watain

Ondskapt – Grimoire ordo devus

We hebben maar liefst een decennium lang moeten wachten op “Grimoire ordo devus“, de vierde langspeler van het Zweedse Ondskapt. De vele line-upwissels zijn hier ongetwijfeld debet aan want enkel zanger Acerbus blijft nog over van de kwaadaardige bezetting die Ondskapt 20 jaar geleden uit de grond stampte. De nieuwelingen zijn gitarist J.Megiddo, die recent ook als nieuwe bassist bij Marduk toetrad en een staat van dienst opbouwde bij o.a. Degial en In Aternum, bassist Gefandi Ör Andlät (o.a. ex-Mephorash) en drummer Daemonum Subeunt die ondermeer bij Sterbhaus voor de percussionele hartslag zorgt. Nu, het lange wachten wordt wel beloond met een plaat die op een klein uur aftikt. Genereus nietwaar? De hamvraag is natuurlijk of het aantrekken van nieuwe snarenplukkers een grote invloed heeft gehad op de sound van Ondskapt anno 2020? De sinistere begrafenisatmosfeer die over de EP en drie volwaardige voorgangers gedrapeerd hing, is nog steeds aanwezig, zij het in mindere mate doordat het tempo bij momenten gevoelig hoger ligt. Er werd tevens ook een zekere complexiteit en techniciteit in het gitaarwerk geïnjecteerd. “Semita sinistram“, de échte opener van deze plaat, laat eigenlijk al meteen een samenvatting horen van al waar Ondskapt voor staat, namelijk dynamisch gearrangeerd orthodox zwartmetaal waarbij met het grootste gemak tussen verschillende tempo’s geswitched wordt, voor de gelegenheid voorzien van een snuifje bombast. In “Ascension” horen we een adembenemende solo terwijl we in het meer dan acht minuten durende “Animam malum daemonium” dan weer Satyricon “Rebel extravaganza“-era dis-harmonieën waarnemen. “Paragon Belial” wordt middels sfeervol akoestisch gitaarwerk op gang getrapt om daarna een pandoering rond de oren te geven. Ook in het afsluitende “Excision” is naast beklijvend tremolo gitaarwerk een grote rol voor akoestische klanken weggelegd. In een song als “Devotum in legione” zorgen abrupte overgangen tussen meer slepende en venijnig snelle tremoloriffs, die bovendien vakkundig en gezwind aan mekaar getimmerd worden, voor een spannende dynamiek. Ook Acerbus laat een uur lang horen het kunstje van gevarieerd te screamen nog niet verleerd te zijn. Op de juiste momenten gooit de Zweed ook heldere, theatrale zang in de strijd wat het orthodoxe karakter nog extra in de zwarte verf zet, maar het “DMDSworship niveau van debuut “Draco sit mihi dux” wordt niet meer herhaald. Parallellen met landgenoten Valkyrja of Watain zullen niet verbazen en in het melodische gitaarwerk van “Opposites” waart de geest van Jon Nödtveidt ontegensprekelijk rond. Het Zweedse plaatje zou in dit geval natuurlijk niet compleet zijn zonder enkele Dissection invloeden. Nog even meegeven dat we in de intro en het enorm pakkende met akoestische gitaren doorspekte “Possession” een sample horen van de film “The witch” uit 2015. Liefhebbers van de grafstemming die het oude werk typeerde zullen misschien een tikkeltje teleurgesteld zijn in “Grimoire ordo devus“. Ook voor mij lijkt deze vierde full-length niet te kunnen tippen aan de eerste twee langspelers maar desondanks de meer technische aanpak, is dit nog steeds een bovengemiddeld sterke release die bovendien een uur lang de aandacht weet vast te houden.

