Debemur Morti Productions

Cultus Profano – Accursed possession

Het uit LA afkomstige Cultus Profano maakte hier twee jaar geleden een goede beurt met diens debuut “Sacramentum obscurus“. De dame en heer treden nu voor een tweede keer uit de schaduw met opvolger “Accursed possesion“, opnieuw verspreid via het Franse Debemur Morti. Aan de duistere, haatvolle en blasfemische insteek van het duo is weinig veranderd. Cultus Profano bereikt zijn kwaadaardige transcendentie zonder oppervlakkige versieringen, maar door middel van een uitgekleed pikzwart palet van tremelo gitaarriffs, hypnotiserende percussie en helse vocale aanroepingen. Strzyga bewijst dat haar salpeterstrot – wat vrouwen betreft – tot de betere in het genre behoort en verdient een plaats naast Olienar van Darkened Nocturn Slaughtercult en Asagraum’s Obscura. Het drumwerk van Advorsus klinkt dynamisch, herbergt nuance en staat steeds in dienst van het nummer. Vergeleken met het debuut is de gemiddelde speelduur van de nummers een dikke twee minuten langer uitgevallen. Dit vertaalt zich in het meer dan negen minuten durende “Devoted to the black horns, Op. 16” in een meer atmosferische en aanvankelijk ook slepende mid-tempo aanpak, maar al snel zegevieren de bijtende, heiligschennende tremolo’s en blastende drums alweer. Ook “Towards the temple of darkened fates, Op. 19” en “Within a coven of shadows, Op. 21” (hoor ik daar toch ergens subtiele keyboards?) bieden wat ademruimte tussen de overwegend snelle arrangementen en bevatten duivels lekkere gitaarleads. Met “Accursed possession” en diens fancy-averse second wave black metal bevestigt Cultus Profano zijn seculiere visie en verlangen naar perpetuële duisternis op een geslaagde manier. De meer dynamische aanpak van deze tweede worp doet de eindscore nog net boven die van het debuut uitvallen.

JOKKE: 82/100

Cultus Profano – Accursed possession (Debemur Morti Productions 2020)
1. Cursed in sin, Op. 25
2. Devoted to the black horns, Op. 16
3. Upon a tomb of sacrilege, Op. 24
4. Towards the temple of darkened fates, Op. 19
5. Within a coven of shadows, Op. 21
6. Tenebris venit, Op. 23
7. Crown of hellfire, Op. 11

Selbst – Relatos de angustia

Wat ons de laatste jaren vanuit de bergpassen van het wondermooie Chili bereikt valt voornamelijk uiteen in twee categorieën: snelle blackthrash en onwelriekend composterende blackdeath, zoals het geweldige Wrathprayer en krakers als Nihilifer en Dead Moon Temple. Nu komt N, bezieler van Selbst, oorspronkelijk wel uit Venezuela maar trok wegens de aanhoudende politieke malaise naar het zuiden. Tweede langspeler voor de man die er een andere stijl op nahoudt dan zijn landgenoten alweer, en de zelfgetitelde voorganger ging er bij mij al in als zoete koek. Op “Relatos de angustia” komt er opnieuw dissonantie vanuit IJsland en Frankrijk aangewaaid zoals de Svartidauði-tokkels op “The weight of breathing”. Ondanks het feit dat deze sound de fundering vormt van wat Selbst ten gehore brengt sluipt er op “The depths of selfishness” met de om elkaar heen dartelende gitaren ook wel wat van de huidige Poolse generatie binnen. Subtiel zitten ook wat meer post-black ideetjes verscholen zoals mijn persoonlijk hoogtepunt van de plaat: de leadgitaar op het eind van “Sculpting the dirtiness of its existence”. Maar naast vernuftig gitaarwerk dat soms iel en dan weer loodzwaar klinkt zijn het de vocalen die hun plek in de spotlight opeisen, want N gaat van ijzige uithalen tot diepere screams en in de sludgy afsluiter klinkt hij bijna als Kirk Windstein van Crowbar. Om dit al brede palet nog wat aan te vullen komt in die track ook nog de bevriende Rogger Canonico cleane zang aanleveren. De productie zit een pak beter dan op voorgaand materiaal en klinkt dieper en dynamischer. N tapt uit meerdere vaatjes en nam zoals een waar blackie betaamt alles op z’n eentje op in totale afzondering. Behalve de drums dan, die door Nebirus Sad (die ook deel uitmaakt van de livebezetting) vakkundig werden ingeblikt. Zoals de titels al doen vermoeden kijkt Selbst niet bepaald rooskleurig tegen de wereld aan en deze existential dread vertaalt zich in een complexe en vooral gevarieerde brok zwartgalligheid. Van slepende passages tot furieuze uitbarstingen, Selbst vliegt gedurende de veertigtal minten nergens uit de bocht en de wall of sound waarmee “Relatos de angustia” toeslaat komt gemeen hard aan. De vele invloeden vloeien vlot in elkaar over en het geheel klinkt gelukkig heel coherent. Geen wonder dat dit spek voor de bek van Debemur Morti is, dat het album naar goede gewoonte op alle formats ter wereld brengt. Of deze in de jaarlijst terechtkomt valt nog niet te zeggen, maar m’n kop eraf als Selbst niet op de shortlist terechtkomt!

