ambient

Voidsphere – To sense | To perceive

The Void is niet zo’n statisch gegeven als velen lijken te denken. Integendeel, ze is zelfs een vrij actief iets. Naast roepen, spreken, wachten en verwachten, ademen en simpelweg bestaan voegt ze nog twee bezigheden aan haar palmares toe: voelen en waarnemen. Juist, als deel van de meedogenloze sonische aanval die het ПРАВА Коллектив (ofte Prava Kollektiv, voor zij die geen cyrillisch lezen) afgelopen week op onze trommelvliezen ontketende mag ook Voidsphere niet ontbreken. Het mysterieuze collectief geeft geen geheimen prijs (een interview? Vergeet het jong: ze lossen niks, nada, noppes) maar brengt naar goede gewoonte alle releases op dezelfde dag uit via Amor Fati Productions. Zodoende kunnen we de komende week bijna gaan omdopen naar ‘Prava-week’, en klagen doen we hoegenaamd niet. Gezien ons team recent is uitgebreid, verdelen we de releases netjes onder ons, en vandaag hebben we het dus over “To sense | To perceive”. Zoals gewoonlijk verblijdt Voidsphere ons met twee nummers, die elk op een dikke eenentwintig minuten afklokken en nog net wat meer ademruimte laten dan andere Prava projecten, zoals Pharmakeia. “The void senses” is van meet af aan weer op en top Voidsphere, net zoals de kenmerkende albumhoes: van lang uitgesponnen riffs die laag na laag na laag toevoegen aan de sowieso al bedrukkende sound en het tapijt vormen waartegen de ijle, wat weggedrukte en langgerekte screams (van meerdere vocalisten) zich aftekenen, tot de typische ietwat psychedelische invloeden die halverwege deze kolossale track de kop opsteken en het allesomvattende Niets verder in de verf zetten door middel van vluchtige keyboardaanslagen – ook meteen het enige accent dat ook maar enigszins wat warmte uitstraalt. De schedelsplijtende schreeuw die “The void perceives” op gang trekt, luidt een barrage aan blastbeats in die het wervelende gitaarwerk enkel maar bevreemdender doet overkomen – al haalt dit tweede deel van het diptiek wat vaker de voet van het gaspedaal dan het eerste en rond de zesde minuut krijgen we met de rammende, palm-muted gitaren ook een onverbloemde knipoog richting het geniale Darkspace. Niet dat het al niet duidelijk was waar veel Prava bands de mosterd halen, maar Voidsphere doet het geheel verstikkender en hopelozer klinken dan de Zwitsers. Bij Voidsphere geen overdonderende dissonantie of atonaliteit, maar dat heeft de band ook niet nodig om opnieuw een veertig minuten durende trip neer te poten die de adem zonder moeite uit je longen perst. De ijle sound blijkt na meerdere luisterbeurten ettelijke lagen te bevatten maar dreunt toch als een massief blok graniet je hersenpan in, en resoneert daar nog lang na. Wat vooral fantastisch is, is dat deze nummers dankzij hun lange speelduur de tijd en ruimte krijgen om zich langzaam maar zeker verder te ontplooien, en vooral in de laatste tien minuten blijft de sound zich alsmaar verder ontvouwen. Repetitief is het zeker, maar doorheen de kosmische trip waarbij we steeds verder het zwart gat in worden gesleurd, worden constant elementen toegevoegd of worden licht gevarieerde versies van dezelfde gitaarlijn over elkaar heen gedrapeerd om zo het eindeloze Niets in auditieve vorm over te brengen. Binnen de Addergebroed gelederen werd Voidsphere al vanaf de dag van de release tot onbetwistbare ‘winnaar’ van deze nieuwe lading Prava releases gekroond, en na enkele dagen repeated listens staat dat sentiment nog steeds als een huis overeind. Zoals reeds in de review van To exist | To breatheaangehaald werd is Voidsphere één van die weinige bands waarvan de bandnaam perfect de lading dekt. Grandioos, dit. Hup, allen naar de Amor Fati webshop voor dit kleinood hopeloos uitverkocht raakt!

