sinmara

Sinmara – Hvísl stjarnanna

Één van de albums die mij finaal het zwartmetalen genre binnensleurden was ongetwijfeld Sinmara’s meesterlijke “Aphotic womb” uit 2014, met zijn dissonant gitaarwerk en vooral experimentele en enorm catchy drumpatronen. Sinmara slaagde er ook in om vanaf het debuut een eigen sound te ontwikkelen. Een EP en split met Misþyrming later komt de langverwachte opvolger, “Hvísl stjarnanna” die eindelijk het levenslicht ziet. Eindelijk, gezien de IJslanders er precies prat op gaan hun tijd te nemen voordat een opvolger van een geniaal debuut uitkomt – de bewijzen zijn ernaar, de voorbeelden zijn legio. Sinmara behoudt de formule die barst van dissonantie, inventief slagwerk en zang die met momenten haast verstaanbaar is, maar bewandelt compositorisch gezien verder het pad dat werd ingeslagen met de “Within the weaves of infinity” EP. Grootser, melodieuzer, langer uitgerokken. De catchiness van het debuut wordt overboord gegooid en Sinmara zet meer in op het creëren van atmosfeer. Goeie zet of niet? Zoals Varg zou zeggen: let’s find out. De songs zelf zitten boordevol variatie op vlak van tempo, en hier en daar weet Sinmara ons volledig onder te dompelen in meeslepende riffs, waarvan die op het eind van “Mephitic haze” een mooi voorbeeld is en waaraan riffmachine Þórir Garðarsson ongetwijfeld aan de basis ligt. Ondanks het consistent hoge niveau van de tracks, de heldere productie (nog iets waarop de IJslandse scene prat gaat) en de lagen gitaar die ingenieus over elkaar heen worden gedrapeerd besluipt echter het gevoel dat de nummers minder op zichzelf staan dan eerder het geval was, en – helaas – soms wat onderling inwisselbaar worden. Daar waar “Aphotic womb” een geheel eigen geluid en identiteit bezit strompelt het lelijke beest dat Sinmara heet beetje bij beetje richting een meer (maar kap hier gerust een vat zout over, het gaat tenslotte nog steeds om Deathspell Omegaiaanse black metal) toegankelijke sound, en ruimt het opzwepend demonische plaats voor meer uitgesponnen melodie. Ikzelf ben grote voorstander van een evolutie in sound, maar merk dat het debuut nog meer echt als een monument binnen de IJslandse scene geldt. “Hvísl stjarnanna” is bijgevolg nog steeds een coherent, meeslepend werk, maar blijft wat in de schaduw van zijn oudere broer staan.

CAS: 85/100

Sinmara – Hvísl stjarnanna (Ván Records 2019)
1. Apparitions
2. Mephitic haze
3. The arteries of withered earth
4. Crimson stars
5. Úr kaleik martraða
6. Hvísl stjarnanna

Akrotheism – Law of seven deaths

Akrotheism is – voor ondergetekende althans – niet meteen de bekendste naam uit de boeiende Griekse black metal-scene. Met haar nieuwe tweede langspeler “Law of seven deaths” zal daar ongetwijfeld verandering in komen want de Grieken – waarvan een deel een gemeenschappelijk verleden in de band Astral Aeon deelt – trakteren ons op een klein uur aan verstikkende occulte black gericht op de ongecontroleerde bevrijding van onderbewuste energieën. De ietwat vreemde mix van Stephen Lockhart en zijn Emissary Studio (o.a. Sinmara, Rebirth Of Nefast en Svartidauði) is even wennen want deze klinkt vrij dof en zompig maar past uiteindelijk wel bij het beklemmende sfeertje dat opgewekt wordt. Zanger Aeon perst de meest uiteenlopende keelgeluiden uit zijn strot gaande van getormenteerde screams over mysterieus gefluister tot sacrale gezangen en proclamerende vocalen. Aeon wordt voor de koorzang bij momenten ook bijgestaan door Acherontas V. Priest die wel meer bijklust als gastzanger. Er vallen in de magnifieke opener “Typhonian serpents” raakvlakken te noteren met een Akhlys, Bestia Arcana of Nightbringer en ook later duiken diens snerpende invloeden nog op. Maar evengoed horen we Blut Aus Nord-dissonantie in deze onheilspellende black terug. Het aanvankelijk op doomtempo startende maar nadien openbarstende “Manifesting tartarus” weet zich vanaf de eerste luisterbeurt in ons geheugen te nestelen en bleef daar nog enkele dagen rondspoken. “Desmotropia” sleept zich tergend traag voort maar haar tentakels kronkelen zich gaandeweg rond je lichaam en houden je een kleine tien minuten lang in een wurggreep vast. “Virtue of Satyr” start met een spoken word afkomstig uit de film “Caligula” en neigt – net zoals het artwork – opnieuw naar de eerder aangehaalde bands van Naas Alcameth hoewel er ook ruimte is voor melodieuze leads en groots klinkende zangpartijen. “Oracle mass” doet dienst als instrumentaal intermezzo en bulkt van de occulte ritualistische klanken. Het twaalf minuten durende “Skeptomorphes (The origin of I)” is allesbehalve een hapklare brok black metal waar je je nog tientallen keren mee kan vermaken om je tanden in te zetten en volledig te doorgronden. Subliem nummer! Ook hekkensluiter “En” heeft heel wat te bieden, maar dan zonder het gekende black metal-instrumentarium in te zetten. Ur Nahath leeft zich hier uit middels rituele percussie, mythische oerwoudgeluiden, bevreemdende ambient en naargeestige tribal-zang. Het voelt aan alsof we in een koperen ketel op het pruttelend vuur bij één of andere koppensnellersstam aanbeland zijn en langzamerhand het bewustzijn verliezen terwijl we gaar gekookt worden. Kortom, “Law of seven death” laat de typische Helleense sound achterwege en mixt het beste van USBM en de dissonantie aanbiddende IJslandse scene in een abstracte, angstaanjagende en hypnotiserende plaat die onder je vel kruipt, alle positiviteit uit je lichaam zuigt en een dissociatieve staat opwekt. Zo horen we het graag!