JOKKE: 85/100

Ondskapt – Grimoire ordo devus (Osmose Productions 2020)
1. Prelude
2. Semita sinistram
3. Ascension
4. Devotum in legione
5. Animam malum daemonium
6. Opposites
7. Paragon Belial
8. Possession
9. Old and hideous
10. Excision

Voodus – Open the otherness

Was ik twee jaar geleden door de overdreven Watain en Dissection invoeden té kritisch voor de debuutlangspeler “Into the wild” van het Zweedse Voodus? Misschien…met deze nieuwe EP “Open the otherness” doet de band een nieuwe verwoede poging mij te overtuigen. Twee tracks prijken er op dit kleinood. Met een totale speelduur van 24 minuten bieden die enerzijds waar voor je geld, maar één van de kritiekpunten op de langspeler was dat de muzikale hersenspinsels soms te langdradig waren. Vallen de heren opnieuw in deze valkuil? Aangezien er muzikaal gezien heel wat gebeurt op deze EP valt dat eigenlijk best mee. Dat waar menig band een ganse plaat voor nodig heeft, etaleert Voodus in één enkel nummer. Zo wordt het verhaal van de titeltrack verteld middels klassieke doom metal, clean gitaargetokkel, héél lang uitgesponnen epische melodieuze gitaarleads en energieke Zweedse black metal, nog steeds met de duidelijk hoorbare referenties. De toegankelijkheid is er ook nog steeds, zeker daar de écht vervaarlijke passages nog steeds in de minderheid zijn, vooral in het heel melodieuze titelnummer. In “Pillars of fire” trekt het kwartet aanvankelijk wat zwaarder van leer, hoewel er ook hier heel veel aandacht aan melodieuze riffs en leads besteed wordt, het gaat bij momenten zelfs haast de Pink Floyd toer op alvorens de heavy metal solo er een eind aan maakt. Al bij al is er dus niet veel veranderd ten opzichte van de voorganger, maar ik ben in een gullere bui voor deze EP aangezien de aandacht hier beter behouden kan blijven dan op een plaat van meer dan een uur van deze heren. Koop deze plaat niet op basis van de stoer uitziende bandfoto’s want je zou wel eens bedrogen kunnen uitkomen.

JOKKE: 77/100

Voodus – Open the otherness (Regain Records/Shadow Records 2020)
1. Open the otherness
2. Pillars of fire

Alasthor – Mahapralaya

Alasthor is een black metal band uit Bergen, niet het Noorse stadje, maar het Waalse, en is actief sinds 2013. Omdat er al een dozijn bands met de naam Alastor rondliep, besloten de heren WxTen en Styx een “h” aan de weinig originele bandnaam toe te voegen. Spijtig genoeg lijdt de muziek van het duo eveneens aan een gebrek aan inspiratie want wat Alasthor op diens derde EP “Mahapralaya” laat horen klinkt als dertien in een dozijn snelle black. Ze strooien zelf namen als Marduk, Arkhon infaustus, Dissection, Gorgoroth, Funeral Mist, Nargaroth, Watain en Mgła in het rond maar dat is puur aandachttrekkerij want het melodieuze aspect van een Dissection, de ijskoude sound van een Gorgoroth, de schwung van een Mgła of de orthodoxe aanpak van een Funeral Mist hoor ik hier absoluut nergens in terug. In een Marduk of bv. Thy Primordial kan ik dan nog deels inkomen omdat Alasthor’s zwartmetaal wel enkele Zweedse trekjes vertoont en de (geprogrammeerde?) drums bij wijlen tegen 300 per uur razen. De hese scream van Styx klinkt – op een sporadische diepere grunt na – vrij eentonig ook al spuwt deze de Left Hand Path-teksten uit van collega WxTen die een auteur is verbonden aan Fall Of Man publishing die naar eigen zeggen weet waar hij het over heeft, een ritueel beoefenaar van het sinistere pad is en zijn teksten even serieus neemt als zijn muziek. WxTen verzorgde ook alle opnames, en hoewel we een DIY-aanpak toejuichen, klinken de opnames vrij zielloos. Geef me dan maar de iets meer snerpende en verwrongen sound van de vorig jaar verschenen EP “Ascension of rage“. Al wat Alasthor tot dusver uitbracht, gebeurde in eigen beheer. Ik vrees dat dit nog wel een tijdje zo zal blijven, want wat de heren laten horen spring nergens boven de middelmaat uit. Het gebrek aan een eigen smoelwerk, songs die blijven hangen en memorabele riffs, resulteert dan ook in een clichématige eindscore.