CAS: 87/100

Voidsphere – To sense | To perceive (Amor Fati Productions 2020)
1. The void senses
2. The void perceives

Throane – Une balle dans le pied

De Parijzenaar Vincent Petitjean, beter gekend als Dehn Sora, is een artiest die van vele markten thuis is. Muzikaal kan hij zijn ei kwijt met Sembler Deah, Ovtrenoir en Throane. Zijn grafische creaties sierden releases van ondermeer Amenra en Blut Aus Nord en hij had de eer een fenomenale videoclip te mogen maken voor het nummer “Ad arma! Ad arma!” van het onvolprezen Deathspell Omega. Met Throane is deze creatieve geest aan een nieuwe EP toe nadat eerder al twee langspelers verschenen (“Derrière nous, la lumière” uit 2016 en “Plus une main à mordre” uit 2017). Daar waar Sembler Deah gitzwarte elektronische soundscapes schetst en Ovtrenoir (trouwens geen soloproject van Dehn Sora) zich in de sludge/postmetal hoek bevindt, smeedt de Fransman met Throane een geluid uit elementen van blackmetal, donkere ambient, drone en industrial. En natuurlijk gaan muziek en visuele esthetiek daarbij hand in hand. Opnieuw prijkt een zwartwitte foto van een menselijke figuur uit de muzikant zijn dichte omgeving op de cover. Deze keer is het Dehn Sora’s zus die we zien die als verpleegster tewerkgesteld is en daarbij aan heel wat leed wordt blootgesteld en voor de fotogelegenheid het eelt van haar voeten aan het trekken is. De titel van de EP verwijst naar het gezegde ‘zichzelf in de voet schieten’ waarbij je jezelf benadeelt. De EP beslaat één nummer van zo’n dertien minuten, of eerder gezegd twee nummers die één geheel vormen aldus Dehn Sora. Het muzikale spektakel dat zich dertien minuten lang voltrekt bestaat uit hoekige drumritmes die door Throane’s live drummer Julien T. ingespeeld werden. Ten gepaste tijde vallen de industrieel klinkende percussie en militante doomriffs en dissonanten stil waarna gitzwarte ambient en noise de overhand nemen om daarna terug naar de diepste krochten van Dehn’s psyche af te dalen. Het zorgt voor de nodige dynamiek maar komt me ook wat onsamenhangend over. “Une balle dans le pied” klinkt daarentegen wel uitermate verstikkend en er is absoluut geen plaats voor daglicht, zelfs geen subtiel straaltje zonlicht is in staat hier ook maar enige sprankel hoop te laten uitschijnen.

JOKKE: 75/100

Throane – Une balle dans le pied (Debemur Morti Productions 2020)
1. Une balle dans le pied

Gjendød – Motstand / Gjendød/Múspellzheimr – Ferske lik/Elde

Het uit Trondheim afkomstige Gjendød is sinds 2015 actief en heeft in die tijd al best een aardig palmares bijeen geschreven bestaande uit twee full-lengths een hele resem demo’s en een split met het fantastische Múspellzheimr. Ik had links en rechts wel al eens wat flarden van het Noorse duo zijn muziek gehoord, maar heb me er nooit echt verder in verdiept. De split met het Deense Múspellzheimr schatte ik echter als een need to have in en besloot dan ook maar Gjendød’s recente “Motstand” EP aan te schaffen. Voor de gemakkelijkheid krijg je hier dus twee reviews aangeboden voor de prijs van één. Laten we van start gaan met de witte 7″ EP waarop drie nummers prijken. De heren K (snaarinstrumenten en synths) en KK (zang en drums) kozen ervoor om “Graver meg opp” middels akoestische gitaren in te zetten waarover drumroffels gestaag aanzwellen totdat het nummer uit de startblokken schiet, waarbij meteen opvalt dat er een heuse rol is weggelegd voor de basgitaar. Het duurt even voordat het blackmetalkrijswerk boven gehaald wordt, maar eens dat het geval is, zijn alle ingrediënten voor een lekkere bak meeslepende, heroïsch klinkende Scandinavische black aanwezig. Het titelnummer is mid-tempo qua opzet maar bevat weeral een lekker stuwende en swingende basgitaar die een absolute meerwaarde is en haar melodielijnen vrolijk doorheen de gure gitaaronderlaag laat dartelen. Subtiele toetsen kleuren dit aanstekelijke nummer verder in alvorens het tempo nog verder de dieperik instuikt en er haast een doomy grafstemming wordt bereikt, om uiteindelijk terug te keren naar het muzikale patroon waarmee “Motstand” ingezet werd. “Frosne fangehull” is een uit duistere ambient, noise en spookachtige synths opgetrokken nummer dat een compleet andere gemoedsinstelling laat horen, want dit is echt wel een deprimerende uitsmijter. “Ferkse lik” wat zoveel betekent als ‘vers lijk’ is het nummer dat het duo aanleverde voor de split. Het komt vanuit de verte langzaam aangewaaid en ontpopt zich tot een mid-tempo song waar de neerslachtigheid en gevoelens in mineur van afspatten. Ook Múspellzheimr start aanvankelijk traag maar gestaag maar zet even later de voet op het gaspedaal. De verstikkende atmosfeer die we van deze Denen gewend zijn is weer volop aanwezig maar de razernij durft ook plaats te maken voor bevreemdende intermezzi vol disonnante gitaren. Het feit dat niet alle instrumenten tegelijkertijd volle gas vooruit gaan, creëert een onbehagelijk spanningsveld en de getergde krijsstem gaat door merg en been. Doorheen het chaotische klankenspectrum weten zich gek genoeg ook nog enkele akoestische gitaarklanken en heldere zangkoren te priemen. Op basis van deze twee releases heeft het Noorse Gjendød me weten prikkelen om ook het ouder materiaal op te snorren. Múspellzheimr bevestigt nogmaals mijn voorliefde voor hun auditieve geweld.