JOKKE: 88/100

Akrotheism – Law of seven deaths (Osmose Productions 2019)
1. Typhonian serpents
2. Manifesting tartarus
3. Desmotropia
4. Virtue of Satyr
5. Oracle mass
6. Skeptomorphes (The origin of I)
7. En

Örmagna – Örmagna

De IJslandse geisers blijven maar nieuwe bands uitspuwen. Örmagna is er zo ééntje en hoewel de IJslandse scene om haar incestueuze praktijken gekend staat – er leven nu eenmaal slechts 330.000 mensen op het mysterieuze eiland waardoor het aantal black metal-muzikanten dus wel beperkt is – is er slechts één bandlid dat aan een andere band gelinkt kan worden en dat is zanger Örlygur Sigurðarson die we ook kennen van Naðra en Mannveira. Nadat de omineuze intro van hun gelijknamige debuut is weggeëbd, herkennen we de schuurpapieren strot van Örlygur meteen. Hoewel hij duidelijk niet de beste zangtechniek bezit, maakt hij dat goed middels een extra dosis passie, emotie en inleving. De black van het vijftal klinkt gestript en gezwind en komt erg ruw maar krachtig over dankzij de geslaagde mastering door Misþyrming’s Dagur Gonzales. Verwacht van begin tot einde echter geen dissonant feestje genre Svartidauði of een Sinmara tremolo- en blastfestijn want de black van Örmagna lijkt eerder een post-hardcore insteek te hebben wat bijvoorbeeld duidelijk hoorbaar is in het drumpatroon en de gitaarmelodie (inclusief atonaal riffje) in het titelnummer. De tien minuten durende epische afsluiter “Dansar saurs og saurlífis” bevat dan weer cleane zang en bakken meeneuriebare melodieën, zonder echter het rauwe randje uit het oog te verliezen. Als luistertip beveel ik “Náladoði” aan, een meer uptempo song vol tempowisselingen. Örmagna bewijst op haar debuut een veelbelovende nieuwe IJslandse kracht te zijn. Deze release is tevens één van de beste Signal Rex-uitgaven tot op heden.

JOKKE: 81/100

Örmagna – Örmagna (Signal Rex 2019)
1. Intro
2. Háskinn í Seljunum
3. Náladoði
4. Örmagna
5. 3 ár í dýflissu
6. Með lögum skal land brjóta
7. Dansar saurs og saurlífis