JOKKE: 66/100

Alasthor – Mahapralaya (Eigen beheer 2020)
1. Possessed by the goddess
2. Riders of the dark scales
3. Nahash
4. Neuronal injection

Gneterswart – Gneterswart

Abstract albumartwork bestaande uit zesenzestig tinten grijs en zwart en één van de meest onleesbare bandlogo’s ooit. Om maar te zeggen dat Gneterswart niet echt van zijn marketingstrategie wakker ligt. Ván Records brengt het eerste wapenfeit van dit Duitse trio met o.a. Hekla van Hadopelagyal in de gelederen uit als 10 inch en Amor Fati zal instaan voor de tapeversie. Het zwartmetaal dat Gneterswart vier nummers lang ontketent lijkt in een ondergrondse bunker opgenomen te zijn waar het haast even hard echoot als in Trump’s bovenkamer. De sound is organisch, enige vorm van productie is quasi onbestaande, maar het past wel bij de black metal van het trio. Doorheen de snerpende cymbaalaanslagen en kwaadaardige screams penetreren morbide riffs die me meer dan eens aan het über kwaadaardige Throne Of Katharsis doen denken. Ook een erg ongepolijste versie van het oude Watain doemt eveneens regelmatig aan de einder op, vooral op vocaal vlak dan. Het tempo varieert van tergend traag in o.a. het geïmproviseerd aandoende “For ye mighty treacherous sanctuary” tot blastbeatmodus waarbij de snare-aanslagen echter vaporiseren in het geheel, behalve wanneer de piepende feedback aan het einde van “Drop dead treacherous sanctuary” wegvalt. De atmosfeer die vooral op de A-kant neergezet wordt in het diabolische “Flight of ye nameless” en het dynamische “Scattered in tempest” is verstikkend en pek, pekzwart. De bandnaam past met andere woorden als gegoten.

JOKKE: 81/100

Gneterswart – Gneterswart (Ván Records 2020)
1. Flight of ye nameless
2. Scattered in tempest
3. Drop dead treacherous sanctuary
4. For ye mighty ghosts of gloom

Armagedda – Svindeldjup ättestup

En de comeback van het jaar dames en heren gaat naar…tromgeroffel…het Zweedse Armagedda dat na een hiatus van maar liefst 16 (!) jaar terug van zich laat horen middels de vierde langspeler “Svindeldjup ättestup“. Nu hadden we de laatste tijd wel al in de gaten dat er wat online activiteit te bespeuren viel, wat ik nou niet meteen van deze dode knakkers had verwacht. Zo werden er twee onuitgebrachte nummers op Bandcamp gepost, maar dat er ook heus nieuw plaatwerkt zou gelost worden, had ik nu niet meteen aan mijn theewater gevoeld. Andreas Petterson, die in tussentijd zijn label Nordvis verder uit de Laplandse ondergrond stampte, was de voorbije jaren ondermeer actief in het geweldige Stilla en het meer folk gerichte Lönndom en Saiva. Stefan Sandström aka Graav hield zich dan weer bezig met voortvluchtig zijn/het uitzitten van een gevangenisstraf en op muzikaal vlak verblijdde hij ons o.a. met zijn debuut met Ehlder. Nu kwam het door de recente racistische klap van Stefan nog wel tot een botsing tussen Ehlder en Nordvis waarbij nieuw Ehlder materiaal niet langer via dit kanaal verpreid zal worden, maar toch sloegen beide heren voor Armagedda de handen terug in mekaar. Het artwork van “Svindeldjup ättestup” is van de hand van Watain’s Erik en bevat in de raamopening een soort van replica van/knipoog naar de cover van de vorige langspeler “Ond Spiritism: Djæfvvlens skalder anno serpenti MMIV” uit 2004. Ook de titel van het tweede nummer bevat een verwijzing naar deze plaat. Dé hamvraag is natuurlijk of “Svindeldjup ättestup” zich met deze en “Only true believers” – twee door velen over het hoofd geziene genreklassiekers – kan meten? Wat meteen opvalt als “Ond spiritism” na het inleidende “Det sjuttonde året” uit de boxen knalt, is – naast het arsenaal geweldige riffs – de modernere sound. Dat is nu ook niet zó uitzonderlijk na zo’n lange afwezigheid natuurlijk, maar gelukkig bleven een ruwe korrel en organische drumsound wel behouden. De nieuwe langspeler werd trouwens ingeblikt in de No Solace studio van Mgła mastermind Mikołaj Żentara en daar de heren zich voor de opnames dus in Polen bevonden, werd als drummer Michał Stępień van o.a. Medico Peste en Owls Woods Graves ingehuurd. Tevens klinken de songs vergeleken met de voorganger wat agressiever en wilder, op een beestachtige manier, hoewel “Likvaka” ook nog wel dat typisch slepende en spookachtige mid-tempo karakter laat horen. De Darkthrone worshipping days uit de eerste levensjaren werden allesbehalve opgegraven en het meer gelaagde en gesofisticeerde karakter van “Ond spiritism” wordt verder uitgediept. “Guds kadaver (En falsk Messias)” is een nummer waarin de atmosfeer halfweg volledig omslaat van eerdere swingende verwrongen akkoorden en ritmes naar een heerlijk venijnig straightforward blastfestijn. Afsluiter “Evigheten i en obrytbar cirkel” is met meer dan elf minuten de langste Armagedda compositie ooit en dit nummer alleen al rechtvaardigt de lange wachttijd want het aantal fenomenale riffs dat passeert is bewonderenswaardig en de atmosfeer en het karakter wijzigen ook hier voortdurend van repetitief hypnotiserend, naar wild en bevlogen of ingetogen en bevreemdend wanneer de distortionpedaal losgelaten wordt. De basgitaar is minder prominent aanwezig, maar Graav’s vocalen, die een mix van screams en heldere zang zijn, mogen zich nog steeds tot de beste in het genre benoemen. De bezieling en bezetenheid waarmee de man de Zweedse teksten in een nummer als “Flod av smuts” de ether in katapulteert, is lovenswaardig. Het voelt also alle negatieve gevoelens van zijn onrustige bestaan in deze plaat gekanaliseerd worden. Kortom: “Svindeldjup ättestup” vormt een logisch vervolg op “Ond spiritism” en het Norrländsk svartmetall klinkt, ondanks het jarenlange wegrotten van de overblijfselen van Armagedda, ook 100% als Armagedda. Hier hebben we dus 16 jaar op zitten wachten se.

