Naðra

Solfatare – Prémices

Er lijkt toch weer iets te bloeien in ons kleine Belgenland de laatste tijd, een hoogst welgekomen evolutie (straks worden die Nederlanders nog als enige actieve Beneluxland beschouwd wat underground metal betreft…). Twee jaar geleden dacht ik nog ‘amai, black metal is een beetje dood hier’ maar ondertussen hebben we de revival van Paragon Impure gehad, de geboorte van Moenen of Xezbeth en daar blijft het niet bij: bands en albums beginnen de laatste tijd precies als paddenstoelen uit de grond te schieten. Enter Solfatare, een Brussels collectief waarover amper iets geweten is, behalve de initialen waarachter de bandleden schuilgaan. Niet verbazend dit, gezien de demo (of is het een EP?) genaamd “Prémices” pas gisteren het levenslicht zag. Vooralsnog hangt de band ook nog niet vast aan een label en van info omtrent eventuele fysieke releases ontbreekt elk spoor. De drie blonde Bruxellois presenteren 3 nummers aan rechttoe rechtaan black metal waarbij het tempo consistent hoog wordt gehouden met dank aan de ietwat simpele, doch doeltreffende drumpatronen van T.G.T.H. Bij een eerste luisterbeurt van het zeventien minuten durende kleinood leg ik quasi meteen de connectie met het IJslandse Naðra gezien de sterke gelijkenis tussen de vocalen van zangers T.S.G.H. en Örlygur Sigurðarson: blaffende, woeste uithalen waarin gevoel boven techniek wordt gesteld (en waarbij La sale Famine de Valfunde (Peste Noire) eigenlijk ook als referentie kan worden aangehaald). Solfatare lost halfweg “Ontogenèse du malheur” even het gaspedaal om een dissonante riff in te leiden die – uiteraard – terug losbarst in een furie van blast beats. Qua schrijfstijl horen we Zweedse invloeden, alsook krijgt het tremolo-gitaarspel bijwijlen een orthodox karakter. De rauwe productie waaraan franjes ontbreken en waarbij niks werd opgeleukt geven de drie songs een vuil en ongemakkelijk kantje mee, terwijl alle instrumenten toch de ruimte krijgen om te ademen. De ijle gitaartoon past mooi bij de in het Frans vertolkte zang terwijl de drums en bas een stevig fundament vormen voor de middellange songs. Ik hoop oprecht dat deze jongens meer van zich laten horen, want ten eerste is het hoopgevend dat België terug ondergrondse vuiligheid begint uitspuwen, en ten tweede bevat “Prémices” een stevige flow die je vlot doorheen de kleine twintig minuten meesleurt. Een aangename verrassing!

CAS: 83/100

Solfatare – Prémices (independent, 2019)
1. Nocturne attrition
2. Ontogenèse du malheur
3. Ozymandias

Örmagna – Örmagna

De IJslandse geisers blijven maar nieuwe bands uitspuwen. Örmagna is er zo ééntje en hoewel de IJslandse scene om haar incestueuze praktijken gekend staat – er leven nu eenmaal slechts 330.000 mensen op het mysterieuze eiland waardoor het aantal black metal-muzikanten dus wel beperkt is – is er slechts één bandlid dat aan een andere band gelinkt kan worden en dat is zanger Örlygur Sigurðarson die we ook kennen van Naðra en Mannveira. Nadat de omineuze intro van hun gelijknamige debuut is weggeëbd, herkennen we de schuurpapieren strot van Örlygur meteen. Hoewel hij duidelijk niet de beste zangtechniek bezit, maakt hij dat goed middels een extra dosis passie, emotie en inleving. De black van het vijftal klinkt gestript en gezwind en komt erg ruw maar krachtig over dankzij de geslaagde mastering door Misþyrming’s Dagur Gonzales. Verwacht van begin tot einde echter geen dissonant feestje genre Svartidauði of een Sinmara tremolo- en blastfestijn want de black van Örmagna lijkt eerder een post-hardcore insteek te hebben wat bijvoorbeeld duidelijk hoorbaar is in het drumpatroon en de gitaarmelodie (inclusief atonaal riffje) in het titelnummer. De tien minuten durende epische afsluiter “Dansar saurs og saurlífis” bevat dan weer cleane zang en bakken meeneuriebare melodieën, zonder echter het rauwe randje uit het oog te verliezen. Als luistertip beveel ik “Náladoði” aan, een meer uptempo song vol tempowisselingen. Örmagna bewijst op haar debuut een veelbelovende nieuwe IJslandse kracht te zijn. Deze release is tevens één van de beste Signal Rex-uitgaven tot op heden.