CAS: 87/100

Selbst – Relatos de angustia (Debemur Morti Productions 2020)
1. Praeludium
2. Deafening wailing of the desperate ones
3. The depths of selfishness
4. Silent soul throes
5. The weight of breathing
6. Sculpting the dirtiness of its existence
7. Let the pain run through

Aversio Humanitatis – Behold the silent dwellers

Wat black metal uit het mediterrane gebied betreft, draait Griekenland al mee vanaf de oerkreten van het genre en kwam Portugal vooral de laatste jaren vanachter de rauwe hoek piepen. Italië en Spanje daarentegen zijn nog steeds ondervertegenwoordigd en moeten het met een handvol écht goede bands stellen. Zo komt het bijvoorbeeld dat Aversio Humanitatis, het onderwerp van deze review, mij onbekend was ondanks het feit dat deze Madrilenen al een decennium meedraaien. Nu het Franse Debemur Morti Productions het trio onder zijn vleugels neemt, zal deze naam zich wel verder verspreiden. En dat is een goede zaak want het zwartmetaal van deze muzikanten met een aversie van de mensheid mag absluut gehoord worden. De mix van moderne, brutale, dissonante en psychedelische klanken schildert dystopische stadsgezichten, betonnen skylines en het stresserend dagelijks leven in megapolitane steden op ons netvlies. Het is een geluid dat we eerder van Franse acts verwachten om eerlijk te zijn. In eerder sombere black metal als deze hangt het er vrijwel altijd af van hoe de band in kwestie met de intermezzo’s en/of langzamere delen omspringt. In het geval van Aversio Humanitatis voelen de vertragingen niet als onnodig geploeter aan en de band blijft nooit te lang hangen in een opbouwende passage. Integendeel, even gas terug nemen luidt vervolgens meermaals knappe overgangen en smaakvolle tempoveranderingen in waarin de Spanjaarden hun verpletterende mix aan black en death metal gracieus omkneden tot een plunderende massa vol monumentale riffs. De muzikanten zijn zich goed bewust van het songschrijfproces want de composities zitten vernuftig en met voldoende spanningsopbouw in mekaar. Het hieronder geposte “The wanderer of abstract paths” toont de kwaliteiten van de band in al haar glorie want er wordt een caleidoscopische werveling aan sensaties gecreëerd die de emoties van de luisteraar alle richtingen uitstuurt waarbij er een verrukkelijk verhaal ontstaat vol onrust, wanhoop, waanzin en transcendentie. A.M.’s vocalen klinken even verbluffend als de muziek en dragen een enorme verwoestende maar ook emotionele kracht uit. Ook drummer J.H. mag niet onvermeld blijven want hij stuurt voortdurend op veranderende ritmische patronen en progressies aan, zonder in een robotisch tech-verhaal te belanden. Genoeg pluimen in hun gat gestoken nu. Tijd om de back catalogue van Aversio Humanitatis eens uit te pluizen!