JOKKE: 81/100

Gjendød – Motstand (Darker Than Black Records 2020)
1. Graver meg opp
2. Motstand
3. Frosne fangehull

JOKKE: 82/100

Gjendød/Múspellzheimr – Ferske lik/Elde (Darker Than Black Records 2020)
1. Gjendød – Ferske lik
2. Múspellzheimr – Elde

Níðstöng – Norðurríkið

De naar IJsland geëmigreerde Duitser Adrian Brachmann kwam op Addergebroed al eerder aan bod met zijn veelbelovende project Äkth Gánahëth en diens eerste langspeler “Crowned in shadows“. In het interview gaf hij aan nog tal van andere projecten lopende te hebben, voornamelijk als one-man band. Níðstöng is er daar één van en “Norðurríkið” is het eerste kort en bondige statement. Daar waar de man zich bij Äkth Gánahëth vooral door de Franse LLN laat beïnvloeden, trekt hij voor Níðstöng referenties als Sort Vokter, Ildjarn en Nidhogg uit de kast. Een combinatie van punk geïnfuseerde blackmetal en ambient is met andere woorden wat je kan verwachten, een combinatie van muziekstijlen die ik doorgaans weinig te rijmen vind daar die eerste vooral op primaire energie inzet en die laatste op atmosfeerzetting mikt. Binnenkomer “Úlfhéðnar” trapt dit debuut op een aanstekelijke en swingende manier op gang zoals ook een Invunche dat op “II” deed. Ook “The eternal cycle” rockt als een tiet, maar dan eerder dankzij een eerder mid-tempo black ’n roll Darkthrone-aanpak. “Dauðinn hvíti” vat meteen de op de IJslandse grasvlaktes grazende koe terug bij de horens voor een straightforward zwartgeblakerde uitbarsting die na anderhalve minuut terug gaat liggen, waarna “Thule” terug meer punkelementen laat doorschemeren. In het downtempo “Emperors of the glacial realm” is ook ruimte voor old-school geluiden zoals we die kennen van oudgedienden Celtic Frost. De twee laatste nummers “Móskarðshnjúkar” en “Heiðin” gooien het over een totaal andere boeg en trekken – u vroeg zich ongetwijfeld al af waar die ambient bleef – volop de kaart van duistere dungeon synthklanken. Het lijkt met andere woorden plots alsof we naar een totaal andere plaat aan het luisteren zijn. Ik word er haast schizofreen van. Het was misschien logischer geweest één van beide als intro te gebruiken, maar ik snap ook wel dat Adrian liever met de deur in huis wou vallen. Punky black metal moet het doorgaans van zijn dodelijke maar aanstekelijke eenvoud en kracht hebben. Dat eerste is hier in elk geval waar want de vijf ‘metalen’ nummers klinken ongecompliceerd, zijn net als IJslandse Skyr van al hun overtollig vet ontdaan, maar klokken soms nogal abrupt af waardoor ik het gevoel had dat Adrian hier eerder de regels van de kunst wil laten primeren in plaats van de songs nog verder uit te werken. De sound is ook wat dunnetjes en had wat extra punch mogen hebben om echt als een vuistslag in je onderbuik aan te voelen. “Norðurríkið” bevat dus wel enkele kanttekeningen, maar zal ongetwijfeld ook wel tot bij de liefhebbers van punky black weten door te dringen.