JOKKE: 81/100

Örmagna – Örmagna (Signal Rex 2019)
1. Intro
2. Háskinn í Seljunum
3. Náladoði
4. Örmagna
5. 3 ár í dýflissu
6. Með lögum skal land brjóta
7. Dansar saurs og saurlífis

Skáphe – Untitled

Het venijnige serpent dat onder de naam Skáphe doorheen de extreme ondergrond kronkelt, weet als geen ander de luisteraar te verstikken eens haar giftanden zich in je malse vlees nestelen. De lente is eindelijk daar, de konijntjes beginnen te huppelen en de eerste zonnestralen doen de knopjes aan platen en bomen weelderig groeien. Alex Poole en Dagur Gonzales – ik hoef beide heren ondertussen niet meer voor te stellen aan de trouwe volgelingen van onze blog – doen deze lentetaferelen echter als sneeuw voor de zon verdwijnen, want hun ultieme duisternis werpt een doodse sfeer op het eerste nieuwe leven. Een tweeëntwintigminuten durende “song” “VII” gaat verder waar “I” tot en met “VI” van “Skáphe²” ophielden. Gestroomlijnde partijen gaan hand in hand met ongecontroleerde chaos en jazzy improvisatie – zo lijkt het althans toch – en gitzwarte atmosfeer. En toch is er geen sprake van een ongeleid projectiel want er is een zekere flow ingebouwd die je stelselmatig een stapje verder het vacuum inzuigt. Ik kan hier echt hele dagen naar zitten luisteren, ook al gaat dit nog een stapje verder dan het alom geprezen Deathspell Omega, en krijgt de Studio 100 black metal-liefhebber hier waarschijnlijk een instant zenuwinzinking van. Deze EP verschijnt via het nieuwe, mysterieuze Mystiskaos cassettelabel en kan ook via Fallen Empire Records en haar gekende distributiekanalen opgepikt worden.

JOKKE: 85/100

Skáphe – Untitled (Mystiskaos/Fallen Empire Records 2017)
1. VII

Martröð – Transmutation of wounds

Met het ten grave dragen van het Amerikaanse Twilight na het verschijnen van hun derde langspeler en tevens zwanenzang “III: Beneath trident’s tomb“, kwam er een eind aan deze black metal supergroep. Met het nagelnieuwe Martröð is er echter een nieuw super black metal collectief ontstaan waarbij gerespecteerde en gerenommeerde individuen van verschillende continenten de handen in mekaar slaan. Bent u klaar voor een rondje name dropping? Hier gaan we. Op zang vinden we MkM terug die het meest bekend is van Aosoth en Antaeus. De gitaartandem bestaat uit H.V. Lyngdal (o.a. Wormlust) en A.P. (o.a. Krieg, Esoterica en Skáphe). Bij Skáphe werkte A.P. reeds samen met D.G. (o.a. Misþyrming en Naðra), die hier de bas in handen neemt. Enfant terrible Wrest (welbekend van ondermeer Leviathan en Lurker Of Chalice) voegde nog wat extra gitaar en ambient toe en drummer van dienst is Thorns (o.a. Blut Aus Nord, Darvaza, Manetheren, etc.). Kwijl! Met twee IJslanders, twee Amerikanen, een Italiaan en een Fransman is hier dus sprake van een bont internationaal allegaartje. De vraag die zich stelt, is natuurlijk of er één welbepaalde band het meest doorklinkt in het eindresultaat? De sound van de gitaren, drums en vocalen verwijzen overduidelijk naar Aosoth (zeker wanneer de herrie van “Draumleiðsla” zijn intrede doet), maar daar waar deze band nogal rechtlijnig tekeer gaat, wringt de black metal audioterreur van Martröð zich in veel meer bochten en staat de deur van de hel wagenwijd open voor experiment, voornamelijk in “Draumleysa” waar de invloed van Wrest overduidelijk vanaf druipt: horrortaferelen, mystiek die zich laagje per laagje opbouwt, onderhuidse spanning, dissonantie ten top en creepy noise. Dit is smullen voor wie van donkere, chaotische black metal zonder keurslijf houdt. Je zou kunnen beginnen leuteren dat het vrij voos is dat deze zestien (uitstekende) minuten muziek in een 12″ LP gegraveerd zijn, maar als we eens de optimist in plaats van de pessimist spelen, houdt dit in dat je op kant B nogmaals van deze overheerlijke songs kan genieten. Enig puntje van kritiek blijft dan dat de basgitaar amper hoorbaar is in deze chaotische duisternis. Desondanks is dit eerste wapenfeit een regelrechte voltreffer. Wel zou ik het fijn vinden als dit collectief op toekomstig werk nog meer de strijd met het experiment aangaat en de ingeslagen weg van “Draumleysa” verder zet.