JOKKE: 82/100

Aversio Humanitatis – Behold the silent dwellers (Debemur Morti Productions 2020)
1. The weaver of tendons
2. The Presence in the mist
3. The sculptor of thoughts
4. The wanderer of abstract paths
5. The watcher in the walls
6. The scribe of dust

Lychgate – Also sprach Futura

Het Britse Lychgate behoort sinds hun gelijknamig debuut uit 2013 tot mijn absolute favorieten. Waar ze toen nog te klasseren vielen onder “experimentele black metal”, gaat de muziek sinds het geniale tweede album “An antidote for the glass pill” meer richting een soort technisch progressieve horror doom met black en death invloeden. Daarop werd verder gebouwd gedurende de derde langspeler “The contagion in nine steps” en nu dus ook op de EP “Also sprach Futura“. Laat me deze bespreking echt beginnen met te duiden dat dit niet voor iedereen is. De doodse dissonantie, kille kakofonie en algemene complexiteit van de muziek, die vaak in de verf worden gezet door een typerend kerkorgel, maken deze band tot iets wat – vermoedelijk – eerder mensen zal aanspreken die intensief bezig zijn met wat “ingewikkeldere” muziek. Dit zijn zeer goed uitgedachte en uitgevoerde composities die aandacht en soms geduld vereisen om op prijs gesteld te worden. Concreet over deze EP: die grijpt meer terug naar “Lychgate” en “An antidote for the glass pill” dan het vorige album. Dit hoor je letterlijk al vanaf de eerste noot waarmee het vrij korte “Incarnate” aanzet. Op het eerste gehoor zou je denken dat de bas en de orgels een chaotische tegenpool zijn voor de – in vergelijking – eerder eenvoudige gitaren en drums. Maar dat zijn ze niet, veeleer vult alles elkaar aan. Eigenlijk fungeert de track meer als een soort intro voor “Progeny of the singularity“, een nummer dat iets toegankelijker lijkt door de wat meer traditionele black en doom elementen, maar nog steeds bedrieglijk moeilijk in elkaar zit. “Simulacrum” is voor het grootste deel slepend en een nummer waar je de aanwezigheid van Greg Chandler – zanger/gitarist van o.a. Esoteric – goed kan horen. Het eindigt wat sneller en vloeit mooi over in de laatste track “Vanity ablaze“. Hier is de ritmesectie geweldig op dreef en spelen de cleane en extreme zang ook een grotere rol, ondanks het feit dat deze zoals wel vaker bij Lychgate diep in de mix liggen. Elk instrument heeft een unieke rol die passend is, ook al staat het soms haaks op wat een ander instrument dat moment produceert. Het rauwer geluid, de vaker voorkomende snelle passages en een soms wat minder aanwezige “frivoliteit” voelen misschien als een kleine stap “terug”. Deze is voor een EP echter volkomen aanvaardbaar, zeker als je het concept gaat nalezen dat alles te maken heeft met trans- en post-humanisme. Het is je te vergeven als je soms niet meteen zou merken waar de nummers heen gaan, maar de opbouw is doordacht en heeft wel degelijk een pointe. Echt gaan uitleggen hoe dit klinkt is bijna onbegonnen werk. Meerdere luisterbeurten zijn gewoon onontbeerlijk. Maar als ik enkele referenties moet geven, dan zou ik zeggen dat mensen die fan zijn van Ebony Lake, Dolorian, Esoteric of zelfs mid-era Sadist dit sowieso moeten checken. En eigenlijk ook alle anderen, want dit is simpelweg origineel en steengoed.

