wederganger

Rraaumm – The eternal dance at the nucleus of time

Rraaumm…vreemde naam voor een band hoor ik u denken…en dat is het ook. De betekenis ervan dien ik jullie echter schuldig te blijven. Achter het cryptische woord gaat een Duitse black metal band schuil en daar stopt de info die ik kan meegeven zowaar al (er wordt wel gefluisterd dat hier iemand van Häxenzijrkell bij betrokken zou zijn). Oh ja, en het artwork werd verzorgd door Karmazid, een ondertussen bekende naam in het designwereldje dankzij ontwerpen voor o.a. LVTHN, Wederganger, Blaze Of Perdition, Gevurah en…Häxenzijrkell. Soit, full focus op de muziek dan maar. “The eternal dance at the nucleus of time” is Rraaumm’s eerste EP waarvan de speelduur van de vier nummers op 38 minuten afklokt (er werd in de vorm van “Out of the aeons” een extraatje toegevoegd ten opzichte van de reeds eerder verschenen cassetteuitgave). De lengte van de songs is een hint naar het black metal-segment dat we te horen krijgen: atmosferische black waarbij de nodige tijd uitgetrokken wordt om een verhaal te vertellen. Om de kippenvelfactor in de twaalf minuten durende opener “To wander beyond lunar seas” de hoogte in te jagen, worden post-rock gitaarlijnen, melodieuze solo’s, spookachtige keyboards, burzumeske repetitiviteit en verwrongen gekwelde screams ingezet. Snelheidsrecords worden er hier niet gebroken, maar dat hoeft allerminst. De mystieke aanvang van een nummer als “Spiral black vortices” doet een herinnering aan oude-Limbonic Art voorbijkomen, maar de typische bombast van deze twee Noren blijft hier achterwege. Hoewel er kosmisch aandoende trips ondernomen worden, doet Rraaumm dit op een organische manier en aan een slepend doomtempo waarin sporadisch een spoken word sample opduikt. Het titelnummer is wat meer uptempo en klinkt vrij braafjes, moesten het niet de zwaar door de mangel gehaalde vocalen zijn die toch nog voor een bibber- en beefeffect zorgen. Me omver blazen doet “The eternal dance at the nucleus of time” niet, daarvoor zijn er te weinig memorabele passages en klinkt het allemaal nog wat te vrijblijvend, maar ik ruik wel potentieel.

JOKKE: 70/100

Rraaumm – The eternal dance at the nucleus of time (Ván Records 2019)
1. To wander beyond lunar seas
2. Spiral black vortices
3. Out of the aeons
3. The eternal dance at the nucleus of time

Knoest – Dag

Het stopt écht niet bij onze noorderburen hé. 2018 was een knaljaar voor de NLBM-scene en 2019 lijkt ook weer goed op weg te zijn om voor een groot stuk gekaapt te worden door releases van bestaande en nieuwe Nederlandse spelers. Een neofiet in de scene is Knoest hoewel het trio reeds een heus palmares aan activiteiten in andere bands kan voorleggen. Drummer Mink Koops kennen we als vellenmepper van Fluisteraars, Galg, Nusquama en Solar Temple en de unieke strot van frontman Joris hoorden we in het verleden reeds schallen bij Wederganger, :Nodfyr: en Heidevolk. Op gitaar treffen we Harold aan, die reeds ervaring opdeed bij Mondvolland en Bottenkoning. Knoest is het resultaat van een mooie bromance tussen drie kerels uit Gelderland. Een gedeelde passie voor de natuur en omgeving van Nederland’s grootste provincie vormde de voedingsbodem voor hun debuutplaat. Trek- en rijtochten doorheen Gelderland in de ochtend, de middag, de avond en de nacht resulteerden in het toepasselijk getitelde “Dag“. De unieke diepe heldere vocalen van Joris trekken van meet af aan de aandacht maar staan wel iets te ver vooraan in de mix wat bij opener “De ochtend” zelfs wat storend is. De riffs die Harold uit zijn gitaar tovert schipperen tussen weids meanderende melancholische klanken en meer rechttoe rechtaan black metal riffs of rockgetinte passages. Het spanningsveld tussen de guur klinkende zwartmetalen riffs en de ietwat genrevreemde vocale aanpak levert soms mooie contrasten op die in het toegankelijke startende “De avond” wondermooi samengaan, maar honderd procent overtuigd zijn we nog niet. Daar waar de plechtstatige gezangen van Joris bij Wederganger afgewisseld werden met krijszang, blijft die aanpak hier achterwege waardoor de zang een love it or hate it ding wordt. In het bijna twaalf minuten durende “De nacht” lijken de muzikanten bij momenten bezeten te zijn door de volle maan die door de bladerhemel in de Gelderse bossen schijnt en wordt het onderste uit de kan gehaald middels energieke en overstuurde uithalen op gitaar en drum. Maar evengoed schakelt Knoest even later op een akoestische passage over. Knoest is een band die op alle vlakken het contrast in haar muzikale landschap opzoekt, gaande van kabbelende akoestische passages tot stormende zwartgeblakerde watervallen, van brede laagvlaktes tot extreme pieken en dit alles overgoten met theatrale vocalen. Interessante eerste kennismaking die je kort door de band genomen kan omschrijven als een kruisbestuiving tussen Fluisteraars (muzikaal gezien) en :Nodfyr: (vocaal gezien, hoewel Joris bij Knoest eerder klassiek theatraal dan folky klinkt) maar het niveau van beide bands vooralsnog niet haalt.