JOKKE: 90/100

Armagedda – Svindeldjup ättestup (Nordvis Produktion 2020)
1. Det sjuttonde året
2. Ond spiritism
3. Likvaka
4. Djupens djup
5. Guds kadaver (En falsk Messias)
6. Flod av smuts
7. Evigheten i en obrytbar cirkel

Balmog – Pillars of salt

Het Spaanse Balmog is een band die we wel trekken en eenieder die een Watain weet te appreciëren, moet zich eens verdiepen in het oeuvre van dit duivelse trio. Na de prima derde langspeler “Vacuum” komen de Spanjaarden nu met een EP op de proppen en ondanks dit gegeven betreft het hier hun meest ambitieuze werk tot op heden. Op “Pillars of salt” prijkt namelijk slechts één song, maar het is wel een compositie die maar liefst achttien minuten duurt en waarbij de duisternis opgezocht wordt middels een breed amalgaam aan muziekstijlen. Natuurlijk maken black en death metal riffs en stevige uitbarstingen deel uit van het receptuur maar ook dark rock, psycho/prog rock, goth rock, post punk en traditionele heavy metal zijn enkele van de welgesmaakte ingrediënten. Dit vertaalt zich in blastbeats, dissonante gitaren en tremolo-riffs maar evengoed in melodieuze leads, clean gitaargetokkel, stuwende ritmes en orgelklanken. Ook op vocaal vlak horen we oerdegelijk screamwerk, proclamerende en verhalende stemmen, beklijvende heldere gezangen en mysterieus gefluister. Het draagt bij tot een spannend en dynamisch geheel dat eigenlijk nergens verveelt en fans van Farsot, Schammasch of Secrets Of The Moon zou moeten kunnen aanspreken. Onderhoudende EP waarop de veelzijdigheid aan muzikale invloeden van Balmog mooi tot uiting komt.