Xavier: 95/100

Lychgate – Also sprach Futura (Debemur Morti Productions 2020)
1. Incarnate
2. Progeny of the singularity
3. Simulacrum
4. Vanity ablaze

Ulcerate – Stare into death and be still

Debemur Morti Productions kennen we vooral als hofleverancier van kwalitatieve black metal. Zo heeft het label tal van gewaardeerde acts onder de vleugels genomen, zoals Akhlys, Blut Aus Nord, Behexen en Inferno. Echter is het label niet vies van wat geëxperimenteer en heeft het een voorliefde voor bands met een eigenzinnige aanpak. Zo zien we ook White Ward, Kaleikr en Manes op het roster staan. Echter hebben al deze groepen een zekere affiniteit met het zwartmetalen genre, op één klepper na. Na vier jaar stilte in de studio (maar heel wat tours) brengt het Franse label de zesde langspeler van het Nieuw-Zeelandse Ulcerate uit. Op de metalen archieven wordt de groep omschreven als ‘technical death metal’, en normaalgezien is een omschrijving als deze genoeg om mijn interesse tot onder het nulpunt te doen bevriezen. Over het algemeen is mijn ervaring dat bands die onder die noemer geclassificeerd worden bijzonder goed zijn in tonen hoe goed ze hun instrumenten beheersen, maar hebben ze geen jota gesnapt van de les songwriting. Bands zoals pakweg Beyond Creation mogen dus wat mij betreft de vuilbak in. Ulcerate echter heeft wel goed opgelet in de klas, want “Stare into death and be still” is niet enkel technisch hoogstaand maar weet, in tegenstelling tot veel andere albums in het genre, wel degelijk een sfeer neer te poten die even in de kleren blijft hangen. Drummer Jamie Saint Merat staat al sinds het in 2016 uitgebrachte “Shrines of paralysis” bekend als één van de strakste drummers in de extreme metal, en ook op de nieuwe telg speelt hij zodanig strak dat je een ontregelde metronoom op zijn blast beats kun calibreren en waarmee hij Gene Hoglan naar de kroon steekt voor de titel ‘the atomic clock’. Waar het vroegere werk van Ulcerate mij minder kon bekoren omwille van bovengenoemde redenen heeft het trio van down under met deze nieuwe worp een nieuwe weg ingeslagen: hoewel brute agressie, doorspekt met dissonanten en woeste grunts nog steeds de basis van het album vormen, wordt hier veel meer ingezet op de sfeerbeleving van het album. Ulcerate klonk nog nooit zo duister, beklemmend en tegelijk dynamisch. De bijzonder heldere en volle sound is hier in grote mate debet aan maar ook de grote variatie in composities speelt een belangrijke rol. Waar bijvoorbeeld “Exhale the ash” en het titelnummer genadeloos op de trommelvliezen inbeuken zorgen nummers als “There is no horizon” en “Visceral ends” voor epische melodieën en wordt de voet zelfs even van het gaspedaal gehaald. Dit alles zorgt ervoor dat het album vlot wegluistert als één lang nummer. Nuja, ‘vlot’ is misschien niet meteen het juiste woord om een album dat barst van de dissonantie te omschrijven, gezien het geheel geen gemakkelijk verteerbare brok is maar er toch enige structuur in de chaos valt te ontwaren. “Stare into death and be still” is naast een zin die onze huidige manier van leven omschrijft dan ook een condens album dat een incubatietijd van meerdere luisterbeurten vereist en mondjesmaat zijn geheimen prijsgeeft. Ondanks het feit dat hun muziek op papier niet zo mijn kopje thee zou zijn, weet Ulcerate me met met de mond vol tanden te zetten en moet ik mijn ongelijk toegeven: wat een verdomd krachtig, coherent én technisch hoogstaand album geworden met een duistere, verstikkende sfeer waar we in de black metal zo naar hunkeren.

CAS: 85/100

Ulcerate – Stare into death and be still (Debemur Morti Productions 2020)
1. The lifeless advance
2. Exhale the ash
3. Stare into death and be still
4. There is no horizon
5. Inversion
6. Visceral ends
7. Drawn into the next void
8. Dissolved orders