Svartidauði – Revelations of the red sword

De IJslandse black metalscene wordt al enkele jaren alom geprezen, en terecht! Wat de kleine incest-scene de laatste jaren ten berde bracht was dan ook niet van de poes: Misþyrming schopte het onder andere al tot artist in residence op het befaamde Roadburn festival, Carpe Noctem bracht laatst een tweede langspeler uit, ook Sinmara is een nieuwe brok zwartgalligheid vorm aan het geven en dan heb ik het nog niet over de vele escapades van Wormlust-genie H.V. Lyngdal gehad. Deze ganse lichting jonge wolven was er echter niet geweest zonder dé IJslandse plaat: het uit 2012 afkomstige “Flesh cathedral” van de hand van Svartidauði. “Flesh cathedral” was het ultieme startschot voor de IJslanders om ook de rest van de aardkloot te veroveren: één brok dissonante blasfemie die nog steeds wekelijks enkele keren door de speakers knalt, een album dat ik na al die tijd niet beu lijk te kunnen worden. Noem me gerust een fanboy, maar er is een reden dat het artwork van deze plaat op mijn trve kvlt leather battlejacket ov hell prijkt. Tijd voor de opvolger dan! Na enkele sterke EP’s (die mijn honger toch niet helemaal wisten te stillen) presenteert de groep ons een nieuwe langspeler die de titel “Revelations of the red sword” meekreeg. In plaats van 4 nummers die elk meer dan 10 minuten in beslag nemen hanteren de heren hier een iets meer rechttoe-rechtaan formule. De gemiddelde speelduur van de nummers wordt (drastisch) ingekort wat de songs een stuk compacter maakt. Minder repetitiviteit dus, met als gevolg dat Svartidauði een grote drie kwartier genadeloos op je trommelvliezen inbeukt. Sturla Viðar krijst opnieuw vakkundig de ganse wereld naar de verdoemenis met zijn diepe, rauwe en bijzonder sinister aandoende kreten terwijl Þórir Garðarsson laag na laag gitaarwerk over elkaar heen drapeert en zich tot de absolute meester van de dissonantie kroont. Al bij opener “Sol ascending” keert de band terug naar de verstikkende maar zeer heldere sound waarmee we kennis maakten op het debuut – pietje precies Stephen Lockart kweet zich zoals vanouds weer perfect van zijn taak. De échte kracht van Svartidauði schuilt echter nog steeds in het uiterst gevarieerde drumwerk van Magnús Skúlason. Waar zijn prestaties op “Flesh cathedral” al getuigden van heel wat vernuft, dan overtrof hij zichzelf meesterlijk. Rammen en beuken kan de man als geen ander, maar weinig drummers slagen erin zo’n subtiele en met momenten jazzy accenten te leggen. “Revelations of the red sword” trekt meteen hard van leer waarbij hypnotiserende riffs ons om de oren vliegen, zoals het geval is in “Burning worlds of excrement”. Probeer die melodie maar eens uit je kop te krijgen. Ongeveer halfweg creëert “Wolves of a red sun” wat meer ademruimte met meer nadruk op melodie en minder op agressie. “Reveries of conflagration” en “Aureum lux”, meteen de twee langste nummers van de plaat, keren wat terug naar de composities van het debuut: de IJslanders nemen meer tijd en ruimte om spanningsbogen te creëren, climaxen op te bouwen om dan – uiteraard – fel van zich af te bijten, waarbij de repetitiviteit die “Flesh cathedral” kenmerkte terug even om het hoekje komt piepen. Ondanks de iets aangepaste formule is “Revelations of the red sword” een op en top Svartidauði album en bewijst de band opnieuw heer en meester te zijn op gebied van dissonante black metal. De rode draad die het debuutalbum zo samenhangend maakte is hier iets minder opvallend, maar niettemin leveren de spilfiguren van de IJslandse scene weer een bijzonder sterk album af. Het lange wachten op plaat nummer twee wordt hen terstond vergeven!

CAS: 92/100

Svartidauði – Revelations of the red sword (Ván Records 2018)
1. Sol ascending
2. Burning worlds of excrement
3. The howling cynocephali
4. Wolves of a red sun
5. Reveries of conflagration
6. Aureum lux

Mortuus Umbra – Omnipraesent

Israël is een land dat we heden ten dage overal in het nieuws zien verschijnen, maar van waar amper muzikale nieuwigheden lijken te komen (of het moet het afgrijselijke Orphaned Land zijn). Deze week komt daar echter verandering in middels “Omnipraesent”, de tweede EP van het orthodoxe black metalcollectief Mortuus Umbra. Samen met voorganger “Catechism” heeft de band nu een goed halfuur muziek op haar naam staan: de nieuwe telg biedt ons ongeveer 10 minuten kwalitatieve black metal, terwijl de eerste worp ons het dubbele voorschotelde. De ietwat beperkte speelduur van beide EP’s neemt echter niet weg dat er steeds kwaliteit te bespeuren valt. “Omnipraesent” bestaat uit twee songs, waarvan “Void I – Transmutation of the void” sterke paralellen met het IJslandse Sinmara vertoont. Het gaat hier voornamelijk om een traag, slepend werk dat hier en daar door iets meer mid-tempostukken wordt doorbroken, maar gevaarlijk wordt het nergens écht. Wel is er sprake van inventief drumgeroffel en diepe vocalen die meer ‘roepend’ overkomen dan dat er effectief gegrunt wordt (wat me dan weer doet denken aan het Duitse Dysangelium). Nummer twee, “Void II – Burning fire of ecstasy”, moet het meer hebben van sound die in dezelfde laan ligt als (het eveneens IJslandse) Carpe Noctem. Hier trekt Mortuus Umbra voor het eerst alle registers open en ligt het tempo een pak hoger, doorweven van dissonante leadlijntjes en zelfs enkele bezwerende koorzangen. Al bij al is “Void II – Burning fire of ecstasy” veel gevarieerder dan de soms wat eentonige track die eraan voorafging, en houden die laatste vier minuten de aandacht veel steviger in haar greep. Alsof de paralellen in sound met de IJslandse grootmeesters nog niet genoeg waren, wordt de vinylversie van dit kleinood verzorgd door Oration, het label van Stephen Lockhart (Rebirth of Nefast). Ondanks de weinig inventieve sound biedt “Omnipraesent” ons een leuk tussendoortje in afwachting van de full length die er hopelijk zit aan te komen.