JOKKE: 85/100

Martröð – Transmutation of wounds (Terratur Possessions/Fallen Empire Records 2016)
1. Draumleiðsla
2. Draumleysa

Ellorsith/Mannveira – Split

Voor deze split hebben het voor mij onbekende Canadese (of is het Engels?) death metalgezelschap Ellorsith en het IJslandse Mannveira de handen in mekaar geslagen om zevenentwintig minuten sonisch geweld op tape vast te leggen, waarbij beide bands twee tracks voor hun rekening nemen. De Canadezen trekken het zaakje op gang met hun duistere, occult klinkende death metal, waarin bij momenten wat black metal franjes te bespeuren vallen. Dissonante gitaarpartijen en midtempo drumwerk kenmerken “Jerome I”, hoewel er naar het einde nog een spurtje getrokken wordt. “Jerome II” schiet dan weer meteen een pak sneller uit de startblokken met afwisselend bruut zagend en dissonant gitaarwerk, maar weet mij niet over de gehele lijn te overtuigen: de diepe grunts zijn vrij eentonig en voor mij mag dit soort doodsmetaal nog wel iets smeriger en orthodoxer uit de boxen knallen, zoals een Grave Miasma dat overtuigend weet te doen. En de inleidende samples brengen daar niet echt verandering in. Liefhebbers van de band kunnen gerust de eerder opgenomen EP “1959” ook eens opsnorren. De twee nummers die Mannveira ons brengt, liggen in het verlengde van de “Von er eitur” demo uit 2014. Nog steeds kan Mannveira tot op zekere hoogte als het kleine broertje van Svartidauði en Sinmara beschouwd worden, hoewel ze voor een meer directe en eerder rechtlijnige aanpak kiezen en het dissonante op een track als “I augum hans sá ég dauðann” wat naar de achtergrond verdwenen is. Het grotendeels midtempo “Óður til einskis” weet dan weer te verstikken en een beknellend gevoel op te wekken maar heeft ook oog voor de nodige melodie. Bandleider Illugi heeft ondertussen vier extra mankrachten gerekruteerd zodat ze tijdens hun aanstaande tour met Wormlust de buitenlandse podia onveilig kunnen maken. De bassist en beide gitaristen zijn weggeplukt bij stoner/sludge act Naught en drummer Orlygur knuppelt onder andere ook bij Naðra. Achter de studioknoppen zat D.G. ondertussen welbekend van Misþyrming, Naðra, Skáphe en Martröð. Persoonlijk ligt de black metal van Mannveira me iets beter dan de death metal van Ellorsith, maar dat zou voor jou natuurlijk best wel eens andersom kunnen zijn. Leuke split!

JOKKE: 77/100 (Ellorsith: 74/100 – Mannveira 80/100)

Ellorsith/Mannveira – Split (Dark Descent Records 2016)
1. Ellorsith – Jerome I
2. Ellorsith – Jerome II
3. Mannveira – I augum hans sá ég dauðann
4. Mannveira – Óður til einskis