Aara – En ergô einai

De Verlichting was een intellectuele beweging uit de achttiende eeuw waarbij wetenschappelijk denken vanuit rationalisme en empirisme centraal stond. Het is de voedingsbodem voor Aara’s tweede langspeler “En ergô einai” (geen idee wat die titel betekent – iemand?) die via Debemur Morti Productions wordt uitgebracht. De kern van deze Zwitserse band bestaat uit Berg (gitaar, bas en keyboards) en Fluss (zang) die voor de opnames bijgestaan werden door drummer J. In de negen minuten durende opener “Arkanum” horen we echter nog een veel bekendere gastmuzikant aan het werk. De spookachtige atmosferische, deels akoestische, intro is immers van de hand van Vindsval (Blut Aus Nord en Yerûšelem), niet de minste om op je plaat te laten meespelen. Deze inleidende klanken monden uit in het eerste hoofdstuk van de reis van de zoektocht van de mens naar kennis en betekenis in tijden van Verlichting. Muzikaal wordt dit vertaald naar een plotse storm van ratelende drums, scheurende gitaren en helse kreten. Door die orkaan van intensiteit stroomt echter een hartverscheurende melodie, gedragen door golvende en glimmende tonen die tegelijkertijd ook verlangende en opbeurende kwaliteiten vertoont. Voor het eerst wordt de mens geconfronteerd met de idee van het bestaan ​​van een individu, losgemaakt van religie en klassen – wat de ontwikkeling van wetenschap en cultuur vooruit hielp. De constante afwisseling van emoties en stemmingen in de songstructuur brengt de kloof tussen nieuw en oud in beeld en geeft uitdrukking aan de afstandelijkheid van de conventionele en euforische stemming. “Arkanum” beschrijft het begin van een ontwikkeling die de mens in diepe vragen en de zoektocht naar betekenis zal storten. Het verhaal eindigt bij “Telôs” dat handelt over de illusie en chaos in de door de mens gemaakte wereld en is gebaseerd op het besef dat het doel en de zin van het leven in de ervaring van het pure moment liggen. Het nummer begint met een koorstuk dat het heroïsche ideaal van het doel (‘Telôs’) weerspiegelt, dat de mens onvermoeibaar op jacht gaat naar de reis van zelfontdekking en wordt onderbroken door een rauwe maar hoopvolle passage die de realisatie van de werkelijkheid belichaamt. Steeds meer doorbreekt een melancholische en hymnische melodie het oppervlak, een moment tussen wanhoop en acceptatie. Een laatste rebelse uitspatting weerklinkt alvorens het koor uit het begin van het nummer terugkeert en “En ergô einai” beëindigt. Daartussen liggen nog drie andere composities waarin Aara haar kracht uitbundig kan etaleren, namelijk het vermogen om het hart van extravagante sonische black metal-omwentelingen te doorboren met prachtig vloeiende en van karakter veranderende melodieën die meermaals een etherische helderheid uitstralen. Het verraadt een klassiek geschoolde aanpak. Het enige minpuntje vind ik de vrij eentonige high-pitched krijsstem die wat weg heeft van oude Hecate Enthroned. Niet verwonderlijk aangezien Fluss een dame is – waarmee ik verder geen afbreuk wil doen aan de vele goede black metal zangeressen die er rondlopen – maar haar scream kon wel wat meer diepte verdragen. Gelukkig bevat de muziek ook vele instrumentale passages om je op te laten meevoeren en waarbij het wel duimen en vingers aflikken is.

JOKKE: 82/100

Aara – En ergô einai (Debemur Morti Productions 2020)
1. Arkanum
2. Stein auf Stein
3. Aargesang (Aare II)
4. Entelechie
5. Telôs

