur Morti Productions 2019)
1. Nomos nebuleam
2. Nebeleste
3. Sybelius
4. Anthosmos
5. Mahagma
6. Haallucinählia
7. Cosma procyiris

Yellow Eyes – Rare field ceiling

Hoewel de bakermat van Yellow Eyes de miljoenenmetropool New York City is, klinkt de muziek van het kwartet verreweg van urbaan of industrieel. Integendeel, bij Yellow Eye’s black metal passen eerder de adjectieven ‘organisch’ en ‘natuurlijk’. Voor het schrijven van de plaat trok gitarist Sam Skarstad zich – zoals gewoonlijk – twee maanden terug in een cabin in the woods in Connecticut, ver weg van het hectische leven. In complete afzondering kregen de songs hier vorm waarbij talrijke veldopnames aan de composities toegevoegd werden. Op voorganger “Immersion trench reverie” uit 2017 werd deze werkwijze reeds gebruikt, maar op het nieuwe “Rare field ceiling” is er nog meer plaats voor allerlei in de natuur opgenomen geluiden. In de nasleep van het optreden tijdens Roadburn en Doom Over Leipzig, bezochten de vier muzikanten – naast de Skarstad broers is de line-up met drummer Michael Rekevics (Vanum, Vilkacis, Fell Voices) en bassist Alexander DeMaria (Anicon) identiek aan die van de vorige plaat – vorig jaar nog een zevental landen met het oog op het vastleggen van allerlei veldopnames. Zo bevat “No dust” geluiden die in Siberië vastgelegd werden en wordt er naar het einde toe ook gemusiceerd op een door de bassist zelfgemaakte zither, een snaarinstrument waarbij de klankbodem bespannen is met één of meerdere snaren. Het einde van de albumopener wordt dan weer ingekleurd door vrouwelijke Russische koorzang. De veldopnames vinden hun culminatie echter in de zes minuten durende afsluiter “Maritime flare” waarbij ze, in combinatie met dronende gitaargeluiden en een minimalistisch melodiemotief, een somber en desolaat gevoel uitdragen dat nog aangescherpt wordt door de getormenteerde screams van Will Skarstad. De sound van “Rare field ceiling” is scherp, wrang, schel, bijtend en iel waarbij de ijle krijszang in de muziek verweven zit en voortdurend lijkt te moeten opboksen tegen de muzikale storm die er rondom heen plaatsvind. “Warmth trance reversal” start met een knoert van een black metal-riff maar zoals we van Yellow Eyes gewend zijn, gaat hun black meermaals alle richtingen uit. In haar meest progressieve momenten duiken bands als Ved Buens Ende en Fleurety als referentie op maar er wordt ook met dissonanten gegoocheld. De zes lange songs zitten complex in mekaar maar weten te begeesteren. De triomfantelijk klinkende gitaarmelodieën in “Light delusion curtain” overmannen je met een gevoel van majestueusheid en een zekere romantiek. Haaks hierop staan de vervreemdende waanzin en ijskoude duisternis die o.a. in het chaotische en uit messcherpe riffs opgetrokken “Nutrient painting” geëtaleerd worden. Het titelnummer start met een simpele punky drumbeat, maar schakelt verderop naar galopperende ritmes over en ontpopt zich eveneens tot een complexe song. Yellow Eyes heeft zichzelf op “Rare field ceiling” weten te overtreffen en levert een avontuurlijke plaat af voor fans van allesbehalve rechtlijnige en gemakkelijk verteerbare black. Een plaat die de volle aandacht vraagt om geabsorbeerd te worden.

JOKKE: 85/100

Yellow Eyes – Rare field ceiling (Gilead media 2019)
1. Warmth trance reversal
2. No dust
3. Light delusion curtain
4. Nutrient painting
5. Rare field ceiling
6. Maritime flare