JOKKE: 75/100

Níðstöng – Norðurríkið (Eigen beheer 2020)
1. Úlfhéðnar
2. The eternal cycle
3. Dauðinn hvíti
4. Thule
5. Emperors of the glacial realm
6. Móskarðshnjúkar
7. Heiðin

Paysage d’Hiver – Im Wald

Een reviewproces kan gekke vormen aannemen. Zo was deze recensie voor “Im Wald”, het laatste en langverwachte geesteskind van Paysage d’Hiver, zo goed als geschreven toen ik me deze week genoodzaakt zag domweg van nul opnieuw te beginnen. Deze review komt laat ten tonele, maar ik heb er dan ook al een luisterbeurt of 35 op zitten – goed voor toch wel twee werkweken aan bingelistening. Nu goed, een album van Wintherr geeft natuurlijk niet in één luisterbeurt z’n geheimen prijs, maar twee uur lang is toch wel een ferme brok om te verteren. Oorspronkelijk zou ik zeggen dat het album dat via zijn eigen Kunsthall Produktionen verscheen wel weer een typisch Paysage d’Hiver album was geworden, compleet met ietwat ruizige sound (maar meer doordringbaar dan op bijvoorbeeld de self-titled of pakweg “Schattengang”), gecomplementeerd met heldere en relatief catchy synths (toch een nieuw element). Twee uur lang van deze materie is echter nogal een opgave om door te zitten, ondanks een knaller als “Stimmen im Wald” dat ons een nagenoeg perfecte openingsriff voorschotelt en het magistrale “Kälteschauer” dat de essentie van de band eigenlijk samenvat. “Im Wald” wordt tussen de lijnen door ook gezien als de eerste full-length van het project dat reeds in 1997 het levenslicht zag in de reflectie van de besneeuwde Zwitserse Alpenpassen, maar van een debuut kunnen we hier amper nog spreken na een toch wel uitgebreide discografie. Echter bleef ik van mening dat bijvoorbeeld de zelfgetitelde demo nog net iets meer in z’n mars had, zowel riff- als atmosfeergewijs, maar dat was buiten mijn onverwachtse trip richting de dardennen gerekend. Een eenzame, nachtelijke boswandeling met dit album geeft meteen een compleet andere ervaring en maakt duidelijk dat de titel absoluut de lading dekt. Subtiliteiten die ik in eerste instantie niet eens had opgemerkt doorheen de plaat werden plots heel ruw mijn belevingswereld binnen gestampt: zo zette ik meer dan eens mijn koptelefoon af om na te gaan of dat geluid van krakende takken nu uit de bossen rondom me kwam – ik had al kennisgemaakt met een hertenjong – of dat die enkel uit het album voortkwamen. Optie twee was het geval, want eens het album kortstondig op pauze werd gezet werd ik enkel begroet door doodse stilte. Ook het geluid van de wind zoals in bijvoorbeeld de intro van “Verweilen” had hetzelfde effect. Bevreemdend, impressionant en ietwat verwarrend zijn maar enkele woorden die dit gevoel beschrijven, maar het algemeen sentiment van deze twee uur lang durende (muzikale) wandeling, afwisselend tussen pikdonker bos en de iets helderder Hoge Venen kunnen het best beschreven worden als majestueus. Het uitgestrekte bos en de eindeloze heide resoneren met de repetitiviteit van het gitaarwerk en de zwaar distorted vocalen van Wintherrs laatste werk. Nu, wie zoals doorheen het voorgaande werk wat meer ambientinvloeden had verwacht is eraan voor de moeite, gezien deze twee uur zo goed als volledig door het zwartmetalen spectrum worden ingenomen. Ik klaag hoegenaamd niet. Hoewel het ganse werk in een setting waarin geen complete aandacht aan de muziek kan worden gegeven inderdaad als wat langdradig kan beschouwd worden – een iets kortere speelduur was misschien geen overbodige luxe geweest – biedt de juiste context wel degelijk een fantastische ervaring aan, en laat dat nu exact zijn wat Wintherr met zijn solowerk wil bereiken. De titel van de afsluiter vertaalt zich naar ‘dus het weerkaatst’, en een betere weergave van hoe het album binnen een bepaalde omgeving resoneert kon ik zelf niet geven. Als ik thuis nog Paysage d’Hiver opleg is de kans reëel dat ik voornamelijk teruggrijp naar ouder werk, maar dit “Im Wald” is ontegensprekelijk een brok atmosfeer geworden die verdomd hard aan kan komen, als je er de tijd voor neemt.