Arkona – Age of capricorn

Arkona – één van de langst meedraaiende bands in de Poolse black metal-scene – is terug met langspeler nummer zeven, de tweede voor het Franse Debemur Morti Productions. Zoal we van het kwartet gewend zijn, voelen de muzikanten (en drummer Zaala bij uitstek) zich als een vis in het water wanneer dat de vorm van woeste stroomversnellingen aanneemt. De snelle, op Zweedse leest gestoelde black metal-inferno’s vliegen ons immers rond de oren, wat echter niet wil zeggen dat Arkona de luisteraar in bijvoorbeeld de titelsong ook niet enkele momenten gunt om naar adem te happen. Voor sommigen zullen de keyboards en symfonische elementen echter een struikelblok blijven, ook al worden ze slechts sporadisch aangewend. Zo snap ik met de beste wil van de wereld niet waarom de heftige openingspassage van “Alone among wolves” met een idioot pianoriedeltje vergezeld moet gaan, wat serieus afbreuk doet aan de agressie. Voor de rest geen klachten over deze rampestamper. Een snelheidsbom als “Deathskull mystherium” zal liefhebbers van Dark Funeral, Setherial en consorten doen watertanden, terwijl het meer mid-tempo “Towards the dark” opnieuw meer ruimte laat voor symfonische accenten. Zo onderstrepen majestueuze orgelklanken de duisternis die over de luisteraar neervalt in dit nummer. Bandleider en enig overgebleven lid Khorzon weet ondertussen wel hoe hij pakkende nummers vol furie, krachtige melodieën en een atmosfeer van grandeur moet schrijven. Het afsluitende acht en een halve minuut durende “Grand manifest of death” is hier op “Age of capricorn” misschien wel het beste voorbeeld van, hoewel de toon hier ook best grimmig is. De muzikanten die Khorzon rondom zich verzamelde, bewijzen dat ze hun instrumenten en krijsende strot tot in de puntjes beheersen. De productie van “Age of capricorn” klinkt modern en transparant, zonder aan agressie in te boeten. Deze zevende langspeler vormt het voorlopige hoogtepunt van Arkona’s discografie. Enkel jammer van het generieke artwork en logo.

JOKKE: 83/100

Arkona – Age of capricorn (Debemur Morti Productions 2019)
1. Stellar inferno
2. Alone among wolves
3. Age of capricorn
4. Deathskull mystherium
5. Towards the dark
6. Grand manifest of death

Blut Aus Nord – Hallucinogen

Een grammatisch incorrecte Duitse bandnaam voor een Franse groep die steeds iets doet wat je niet verwacht… Blut Aus Nord is voor mij al meer dan vijfentwintig jaar één van de meest intrigerende black metal bands. Het debuut “Ultima thulée” en opvolger “Memoria vetusta I: Fathers of the icy age” brachten melodische black met bakken reverb en klonken bijna even sfeervol als een vroege Emperor. Albums drie tot en met zeven borduurden verder op die sfeer, maar dan met meer dissonantie en een progressieve aanpak. Vanaf “777 SECT(S)” ging het dan weer een modernere richting uit en kregen we veel meer kille “industriële” en “post” invloeden. Een trend die behouden bleef tot… wel… nu. Inmiddels zijn we bij full-album 13, “Hallucinogen“, welk ons op eigentijdse wijze terugvoert naar het begin van Blut Aus Nord. “Hallucinogen” is, met andere woorden, een erg sfeervolle plaat. De muziek houdt het evenwicht tussen melodische en post-black metal. Dit album is meer dan de vorige releases echt één geheel en mikt duidelijk op een complete luisterervaring. Dit hoor je meteen al bij opener “Nomos nebuleam“. Veel herhaling, achtergrond keys en koor, maar wel met dat typische gitaargeluid en die reverb heavy productie. Andere nummers zijn gelijkaardig, maar sommige kennen wat meer leads die flirten met dissonantie zoals “Sybelius” en andere kennen meer mid-tempo riffs zoals bijvoorbeeld afsluiter “Cosma procyiris“. Alles blijft echter wel heel erg mooi elkaar opvolgen, zodat je nooit uit de sfeer van het album raakt. In die zin is het dus inderdaad een geestverruimende ervaring, al vind ik het jammer dat het “trippy” aspect – zoals de album titel suggereert – uitblijft. Er zat op dat vlak gewoon meer in om “Hallucinogen” écht uniek te maken. Wat we nu hebben is namelijk een steengoede cd, maar desondanks eentje die nou niet boven, pakweg, een “Spectral voice from newborn star” van The Lost Sun uit kan torenen. De release werd vergezeld van promoteksten die dit alles als een nieuw begin aanduiden, maar ik hoor toch echt wel aansluiting met die eerste releases en daarom is dit voor mij een vrij logisch gevolg. Zeker als je bekijkt hoeveel oudere bands teruggrijpen naar een meer straightforward aanpak na jaren van experimenteren, is dit niet extreem verrassend. Toch moet je echt wel zeggen dat het indrukwekkend is hoe bandleider Vindsval er zo goed in slaagt om, ondanks de wisselende subgenres, Blut Aus Nord steevast te laten klinken als zichzelf. Fans van het eerste uur en fans van moderne, “posty” black kunnen dit echt blindelings aanschaffen. Anderen kunnen best eerst even luisteren.