JOKKE: 70/100

Knoest – Dag (Ván Records 2019)
1. De ochtend
2. De middag
3. De avond
4. De nacht

Kwade Droes – De duivel en zijn gore oude kankermoer

Vorig jaar deed Kwade Droes ons met haar gelijknamige EP schuimbekkend watertanden naar meer van deze aanstekelijke duivelse kankerherrie. De symbiose tussen black metal en doom zoals we die horen in het zinnenprikkelende “De geile lokroep van gene zijde“, de rituele duisternis die de zeven songs uitdragen, de bezwerende psychedelica en het originele opzet van deze “De duivel en zijn gore oude kankermoer” bevestigen mijn vermoeden dat er serieuze Urfaust-inmenging is aan de muzikale zijde van deze uit de Gelderse drek opstijgende penetrante geluidsuitwasemingen. Over de bijwijlen hallucinogene kakofonie horen we veelzijdige vocale en prozaïsche vuilbekkerij die de grafstemming erin brengt. Hoor maar eens welke verscheidenheid aan schizofrene keelklanken we horen galmen in de ondergrondse krochten van “Lood om oud ijzer” dat halverwege qua riffs een heuse aderlating van het satanische bloed van een Von kent. De vocalen doen meermaals (o.a. in het krankzinnige “De Satan allerheiligst“) denken aan Mikka ten tijde van de eerste Impaled Nazarene-platen. De non-conformistische en punky attitude van sommige nummers is hier eveneens debet aan. “Drank is den duvel” horen we wel eens zeggen en het effect van gerstenat en andere gedistilleerde spiritualiën op de menselijke gemoedstoestand wordt in het orgastische, met piano en andere toeters en bellen opgeluisterde “Drankduivel” muzikaal perfect vertaald. Tijdens de aftrap van het bijzonder heavy “Misdaad loont” verkennen de doodsreutels diepere regionen en structuur is amper aanwezig in deze spastische zwartgeblakerde kneedboel. Ik kan de schadelijke muzikale uitstoot van dit zootje ongeregeld alleen maar toejuichen. De eerste langspeelplaat – ook al duurt ze maar een half uurtje – van deze vieze gore kankerdroezen is dan ook een schot in de roos!