CAS: 91/100

Paysage d’Hiver – Im Wald (Kunsthall Produktionen 2020)
1. Im Winterwald
2. Über den Bäumen
3. Schneeglitzern
4. Alt
5. Wurzel
6. Stimmen im Wald
7. Flug
8. Le rêve lucide
9. Eulensang
10. Kälteschauer
11. Verweilen
12. Weiter, immer Weiter
13. So hallt es wieder

Clavus – Rebus paranormalibus

Bij een land als Zwitserland denk je nu niet meteen aan een rijke geschiedenis op gebied van extreme metal, hoewel het neutrale land wel degelijk enkele groete namen heeft voortgebracht. Denk maar aan Hellhammer/Celtic Frost en Samael en recenter en meer underground Bölzer, Darkspace en Paysage d’Hiver. Als we écht de allerdiepste krochten van de reusachtige Zwitserse Alpen induiken, treffen we daar Clavus aan, een gloednieuwe anonieme blackmetalentiteit die, naast enkele (digitale) demo’s, dit jaar onder de noemer “Rebus paranormalibus” ook een eerste full-length uitbracht. Deze plaat staat garant voor een dik half uur cryptische en hypnotiserende blackmetal die uitpuilt van somberheid en verstikkend kwaad. De auditieve sonische terreur is verdeeld over twee korte en twee lange nummers, aangevuld met ambientintermezzi die wat zuurstof in de verstikkende geluidsmuur pompen. De man achter deze raadselachtige entiteit betovert de luisteraar met ijskoude riffs die een aura van hypnotiserende grandeur verspreiden en verstrengeld zijn met uitgestrekte kosmische keyboardlandschappen die diepte en ruimte geven aan de rauwe, grofkorrelige en ijzige gitaarlagen die door de pulserende kracht van woest drumwerk voortgestuwd worden, maar waarbij gezegd moet worden dat de geprogrammeerde drumlijnen soms wat rommelig overkomen in het geheel. Halfweg “Rebus paranormalibus” passeert “Dark tree from the golden forest” waarin meeslepende gitaarleads meer op de voorgrond treden, terwijl in opener “Acies ventos” en het geweldige “Jantar mantar jadu mantar” de toetsen voor de majestueuze extase zorgen. Voeg daar nog de wrede, vervormde en huiveringwekkende krijsen bij en je hebt alle ingrediënten voor een beklijvende atmosferische blackmetalplaat. Clavus is een nieuwe underground act om in het oog te houden. Voer voor fans van Paysage d’Hiver en Darkspace, maar met nog wat groeimarge vergeleken met deze twee referenties.

JOKKE: 78/100

Clavus – Rebus paranormalibus (Dawnbreed Records/Lèpre Productions 2020)
1. Acies ventos
2. Pythonicus
3. Six black candles
4. Majestic tower
5. Dark tree from the golden forest
6. Uromancia
7. Jantar mantar jadu mantar
8. Rebus paranormalibus