Xavier: 90/100

Blut Aus Nord – Hallucinogen (Debemur Morti Productions 2019)
1. Nomos nebuleam
2. Nebeleste
3. Sybelius
4. Anthosmos
5. Mahagma
6. Haallucinählia
7. Cosma procyiris

Crimson moon – Mors vincit omnia

Het verhaal van Crimson Moon begon in 1994 toen multi-instrumentalist Scorpios Androctonus de band in zijn eentje in de US begon. Vier jaar later verkaste de muzikant naar Duitsland van waaruit hij sindsdien in menig band en project actief was. Zo verdeelde hij zijn tijd o.a. over Acherontas, Sabnack, Zemial en Melechesh, om er maar een paar te noemen. Met Crimson Moon is Scorpios – ondanks een inactieve periode tussen 1996 en 2005 – ondertussen aan langspeler nummer vier gearriveerd, met daarnaast nog talrijke demo’s, splits, EP’s en een compilatie. Ik leerde de band kennen via “Oneironaut“, de vorige langspeler die drie jaar geleden op Debemur Morti werd gereleased. Hoewel dat absoluut geen slechte plaat was, klonken de nummers soms als tweederangs Acherontas-songs. Ook op “Mors vincit omnia” (“De Dood overwint alles“) kozen Scorpios en co (gitaristen Agreas en Sabnoc en drummer Blastum) voor een black metal geluid dat barst van de occulte grandeur als ode voor Azrael, de Engel des Doods. De legio koorzangen, orgels, kosmische synthscapes, rituele ornamenten en andere hocus pocus zijn misschien wel iets té prominent aanwezig en leidden alzo de aandacht af van de second wave-riffs die niet altijd even beklijvend zijn. Blastum kennen we van zijn drumwerk voor o.a. Merrimack, Antaeus en Aosoth, maar kiest in de opener voor een nogal houterig hakkend drumpatroon dat me persoonlijk niet goed ligt. In de latere songs vloeit het dynamische drumspel gelukkig meer. In een nummer als “Godspeed, angel of death” pakt de mayonaise wel en ontwaren we de typische strotten van Proscriptor (Absu) en Lord Angelslayer (Archgoat) in de occulte grootspraak. In dit nummer eist de basgitaar tevens een goed hoorbare rol op. De veelvuldige variatie in zang is een welgekomen aanvulling op de vrij droge en monotone screams van Scorpios. In “Upon the pale horse” horen we een vocale gastbijdrage van Demoncy’s Ixithra en blijven we ondanks de veelvuldige zangkoren goed bij de les. Kawir’s Phaesphoros stond in voor de mix en horen we dan weer in de rituele gezangen van “Parcae – Trinity of fates” opduiken. Goede zaak dat we in dit nummer vanaf 3:40 toch ook weer wat venijnige riffs te horen krijgen, want alle ritualistische elementen beginnen op den duur gezapig in plaats van cryptisch te klinken. En wat ik van die panfluit moet denken, weet ik nog altijd niet goed. Brian Artwick, gekend van zijn werk voor o.a. Absu, Nurse en Equimanthorn componeerde het also outro dienende “Tempus fugit” maar heeft niet veel om het lijf. Concluderend is “Mors vincit omnia” voer voor wie zijn of haar black graag met een occulte saus en brandend kaarsvet overgoten ziet, hoewel het bijlange na niet de beste plaat in het genre is. Mij begint de theatrale bombast na vijfenvijftig minuten wel wat tegen te steken en wordt het eenheidsworst doordat zo goed als alle nummers van de nodige tierlantijntjes doordrongen zijn. Er is duidelijk veel werk in deze plaat gekropen, maar geef me nu naderhand maar liever een straightforward black metal-plaatje.