Zhrine – Unortheta

Wie onze reviews van tijd tot tijd volgt, denkt misschien dat Addergebroed steekpenningen van de IJslandse ambassade ontvangt om dit magische land en hun al even magische metalscene te promoten en bewieroken. Het valt echter niet te ontkennen dat er heel wat interessante bands uit de IJslandse warmwaterbronnen naar boven borrelen. Deze keer is het de beurt aan death/black metal band Zhrine, voorheen actief als achtereenvolgens Gone Postal, Unortheta (weet je meteen waar de titel van de plaat vandaan komt), Shrine en tenslotte Zhrine. IJslandse bands staan bekend om het incestueus uitwisselen van bandleden.  Zo ook Zhrine, met in de line-up onder andere gitarist Nökkvi G. Gylfason (Svartidauði) en drummer Stefán A. Stefánsson (ex-Naðra). “Spewing gloom” speelt met zijn verstikkende zwarte atmosfeer overduidelijk leentjebuur bij Nökkvi’s andere band, maar Zhrine tapt grotendeels toch eerder uit een death metal vaatje (“The syringe dance”, “Empire”). De openingsklanken van “Utopian warfare” brengen je op een melancholisch post-rock dwaalspoor om na drieënhalve minuut je trommelvliezen te terroriseren met blastdrums en dissonante gitaarriffs. Nu staat de term “dissonantie” bijna steeds synoniem voor Deathspell Omega en ook bij Zhrine valt de invloed van deze Franse grootmeesters niet te ontkennen. De rustige post-rock invloeden passeren ook later op de plaat nog de revue, en hoewel meestal van korte duur dragen ze bij tot de algehele misantropische sfeerschepping die in de zeven nummers vervat zit. Zanger/gitarist Þorbjörn Steingrímsson perst zowel diepe doodrochels als venijnige screams uit zijn keelgat (waar in beide gevallen geen woord van te verstaan is), maar opvallend is dat hij zijn schuur enkel open trekt wanneer de song dit vraagt. Halverwege de plaat passeert het voor vijfennegentig procent instrumentale “World” waarvan de enige tekstregel “The world’s inborn nature has been lost” het thema van de plaat perfect verwoordt. Op productioneel vlak leunt het geluid naar Svartidauði’s “Flesh cathedral” (hoewel een tikkeltje transparanter) wat niet zo onlogisch blijkt daar producer Stephen Lockhart (Haud Mundus, Rebirth Of Nefast, Sinmara) bij het tot stand komen van beide platen achter de knoppen zat. Hoewel iets gemakkelijker te verteren dan Deathspell Omega en Svartidauði zullen liefhebbers van deze bands met Zhrine ook wel aan hun trekken komen.

JOKKE: 84/100

Zhrine – Unortheta (Season Of Mist 2016)
1. Utopian warfare
2. Spewing gloom
3. The syringe dance
4. World
5. Empire
6. The earth inhaled
7. Unortheta

Naðra – Form

Wie de IJslandse black metal scene een beetje volgt weet ongetwijfeld dat Naðra een band is die bestaat uit de voltallige line-up van Misþyrming, aangevoerd door de frontman van Mannveira. Met de release van hun knappe debuut “Allir vegir til glötunar” nog vers in het geheugen, trakteren de jonge veulens ons al vrij snel op twee nieuwe songs, die netjes elk in een kant van de 7″ EP “Form” gegraveerd zijn. Tijdens Roadburn heb ik meermaals de opmerking horen voorbij komen dat ook niet-blekkies hun gading vinden in de muzikale expressie van Misþyrming. Bij Naðra zal dat minder het geval zijn vermoed ik, daar deze band toch dichter tegen de klassieke doorsnee black aanleunt, op een erg hoog niveau uitgevoerd, dat wel! Spijtig genoeg heb ik hun performance op Roadburn gemist (maar heb er een verrassend goede set van Yodok III voor in de plaats gekregen, dat terzijde), maar gelukkig passeerden enkele van hun beste songs ook in de lange set van Úlfsmessa, waarbij een collectief van maar liefst elf muzikanten een dwarsdoorsnede bracht van het werk van Misþyrming, Grafir, Naðra, NYIþ, Hraunbúi en Naðra. Dat de jongens van woordspelletjes houden, moge duidelijk wezen. De tracklist van hun debuut bestond uit de songs  “Fjallið“, “Sál“, “Falið“, “Sár” en “Fallið” en ook nu wordt er geopteerd voor songtitels die grammaticaal gezien weinig lijken te verschillen, namelijk “Forn” (“antiek”) en “Fórn” (“offer”) terwijl de titel van de EP “Form” is. In de eerste track wordt gegoocheld met verschillende tempo’s en typisch voor de band passeert er een melodieuze solo de revue, die hier gelukkig niet op het valse af klinkt! De cleane zang bijdrage van Eiríkur Hauksson (Grafir) aan het einde van de song is wennen en niet altijd even toonvast en de heavy metal solo die volgt klinkt wederom een tikkeltje vals – ik zou nog moeten gaan denken dat ze het erom doen. Geef me dan het tweede nummer maar waar de Mannveira frontman eventjes de epische toer opgaat – wat beter uit de verf komt – en waarin het tempo over de hele lijn wat sneller is met een heerlijke black metal tremolo riff naar het einde toe. Spijtig van de valse noten in de eerste song, want voor de rest is dit een top EP’tje!
JOKKE: 81/100

Naðra – Form (Vánagandr/Goatowarex 2016)
1. Forn
2. Fórn