JOKKE: 81/100

Balmog – Pillars of salt (War Anthem Records/Black Seed Productions 2020)
1. Pillars of salt

Ultha/Morast – Split

In interviews met black metal-bands worden namen als Venom, Bathory, Hellhammer en Celtic Frost regelmatig als inspiratiebron aangehaald. Een minder voor de hand liggende naam is in dit geval waarschijnlijk de Britse gothic rock-band Fields Of The Nephilim. Alhoewel, de voorbije jaren hoorden we diens frontman Carl McCoy reeds een bijdrage leveren op het Watain-nummer “Waters of Ain“, Behemoth-leider Nergal stond in 2011 met de band op het podium in Polen om “Penetration“, een nummer dat ze eerder al coverden, live te brengen en in 2015 prijkte Fields Of The Nephilim twee dagen op het Roadburn festival. Carl McCoy staat bekend om zijn voorliefde voor het mystieke en het occulte, wat sterk tot uiting komt in de teksten van zijn songs. Aleister Crowley, Austin Osman Spare en Howard Phillips Lovecraft behoren daarbij tot zijn belangrijkste inspiratiebronnen, een overlappingspunt met veel black metal-bands. Ook Ultha en Morast besloten een hulde te brengen aan deze peetvaders van de gothic rock. Het is trouwens niet de eerste keer dat beide Duitse bands de handen in mekaar slaan voor dergelijke hommage want reeds eerder deelden ze hun voorliefde voor Bathory middels een split. Voor Ultha is het de tiende en laatste release in vijf jaar tijd alvorens de band in een winterslaap duikt. Het moge geen wonder wezen dat Fields Of The Nephilim belangrijk is geweest in de muzikale ontwikkeling van de muzikanten van Ultha, want de gothic rock-invloeden schemerden regelmatig door in het latere werk en ook de death rock pioniers Mighty Sphincter werden reeds met een tribute door hen vereerd. Ze kozen voor het meeslepende “Vet for the insane” van het debuutalbum “Dawnrazor” uit 1986 en besloten om qua zang een heldere stem te behouden die – eerlijk gezegd – beter klinkt dan die van McCoy (geen idee of het Ralph of Chris is die de vocalen hier voor zijn rekening neemt). Het epische mid-tempo nummer kenmerkt zich verder door haar mooie gestage opbouw die uitmondt in weids openbarstende, haast galactisch klinkende refreinen en een bezwerende leadpartij aan het einde. Het bevriende Morast nam het nummer “Blue water“, een single uit 1987 onder handen, en stak deze meer uptempo en swingende song in een heavier downtempo jasje. Zij kozen wel voor een zwartgeblakerde sludge invulling op het zangdepartement en ook de riffs en drums donderen lekker zwaar door zonder natuurlijk de obligate gotische melodieën uit het oog te verliezen. Wie niet beter weet, zou zowaar denken dat het een eigen compositie betrof. Uitstekende hommage waarbij Ultha vrij dicht bij het origineel bleef en Morast de muziek meer naar eigen hand zette.

JOKKE: 83/100 (Ultha: 82/100 – Morast: 84/100)

Ultha/Morast – Split (Vendetta Records 2019)
1. Ultha – Vet for the insane
2. Morast – Blue water

