sacramentum

Valdrin – Effigy of nightmares

Effigy of nightmares” is de derde langspeler op rij voor het Amerikaanse Valdrin, een band die al een decennium lang aan de weg timmert en ervoor een kleine drie jaar actief was onder de noemer Dawn Of Wolves. Beide namen zeggen me niets, maar Blood Harvest is blijkbaar al voor de tweede keer overtuigd om hun plaatwerk op de oververzadigde markt te brengen. Inhoudelijk borduurt “Effigy of nightmares” verder op een soort horrorverhaal dat gestart werd op voorganger “Two carrion talismans“. We volgen Nex Animus, de antagonist van de zelf gecreëerde hoofdrolspeler Ausadjur Mythos uit de Orcus onderwereld, die door het nachtmerrieziekenhuis Hosptium Mortis waart, maar wat me verder geen moer interesseert. Het label beveelt deze plaat aan aan liefhebbers van Zweedse black à la Vinterland, Dawn en Sacramentum, maar wij horen vooral het Noorse Ancient ten tijde van “The Cainian chronicle” terug, te meer daar Valdrin toch wel wat gebruik maakt van toetsen en deze minder van belang zijn in de sound van de drie Zweedse referenties. De deuren van het horrorziekenhuis worden middels aanzwellende symfonische horrorklanken inclusief piano, strijkers en een fluisterstem geopend, om pas een goed half uur later terug te sluiten. Wanneer de inluidende klanken erop zitten, verwacht je een uitbarsting, maar “Exsanguination tunnels” start vreemd genoeg opnieuw met een korte intro. Zodra de zwartmetalen klanken prevaleren, hoor ik dus vooral een Ancient doorschemeren zowel qua productie, het toetsenwerk en de ietwat droge screams. Maar qua gitaarmelodieën geef ik toe dat een Zweedse insteek inderdaad niet ontkend worden. Diepe heldere narratieve vocalen beklemtonen des te meer dat er hier een verhaal verteld wordt. Valdrin maakt gretig gebruik van contrasten tussen verschroeiende agressie en atmosferische rust en betoverende melodieën versus brute kracht, maar (zoals bij veel symfonische bands) bevatten de toetsen voor mij persoonlijk soms een te hoog fantasy gehalte. Een nummer als “Red burning candles of hatred” focust gelukkig ook veel op gitaarriffs en daar horen we wel een blauwdruk van het latere Emperor of een Diabolical Masquerade in doorschemeren. In “Serpentine bloodhalls” wordt het roer omgegooid en zorgen betoverende orkestratie, griezelige synths, humeurige akoestische arpeggio’s en een onheilspellende proclamerende stem voor een mijmerend gevoel dat als stilte voor de storm dient die in “Basilisk of light“, een vrij heftig nummer inclusief gitaarsolo, terug uit de speakers knalt. “Down the oubliette Of maelstrom” is met acht en een halve minuut speeltijd de langste compositie van “Effigy of nightmares” en gebruikt die speelduur ook om een dynamisch horrorverhaal neer te zetten waarbij toetsen en gitaarriffs voortdurend met mekaar in de clinch gaan. Voilà, voldoende name dropping in deze review, dus als deze bands je aanspreken of je black metal met een zekere theatrale extravaganza wel smaakt, moet je “Effigy of nightmares” maar eens een luisterbeurt gunnen.

JOKKE: 79/100

Valdrin – Effigy of nightmares (Blood Harvest 2020)
1. Gates of hospice
2. Exsanguination tunnels
3. Red burning candles of hatred
4. Serpentine bloodhalls
5. Basilisk of light
6. Down the oubliette of maelstrom