Ifernach – The green enchanted forest of the druid wizard

Tussen de recente releases van Amor Fati Productions viel de van lelijk cover artwork voorziene “Gaqtaqaiaq” LP van het voor mij onbekende Ifernach op. Daar het gros van wat Amor Fati op de markt brengt mij wel kan bekoren, besloot ik deze re-release – oorspronkelijk verscheen ie via Nekrart Productions in 2018 op CD – toch maar eens uit te checken. Na een wat cheesy intro knalde er rauwe punky black met gewelddadige Franstalige vocalen uit mijn speakers. Ik was nog steeds niet helemaal overtuigd tot Finian Patraic, de alleenheerser van dienst, plots heel melodieuze gitaarleads in de strijd gooide die mijn armhaartjes 90° van richting deden veranderen. Instant buy en fast forward naar 2020, want via Tour de Garde en GoatowaRex verscheen afgelopen maand – respectievelijk op tape en vinyl – de vierde langspeler met de toverachtige titel “The green echanted forest of the druid wizard“, nadat vorig jaar nog een EP en langspeler verschenen en ook eerder dit jaar al een EP gelost werd. Bezig bazeke die Finian Patraic! De man heeft roots bij de Ierse immigranten en het inheemse “First Nation” volk de Mi’kmaq (of Micmac), die wonen in het oosten van Noord-Amerika, meer bepaald in New England, Atlantisch Canada en Gaspésie. Zijn muzikale output doopte hij – je kan het tegenwoordig zo gek niet meer bedenken qua geografische aanduiding – Gespegewagi black metal, verwijzend naar het traditioneel territorium van de Listiguj indianenstam. Het inluidende titelnummer start met een riff waar Count Grishnackh jaloers op zou zijn geweest en het eerste échte nummer “The passage of Dithreabhach” houdt ons met diens epische tremoloriffs nog verder in een wurggreep vast. Wat wel verdwenen lijkt te zijn, zijn het rauwe punk-element en de bijtende Franstalige screams. In het verleden hanteerde Finian veelal het Frans omdat die ook in de black metal scene van Québéc gebruikt wordt en die hem nauw aan het hart ligt, maar Engels is de man zijn moedertaal. Wel werkt de muzikant nog steeds graag met contrasten en verweeft hij tussen de furieuze black metal ook dromerige ambient- en folkloristische akoestische intermezzi. Het draagt bij tot de mysterieuze atmosfeer van het zwartmetaal dat wordt gebracht ter meerdere eer en glorie van de wouden waar niemand een voet durft te zetten, maar haalt soms ook wel de vaart uit de plaat, zeker als dat bijvoorbeeld in de vorm van “A cursed spear” meer dan acht minuten in beslag neemt. Met “In the hollow of the Togharmach” is het opnieuw tijd voor het echte werk waarbij bombastich drumwerk, snijdende tremolo’s, afwisselende heldere, plechtstatige zang en hese screams ons diep in het duistere woud meesleuren. “Teinm laida“, dat is vernoemd naar één van de drie vaardigheden van een ziener in Ierse romantische literatuur, is opgedeeld in twee stukken waarbij de aanloop uit meditatief clean gitaargepingel bestaat en het tweede deel de rauwe, repetitieve en groezelige black opnieuw laat zegevieren. “A winter tree clad in black frost” trekt terug overduidelijk de Burzum-kaart en doet wat het moet doen: ons middels repetitieve en hypnotiserende riffs en drumwerk, subtiele toetsenverleidingen en wat dieper krijswerk in vervoering brengen. Bovendien komen de Ierse roots naarmate het nummer vordert in de synthpartijen subtiel naar boven drijven. “Hidden palaces under the green hills” zorgt met diens sample van een kabbelend waterbeekje, rustgevende ambient en gitaargetokkel, rituele percussie en indianenfluitjes voor een sereen en berustend einde. “The green enchanted forest of the druid wizard” is een erg degelijke plaat geworden, maar het black metal deel had van mij gerust nog wat meer mogen doorwegen, want de echte kracht van Ifernach zit ‘em in de melodieuze leads die hij daarin weet te verwerken.

JOKKE: 81/100

Ifernach – The green enchanted forest of the druid wizard (Tour de Garde/GoatowaRex 2020)
1. The green enchanted forest of the druid wizard
2. The passage of Dithreabhach
3. A cursed spear
4. In the hollow of the Togharmach
5. Teinm laida I
6. Teinm laid II
7. A winter tree clad in black frost
8. Hidden palaces under the green hills