Mayhem – Daemon

Ik neem aan dat deze band geen lange, saaie introductie behoeft. Als één van de drijfveren achter de “First Wave of Norwegian Black Metal” zou de naam Mayhem namelijk elke genrefanaat bekend in de oren moeten klinken. Mijn excuses, ik bedoel natuurlijk “The True Mayhem“. Een bekendheid die niet per se te maken heeft met hun productiviteit of de kwaliteit van hun muziek doorheen de jaren en wel met de dodelijke scene soap van de nineties. Je weet wel, dat gedoe waar ook Burzum deel van uitmaakte en waar Necrobutcher nog graag eens op knullige wijze naar verwijst tijdens de promotionele interviews voor het nieuwe album. Ondanks het feit dat ik hun invloed erken, ben ik nooit een gigantische Mayhem fan geweest. Op het iconische “De mysteriis dom sathanas” na, vind ik “Wolf’s lair abyss” en “Chimera” de enige goede platen die ooit met het Mayhem logo de deur zijn uitgegaan. Vandaar mijn grote verbazing toen ik “Daemon” voorgeschoteld kreeg. Want hoewel ik er niet ondersteboven van ben, is het een degelijk product geworden dat, ondanks het feit dat enkel Necrobutcher en Hellhammer min of meer originele leden zijn, een vrij typisch geluid heeft weten vatten. “Daemon” brengt namelijk moderne black metal met behoorlijk wat traditionele knipogen naar “DMDS“, zoals in de track “Malum“. De productie van Necromorbus Studio (bekend van o.a. Watain, Funeral Mist, Ondskapt, …) is helder en evenwichtig, maar mist toch wel wat zwaarte. Iets wat bijvoorbeeld opvalt tijdens het anders wel stevige, slepende nummer “Daemon spawn“. De gitaren zijn relatief eenvoudig en repetitief. Ze doen echter iets complexer aan door stukjes die flirten met dissonantie en kennen hier en daar een welkome uitblinker zoals “Bad blood“. De bas is simpel en ligt relatief hoog in de mix. Nou ben ik daar normaliter wel voor te vinden, ware het niet dat de ritmesectie op dit album nogal slaapverwekkend is. De drums van Hellhammer lijken namelijk wel uitbesteed aan een ergotherapiegroep op Xanax, iets wat je nou niet zou verwachten van iemand van zijn kaliber. Lichtpunt zijn de vocalen van Attila die, op wat nodeloos gekweel na, sterker zijn dan ooit en eigenlijk voor de meeste afwisseling zorgen. Hoewel het album het meest vergeleken wordt met “De mysteriis dom sathanas” alsof het een soort throwback is, vind ik het eigenlijk een logische opvolger van het inmiddels vijftien jaar oude “Chimera“. Fans van de band zullen dit zeker kunnen smaken, maar wat mij betreft hebben we hier te maken met een middelmatige release die het vooral van de merknaam moet hebben. Ware het niet voor de bandgeschiedenis, dan was dit gewoon in de “ooit nog een tweede keer te beluisteren” stapel beland.

Xavier: 73/100

Mayhem – Daemon (Century Media 2019)
1. The dying false king
2. Agenda ignis
3. Bad blood
4. Malum
5. Falsified and hated
6. Aeon daemonium
7. Worthless abominations destroyed
8. Daemon spawn
9. Of worms and ruins
10. Invoke the oath

Flagellant/Orcivus – Split

Al het materiaal dat het Zweedse Flagellant na diens tweede langspeler “Maledictum” (uit 2013 weeral) losliet, is eigenlijk niet spiksplinternieuw. Het nummer “Great illuminationg void awareness” dat op de vorig jaar verschenen “Ekstrophë“-compilatie preek, dateerde al van voor “Maledictum” en de nummers die we nu via een split met de landgenoten Orcivus voorgeschoteld krijgen, werden ook reeds eind 2015 vereeuwigd. Beide bands leverden vier songs af, goed voor 37 minuten black metal van het gitzwarte soort. Flagellant heeft geen tierlantijntjes en occulte hocus pocus nodig om zijn duivelse boodschap aan de man te brengen. De Zweden leveren altijd bovengemiddeld sterke nummers af maar “The fires are lit” springt er dankzij diens Svartsyn-vibe wat mij betreft bovenuit. Op dit nummer is het trouwens Orcivus zanger Mortifer die de honneurs achter de microfoon waarneemt. Wat Orcivus betreft, moeten we voor diens laatste langspeler “Est deus in nobis” al negen jaar terug de tijd induiken, hoewel in 2016 nog wel een nummer werd aangebracht voor een split EP met Excessum. Orcivus’ zwartmetalen klanken klinken iets scheller en dunner vergeleken met het zwaardere, door een ronkende basgitaar voortgedreven geluid van Flagellant en leunen dicht aan bij een Watain ten tijde van diens debuut. Het orthodox satanische karakter van deze Zweden wordt in de verf gezet door het enigmatisch aura dat de songs uitstralen. De songstructuren zijn iets uitdagender vergeleken met Flagellant, maar ook hier blijven sacrale gezangen, rituele ambient en overige toeters en bellen in de kelder opgeslagen. Regelmatig wordt het spanningsveld opgezocht tussen trage gitaarriffs waaronder snelle drums voor een opwindende hartpuls zorgen. Mits “Tattered beliefs” laat Orcivus zien dat ook een pakkend traag nummer met meer rockende riffs schrijven mogelijk is. Meteen ook de uitschieter aan diens kant. “Black sun of illumination” werd ingezongen door Flagellant vocalist E. Op deze manier is er dus sprake van een grotere verbondenheid tussen beide bands dan het louter aanbrengen van enkele nummers, wat toch steeds een meerwaarde is bij splits. Geslaagde release met knap artwork van Karmazid voor liefhebbers van Ofermod, Svartsyn, Watain en Malign.