JOKKE: 73/100

Crimson Moon – Mors vincit omnia (Debemur Morti productions 2019)
1. Vanitas
2. Altars of Azrael
3. Godspeed, angel of death
4. Upon the pale horse
5. Parcae – Trinity of fates
6. Mors vincit omnia
7. Funeral begotten
8. Tempus fugit

Sühnopfer – Hic regnant borbonii manes

Florian Denis aka Ardraos kennen we al een tijdje. De man verwierf vooral faam als (ondertussen ex-) drummer bij Peste Noire op alle releases sinds diens self-titled, en ook op Aorlhacs “L’esprit des vents” hanteerde hij de stokken. Echter heeft dit heerschap ook sinds 2001 een soloproject, waarmee hij recent aan zijn derde langspeler toekwam. Via Debemur Morti Productions verscheen zodus “Hic regnant borbonii manes”, waarop Ardraos bewijst ook een begenadigd gitarist te zijn. Zoals het een nationalist zoals Ardraos zelf betaamt, duikelt het album lyrisch gezien halsoverkop terug de middeleeuwen in, terug naar de tijd toen zijn geboortestreek Auvergne nog Bourbon genoemd werd – vandaar de referentie in de titel die verwijst naar de krochten van de kerkers van de toenmalige adel. Geen nazibedoeningen hier, wel een glorificatie van de tijden van weleer. De melodieuze tremoloriffs volgen elkaar zonder genade op, ondersteund door een belachelijk groot aantal blastbeats. Echter krijgen we hier niet zomaar hersenloos geram want de songs bevatten genoeg variatie en interessante opbouwen om ons een klein uur lang geboeid te houden. Met de intro in de vorm van “Invito funere” worden we ietwat op het verkeerde been gezet: deze bereidt ons absoluut niet voor op het opeenvolgende “Pénitences et sorelages” dat meteen het gaspedaal volop indrukt. Datzelfde gaspedaal wordt doorheen het album met moeite losgelaten, iets wat er normaliter voor zorgt dat mijn interesse na een tijdje nog even onbestaand is als een erectie van Herman Brusselmans. Gelukkig is Ardraos’ gitaarspel gevarieerd en inventief genoeg om mijn koppeke als het ware automatisch doorheen gans het album te doen meeknikken en waarin knipogen naar Sacramentums “Far away from the sun” (een referentie die Ardraos zelf aanhaalt, naast Dissection) en Peste Noires debuut af en toe eens om het hoekje komen piepen. Muzikale duizendpoot die hij is neemt de man ook de zang op zich (anders was het dan ook geen soloproject meer) en deze klinkt scherp, hoog en vooral ziedend. Na voorganger “Offertoire” las ik vaak de kritiek dat mensen de band instrumentaal goed vonden, maar dat de zang hen tegenstond. Op “Hic regnant borbonii manes” wordt het overslaande, ‘scheurende’ stemgeluid achterwege gelaten waardoor de vocalen iets toegankelijker zijn voor de gemiddelde liefhebber van zwart metaal. Hoewel geclaimd wordt dat zijn muziek een medieval kantje zou hebben, hoor ik hier echter bitter weinig van terug of het moeten de akoestische gitaartonen zijn die hier en daar over het album verspreid de kop opsteken. Wat we wel voorgeschoteld krijgen is een uiterst melodieus werk dat fameus blaast ende knalt, en waarvan de productie (die Ardraos ook zelf onder handen nam) absoluut top klinkt. Geen lo-fi toestanden hier, maar een zeer helder gitaartapijt waar de raggende blastbeats en dubbele bassen hun weg doorheen vinden zonder alles te overstemmen. De bas is niet steeds even hoorbaar, maar die volgt dan ook gewoon de drumpatronen en tja, die zijn nu eenmaal belangrijker hier. Iets meer variatie in het tempo had gemogen, maar voor een keer val ik er niet over: Ardraos weet een grimmige, ruwe sfeer neer te poten en doet dit met verve.

CAS: 84/100

Sühnopfer – Hic regnant borbonii manes (Debemur Morti Productions 2019)
1. Invito Funere (Introduction)
2. Pénitences et sorcelages
3. Hic Regnant Borbonii Manes
4. La Chasse Gayère
5. Je vivroie liement
6. Dilaceratio Corporis
7. L’Hoirie de mes ancêstres