With The End In Mind – Tides of fire

De wereld staat in brand…soms letterlijk. Niet alleen Australië, maar ook de Westkust van Amerika krijgt regelmatig af te rekenen met ziedende bosbranden. Voor het uit Olympia, Washington afkomstige With The End In Mind vormde het een insiratiebron voor diens tweede langspeler die de toepasselijke titel “Tides of fire” meekreeg want de zaadjes voor de nieuwe nummers werden gezeefd uit de as van de hun omringende smeulende landschappen. With The End In Mind heeft het einde dus nog steeds niet in gedachten blijkbaar, hoewel ik de band na “Unraveling; arising” alweer uit het oog en oor verloren was. Maar kijk, bezieler Alexander Roland Freilich, bijgestaan door tal van sessiemuzikanten, pende dus een nieuwe plaat bijeen en wist in tussentijd eindelijk een label aan de haak te slagen. Het is het Italiaanse Avantgarde Music geworden. Aangezien een groot aantal bands uit die stal het label “atmosferisch” opgespeld kunnen krijgen, beschouw ik deze samenwerking als een perfect fit. Afgaande op de tracklist blijkt er nog niet veel aan het gekende With The End In Mind-receptuur gewijzigd te zijn: drie songs in 47 minuten, you do the math. Deze werkwijze houdt in dat Alexander ruim de tijd neemt om zijn verhaal te vertellen en naar de pointes toe te werken. Het album is een verkenning van interne en externe zuivering: al het lijden en de angst die de titanische krachten van de natuur op ons leven uitoefenen, en het verborgen licht dat binnenin kan worden gevonden wanneer het lijkt alsof alles verloren is. Het is een reis van dood, vernieuwing en veerkracht van de menselijke geest. Ingetogen gitaarlijntjes veelal vergezeld van spoken word poëzie – sinds het ontstaan van de band in 2012 vormt literair werk van o.a. Carl Jung, Joseph Campbell, Derrick Jensen en Daniel Quinn een voedingsbodem voor de inhoud – scheppen een intimiderende ietwat onheilspellende atmosfeer, zeker in “May the name of truth be fire” zonder dat daarbij gitaargeweld en beukende drums aan te pas komen. Ik begrijp dat dit voor velen te langdradig kan overkomen, zeker als je op zoek bent naar instant overweldiging. Maar ook zonder de primaire krachten van black metal aan te wenden, slaagt With The End In Mind erin om een onheilspellend beeld te schetsen. Elementen uit dark folk, drone/ambient en psychedelica vinden hun weg naar de Cascadian totaalsound waarin ook een belangrijke rol voor percussie is weggelegd. We horen dan ook twee volledige drumstellen en aanvullende percussie het hartritme van “Tides of fire” sturen. En wanneer de black metal golven dan toch komen aanspoelen, dompelen ze ons onder in beklijvende vloedgolven. De antennes van liefhebbers van een Fauna, Wolves In The Throne Room of Hope Drone zouden ondertussen voldoende signalen opgevangen moeten hebben om deze plaat eens een kans te geven.

JOKKE: 82/100

With The End In Mind – Tides of fire (Avantgarde Music 2020)
1. Set the cavernous soul alight
2. May the name of truth be fire
3. Returning, reclaiming

Unreqvited – Mosaic II: la déteste et la détresse

Nu we toch even massaal opgesloten zitten is het tijd voor een inhaalbeweging, dus haal ik wat releases van onder het stof die ons alziend oog waren ontglipt, of waar ik tot nu toe nog geen tijd voor heb gehad. Twee jaar geleden haalde het Canadese Unreqvited nog mijn jaarlijst met “Stars wept to the sea”, sindsdien hebben we “Mosaic I: l’amour et l’ardeur” over het hoofd gezien en kwam er begin dit jaar een split met Sylvaine. Op diezelfde dag werd echter ook langspeler nummer vier de wereld in gestuurd, een aansluitend vervolg op nummer drie. Deze timing was geen toeval, want waar de Canadees zelf zei dat de split zijn lichtste materiaal tot op heden was, geldt het omgekeerde voor “Mosaic II: la déteste et la détresse”: dit zou zijn meest zwaarmoedige uitspatting zijn. Zwaarmoedig, niet zwaar, want Unreqvited klinkt nog steeds even etherisch. Op deze laatste telg wordt meer dan ooit geëxperimenteerd met keyboards, waardoor we op het einde van “Wasteland” zelfs op een soort trap-beat worden getrakteerd. Nog steeds fungeren de vocals enkel en alleen als instrument (er worden namelijk geen teksten geschreven), maar gevoelswaarde bevat de muziek des te meer. Zweverige keys en post-rockachtige gitaarlijnen wisselen elkaar constant af (zoals op “Stars wept to the sea” ook al het geval was, alleen wordt dit contrast hier meer uitvergroot) en halfweg krijgen we een rustpunt in de vorm van “Transience I: the ambivalent”, een naar mijn mening overbodige opener van het afsluitend drieluik dat voor twee delen uit ambient bestaat, en waarvan het afsluitende zelfs meer richting distorted noise neigt, niet geheel onverwacht gezien het nummer “Trancience III: the static” heet. Niet mijn kopje thee; want daar waar de naamloze Canadees met de eerste vier tracks bijzonder puike nummers aflevert, verliest hij momentum en gaat hij tijdens het laatste kwartier van het album de mist in. Dat hij hiermee ‘het meest donkere werk’ bedoelde kan ik begrijpen, maar muzikaal biedt het niet bepaald veel meerwaarde, ook omdat het drieluik zo opvallend breekt met wat eraan voorafging. Ondanks dat er dus héél veelbelovend wordt opgebouwd, waarbij “Pale” echt een parel van een nummer is (de solo halfweg is niet minder dan prachtig te noemen), wordt helaas met een sisser afgesloten.