CAS: 80/100

Mortuus Umbra – Omnipraesent (independent)
1. Void I – Transmutation of the void
2. Void II – Burning fire of extacy

Vonlaus – Vonlaus

IJsland op je paspoort hebben staan als black metal muzikant, geldt dezer dagen bijna als een Beschermde Geografische Aanduiding die een kwaliteitsproduct aan een specifieke regio van oorsprong linkt. De nieuwe bands blijven maar uit de donkerste krochten van het geïsoleerde eiland naar boven kruipen. Natuurlijk kunnen niet alle nieuwkomers meteen de status van een Sinmara, Misþyrming of Svartidauði bereiken. Zo ook Vonlaus waarover – behalve het land van herkomst – niets gekend is. De eerste drie tracks die met de mensheid gedeeld worden, en binnenkort door Vánagandr en Mystískaos op cassette uitgebracht zullen worden, laten ruwe black metal horen waarbij een voorname rol is weggelegd voor een snerpende lead gitaar. Hierdoor kan de band als het kleine broertje van Naðra gelabeld worden. “Vistaránauð ” is mid-tempo en slepend van opzet, “Mein” bevat een zekere rock-vibe en ook in “Í blindbyl ótta og haturs” stijgt het tempo niet zienderogen tot aan de derde minuut, maar krijgen we wel pakkende riffs en melodieën te horen. De zanger weet met zijn veelzijdige keelklanken in elk geval wel al voldoende te imponeren en ook de productie waarin alle instrumenten duidelijk hoorbaar zijn, is een dikke plus. Vonlaus laat met haar self-titled demo een goede eerste indruk na, die veelbelovend klinkt voor de toekomst.

JOKKE: 75/100

Vonlaus – Vonlaus (Vánagandr & Mystískaos 2018)
1. Vistaránauð
2. Mein
3. Í blindbyl ótta og haturs

Óreiða – Demó II

IJslandse black metal bands…ze waren legio in 2016 en 2017. En met nieuw werk in de pijplijn van o.a. Sinmara, Svartidauði en Misþyrming zal er volgend jaar ook een zwaar offensief ingezet worden uit het geïsoleerde land. Eén van de acts die momenteel nog vanuit de allerdiepste krochten van de IJslandse undergroundscene opereert is het anonieme gezelschap Óreiða; tevens een label waaraan ook andere duistere spelers zoals Ónefnt, Grimmd, Skjálfti en Bömmer verbonden zijn. Óreiða heeft al een eerste demo en een split op haar naam staan en laat nu een tweede demo op de mensheid los (voorlopig nog in eigen beheer maar Signal Rex zal zich hoogstwaarschijnlijk wel over de fysieke release ontfermen). “Demó II” bevat slechts één song, maar die klokt wel op net geen twintig minuten af. Op zich is de rauwe, repetitieve trance die op de split met Holocausto Em Chamas gebracht werd nog steeds aanwezig in deze monsterlijke compositie, maar haar impact weet een pak minder door te dringen en daar is voornamelijk de productie debet aan. De gitaarsound is snerpender geworden waardoor de drums het erg moeilijk hebben om doorheen deze dikke bedwelmende gitaarlaag te snijden en ook naar de vocalen is het op zoek gaan met een stethoscoop. Het is waarschijnlijk de bedoeling van Óreiða om één coherente geluidsmassa te produceren waarbij alle instrumenten en zang samensmelten tot één niet aflatend geheel, maar op twintig minuten speeltijd mocht er toch wel iets meer afwisseling gebracht worden, want dit gaat al snel vervelen. Na elf minuten maakt de black metal razernij plaats voor allerlei onheilspellende ambient en noise klanken die je tot aan het einde van de track de kast opjagen. Grote teleurstelling vergeleken met het “Blindur“-nummer dat eerder dit jaar op de split-release verscheen.

JOKKE: 65/100

Óreiða – Demó II (Eigen Beheer 2018)
1. Hvað sem eftir af mér er