JOKKE: 83/100 (Flagellant: 82/100; Orcivus: 84/100)

Flagellant/Orcivus – Split (World Terror Committee 2019)
1. Flagellant – Barbarous names of evocation
2. Flagellant – Globus cruciger
3. Flagellant – The fires are lit
4. Flagellant – Ten spheres
5. Orcivus – Monumental ending
6. Orcivus – Breaking the seals
7. Orcivus – Black sun of illumination
8. Orcivus – Tattered beliefs

Asagraum – Dawn of infinite fire

Het interview dat ik met Asagraum’s Obscura afnam naar aanleiding van het overweldigende debuut “Potestas magicum diaboli” is de tweede meest gelezen post ooit op deze blog. Om maar te zeggen dat er blijkbaar heel veel interesse is in deze band. En dat is volledig terecht, alleen hoop ik dat het niet louter komt door het feit dat Asagraum 100% vrouwelijk is. Naast bandleidster Obscura bestaat Asagraum officieel nog uit drumster Amber de Buijzer (ex-Sisters Of Suffocation) die de drumstokken overnam van Trish Kolsvart die momenteel een erg zware strijd tegen kanker levert. Op de promofoto’s treffen we echter ook nog live-bassiste Mortifero aan, het gaat hier om de Nederlandse kern van de band. Verder vervolledigen de Zweedse gitariste V-Kaos, de Noorse bassiste Makhashanah en de Zwitserse keyboardspeelster Lady Kaos (Borgne) het live-plaatje nog. De sulfur spatte van de eerste single “Abomination’s altar” af en wakkerde de hoge verwachtingen nog verder aan. Deze worden trouwens volledig ingelost. Obscura’s kenmerkende raspende krijsen brengen de blasfemische boodschappen (een titel als “Hate of Satan’s hammer” liegt er niet om) vol vurige overtuiging en ook muzikaal zet “Dawn of infinite fire” de boel drie kwartier lang in vuur en vlam (wat overigens knap wordt weergegeven in het artwork van de hoes). Venijnige messcherpe riffs en pakkende tremolo’s wisselen meer melodieuze passages en Watain-achtige leads (“Guahaihoque” en “Beyond the black vortex“) af waarbij de erg goed hoorbare baslijnen (dank aan Tore Stjerna’s Necromorbus Studio) voor de compacte lijm zorgen. Amber timmert het geheel vakkundig en met precisiewerk aaneen. Ambitieuze songwriting en een dynamische spel van snelheden zorgen voor voldoende variatie hoewel het tempo doorgaans hoog ligt. De old-school Noors/Zweedse formule wordt met een brandende vitaliteit gebracht die we buiten Scandinavië nog maar zelden te horen krijgen dezer dagen (of het moet door een band als Darkened Nocturn Slaughtercult zijn). Ten opzichte van het debuut is het aantal Nederlandstalige nummers nu verdubbeld. Als de tekst van “Dochters van de zwarte vlam” op Obscura en co slaat, hoop ik de dames alvast niet in het donker tegen te komen. In “Waar ik ben, komt de dood” zet mysterieuze heldere zang de toon voor een waardige afsluiter van deze erg geslaagde tweede langspeler. Ik heb één van de 150 gelimiteerde vinylexemplaren op de kop kunnen tikken waar als surprise nog een 7 inch met twee extra nummers bij zit. “Visions from the serpent’s chalice” wijkt met haar duistere ambient sterk af van de rest van de songs, terwijl “Abyssum abyssus invocat” de verleidelijke vertrouwde duivelse tronie van Asagraum laat zien. Ik kan me inbeelden dat de grotere labels al in de rij staan om Asagraum in te lijven.

JOKKE: 88/100

Asagraum – Dawn of infinite fire (Edged Circle productions 2019)
1. They crawl from the broken circle
2. The lightless inferno
3. Abomination’s altar
4. Guahaihoque
5. Dawn of infinite fire
6. Dochters van de zwarte vlam
7. Beyond the black vortex
8. Hate of Satan’s hammer
9. Waar ik ben, komt de dood