CAS: 76/100

Unreqvited – Mosaic II: la déteste et la détresse (eigen beheer, 2020)
1. Nightfall
2. Wasteland
3. Pale
4. Disorder
5. Transience I: the ambivalent
6. Transience II: the gentle void
7. Trancience III: the static
8. Can’t help falling (bonus track)

At The Altar Of The Horned God – Through doors of moonlight

Vorig jaar namen we “Azoth“, Mystagos’ tweede langspeler onder de loep. We waren niet meteen overtuigd van die plaat want de hersenspinsels van Heolstor, de bezieler van dit eenmansproject, voelden té doordacht aan. Nu laat de Spanjaard opnieuw van zich horen in de vorm van At The Altar Of The Horned God waarvan het debuut “Through doors of moonlight” via I, Voidhanger Records verschijnt. Van wierook doordrongen en onder druppelend kaarsvet bedolven occulte black is het eerste wat door mij heen schiet. Ik blijk het niet volledig bij het rechte eind te hebben, hoewel het ritualistisch gedoe van vele bands uit deze niche hier wel degelijk van toepassing is. “Through doors of moonlight” is een verzameling donkere hymnes, nocturnale gezangen en heidense gebeden ten aanzien van Pan, Cernunnos, Bacchus en andere oude goden. De muziek van At The Altar of The Horned God is grotendeels traag en meditatief van aard, maar komt in “Prayer I” ook tot een uitbarsting van primitieve black genre Arckanum doorspekt met religieuze heldere gezangen. Het schudt je wakker nadat de eerste twee nummers je langzaam meevoerden op een mix van ritualistische Urfaustiaanse atmosfeer en ambient. Een aanpak die vergelijkbaar is met die van het Amerikaanse Fauna. Het vervolggebed “Prayer II (Oh glorious Pan)” is uit allerhande rituele percussie, folk en sacrale zang opgetrokken en maakt de heidense insteek duidelijk: een ode aan moeder Natuur en Pan, de Griekse God van het woud. In “Perdition in the oness” kiest Heolstor opnieuw resoluut voor rauwe en grimmige black metal doorspekt met allerhande occulte taferelen. “Through doors of moonlight” laat een geslaagde multi-gelaagde en organische blend aan verschillende muziekstijlen horen, gaande van black metal primitivisme zoals te horen is in de afsluiter “A circle of swaying leaves” en de eerder aangehaalde nummers tot Dead Can Dance-achtige elegantie in een nummer als “Malediction“. Dit debuut is een écht luisteralbum waarvoor je best met gesloten ogen op de sofa gaat liggen om in de juiste stemming te geraken en je te laten meevoeren op de flow van de muziek. Gelukkig heeft Heolstor zich hier vooral door zijn gevoel laten leiden en minder door ratio.

JOKKE: 78/100

At The Altar Of The Horned God – Through doors of moonlight (I, Voidhanger Records 2020)
1. A ka dua
2. Before the flames of undefied knowledge
3. Prayer I
4. Prayer II (Oh glorious Pan)
5. Perdition in the oneness
6. Malediction
7. A circle of swaying leaves