Sühnopfer – Hic regnant borbonii manes

Florian Denis aka Ardraos kennen we al een tijdje. De man verwierf vooral faam als (ondertussen ex-) drummer bij Peste Noire op alle releases sinds diens self-titled, en ook op Aorlhacs “L’esprit des vents” hanteerde hij de stokken. Echter heeft dit heerschap ook sinds 2001 een soloproject, waarmee hij recent aan zijn derde langspeler toekwam. Via Debemur Morti Productions verscheen zodus “Hic regnant borbonii manes”, waarop Ardraos bewijst ook een begenadigd gitarist te zijn. Zoals het een nationalist zoals Ardraos zelf betaamt, duikelt het album lyrisch gezien halsoverkop terug de middeleeuwen in, terug naar de tijd toen zijn geboortestreek Auvergne nog Bourbon genoemd werd – vandaar de referentie in de titel die verwijst naar de krochten van de kerkers van de toenmalige adel. Geen nazibedoeningen hier, wel een glorificatie van de tijden van weleer. De melodieuze tremoloriffs volgen elkaar zonder genade op, ondersteund door een belachelijk groot aantal blastbeats. Echter krijgen we hier niet zomaar hersenloos geram want de songs bevatten genoeg variatie en interessante opbouwen om ons een klein uur lang geboeid te houden. Met de intro in de vorm van “Invito funere” worden we ietwat op het verkeerde been gezet: deze bereidt ons absoluut niet voor op het opeenvolgende “Pénitences et sorelages” dat meteen het gaspedaal volop indrukt. Datzelfde gaspedaal wordt doorheen het album met moeite losgelaten, iets wat er normaliter voor zorgt dat mijn interesse na een tijdje nog even onbestaand is als een erectie van Herman Brusselmans. Gelukkig is Ardraos’ gitaarspel gevarieerd en inventief genoeg om mijn koppeke als het ware automatisch doorheen gans het album te doen meeknikken en waarin knipogen naar Sacramentums “Far away from the sun” (een referentie die Ardraos zelf aanhaalt, naast Dissection) en Peste Noires debuut af en toe eens om het hoekje komen piepen. Muzikale duizendpoot die hij is neemt de man ook de zang op zich (anders was het dan ook geen soloproject meer) en deze klinkt scherp, hoog en vooral ziedend. Na voorganger “Offertoire” las ik vaak de kritiek dat mensen de band instrumentaal goed vonden, maar dat de zang hen tegenstond. Op “Hic regnant borbonii manes” wordt het overslaande, ‘scheurende’ stemgeluid achterwege gelaten waardoor de vocalen iets toegankelijker zijn voor de gemiddelde liefhebber van zwart metaal. Hoewel geclaimd wordt dat zijn muziek een medieval kantje zou hebben, hoor ik hier echter bitter weinig van terug of het moeten de akoestische gitaartonen zijn die hier en daar over het album verspreid de kop opsteken. Wat we wel voorgeschoteld krijgen is een uiterst melodieus werk dat fameus blaast ende knalt, en waarvan de productie (die Ardraos ook zelf onder handen nam) absoluut top klinkt. Geen lo-fi toestanden hier, maar een zeer helder gitaartapijt waar de raggende blastbeats en dubbele bassen hun weg doorheen vinden zonder alles te overstemmen. De bas is niet steeds even hoorbaar, maar die volgt dan ook gewoon de drumpatronen en tja, die zijn nu eenmaal belangrijker hier. Iets meer variatie in het tempo had gemogen, maar voor een keer val ik er niet over: Ardraos weet een grimmige, ruwe sfeer neer te poten en doet dit met verve.

CAS: 84/100

Sühnopfer – Hic regnant borbonii manes (Debemur Morti Productions 2019)
1. Invito Funere (Introduction)
2. Pénitences et sorcelages
3. Hic Regnant Borbonii Manes
4. La Chasse Gayère
5. Je vivroie liement
6. Dilaceratio Corporis
7. L’Hoirie de mes ancêstres

Dumal – The lesser God

Het is niet all cascadian style black metal wat de klok slaat daar aan de andere kant van de grote plas. Neem nu het uit Pennsylvania afkomstige kwartet Dumal bijvoorbeeld dat na een viertal EP’s toe is aan haar eerste langspeler “The lesser God“. Met een bandnaam ontleend aan Charles Baudelaire’s “Les fleurs du mal” en één blik op de gehoornde die op het hoesontwerp prijkt, weet je meteen ook waar de klepel hangt op gebied van tekstuele thema’s en invalshoeken: heilige huisjes worden ferm ingetrapt zoals onder andere blijkt uit “Abrahamic contagion” (“Invert – the trinity of liars / Pervert – the books that sustain them / Blaspheme – all names held there within / Desecrate – the temples built unto them / Deny – their prophet of ignorance / Tear down – the walls of paradise / Burn – all symbols of their faith / Destroy – the bloodline of Abraham“). De black metal die Dumal ons vijftig minuten lang voorschotelt, is een smeltkroes van invloeden uit de Noorse (Taake), Zweedse (Arckanum, Sacramentum), Poolse (Mgla) en Slavische scenes (Drudkh). De voorliefde voor die laatste wordt overduidelijk in het negen minuten durende “Ukrainia” waarvan de tekst ontleend is aan het werk van de Oekraïense dichter Taras Shevchenko en waarin vioolklanken een extra dosis weemoed toevoegen. Met voorsprong de meest opvallende track van de plaat. De gelaagdheid van de melodieuze riffs – indien nodig ondersteund door een subtiel keyboardlaagje –  weet mijn armhaartjes meermaals te erecteren en met de flow van de goed geschreven songs zit het meer dan snor. De instrumentale keyboardtrack “The wind demon” doet sterk aan Summoning denken en vormt een welgekomen rustpunt. Eigenlijk wist ik halverwege openingstrack “Fane of the clandestine” al dat Dumal haar zaakjes goed op orde heeft op “The lesser God“. Benieuwd wat deze band nog allemaal in haar mars heeft. Bedankt YouTube om dit Dumal op mijn muzikale pad te laten passeren!

JOKKE: 80/100

Dumal – The lesser God (Draigfflam Productions 2017)
1. Fane of the clandestine
2. Lost caverns
3. Abrahamic contagion
4. The path to the fortress is lined with statues
5. Serpents in the bramble
6. The wind demon
7. Ukrainia
8. Spring will never come