JOKKE: 88/100

Kwade Droes – De duivel en zijn gore oude kankermoer (Ván Records 2018)
1. De teerling is geworpen
2. Lood om oud ijzer
3. De wrange boodschap
4. Drankduivel
5. Misdaad loont
6. De geile lokroep van gene zijde
7. De Satan allerheiligst

Panchrysia – Dogma

Onze landgenoten Panchrysia draaien al heel wat jaartjes mee in de Belgische black metal scene, maar tot een internationale doorbraak naar het grotere publiek is het nooit echt gekomen, hoewel hun oudere albums zeker gehoord mogen worden en het nodige potentieel in zich hadden. De vorige langspeler “Massa damnata” dateert alweer uit 2011 en eigenlijk had ik de band al lang opgegeven tot ze vorig jaar plots op de affiche van een gig met Wederganger en Djevel in de Antwerpse concertzaal Het Bos opdoken. Via Facebook werd gelost dat Panchrysia in de studio zat en enkele maanden later, ligt “Dogma” hier haar rondjes te draaien. Panchrysia is altijd al beïnvloed geweest door de grotere Noorse (lees Satyricon qua muziek) en Zweedse (lees Marduk qua vocalen) namen en die invloed kan op de nieuwe plaat ook moeilijk weggestoken worden. Het nieuwe Russische label Satanath raadt het album ook aan aan liefhebbers van Bell Witch, maat wie dat schreef had duidelijk te veel vodka gedronken, want met de tergend trage funeral doom van dit duo hebben de zwartmetalen klanken van Panchrysia toch bitter weinig te maken hoor. “Each against all” begint aanvankelijk nog tamelijk rustig in de stijl van de meest recente Satyricon platen, maar eens de vocalen invallen wordt het al gauw spannender dan wat de Noren ons tegenwoordig voorschotelen. De opener klinkt heel melodieus inclusief mooie solo en door de semi-cleane/semi-raspende zang hangt er ook een occult sfeertje over de song gedrapeerd. “Salvation” trekt de lijn van het eerste nummer grotendeels verder, maar klinkt minder geïnspireerd en kan me pas naar het einde toe bekoren. Geef me dan maar een songs als “Gilgamesh” waar een Mortuus-vibe in de vocalen van Zahrim zit, hoewel het tempo een pak lager ligt dan in de doorsnee Marduk-song. Spoken-word samples zorgen bovendien voor een moderne toets. Gelukkig wordt het gaspedaal na de melodieuze intro van “Kairos” toch even dieper ingetrapt, want anders zou de verveling wel beginnen toeslaan. Halverwege het nummer slaat de balans echter opnieuw over naar de melodieuze kant en een trager tempo en volgt een Watain-achtige melodieuze solo. Als je een nummer de titel “War with heaven” meegeeft verwacht je daadkrachtige muziek en dat is gelukkig wel het geval in deze song evenals in “Never to see the light again” dat opnieuw samples en sneller werk laat horen. Het hieronder geposte “28 steps” is lekker opzwepend en is wat mij betreft één van de beste songs van de plaat. Afsluiten doet Panchrysia met het sterke en overtuigende “Rats“, dat aanvankelijk met een jazzy intro-sample van start gaat en waarin later – bewust of onbewust – een serieuze knipoog naar Emperor wordt gegeven want enkele riffs uit de finale van het nummer lijken wel héél hard op die uit “Into the infinity of thoughts“. Ten opzichte van het ouder werk ligt het tempo duidelijk lager en heeft het venijn plaats geruimd voor de nodige melodie. Hierdoor heeft Panchrysia een gelijkaardige evolutie als een Satyricon doorgemaakt, hoewel onze landgenoten toch een stuk overtuigender uit de hoek weten te komen dan Satyr en Frost.

JOKKE: 80/100

Panchrysia – Dogma (Satanath Records 2018)
1. Each against all
2. Salvation
3. Gilgamesh
4. Kairos
5. War with heaven
6. Never to see the light again
7. 28 steps
8. Rats

:Nodfyr: – In een andere tijd

In mijn jeugdige jaren luisterde ik af en toe wel eens naar heidensmetaal à la Falkenback, Theudho of Månegarm terwijl deze stijl nu nog amper door mijn boxen knalt. Toch weten de epische klanken van nieuwe speler :Nodfyr: mij te bekoren, in de eerste plaats door de genietbare cleane zang van Joris Van Gelre, die centraal in de muziek van :Nodfyr: staat. Bij zijn andere band Wederganger zorgen zijn plechtstatige vocalen voor afwisseling met de vettige screams van zijn kompaan Botmuyl, maar hier staat de man solo in de schijnwerpers. De muziek van :Nodfyr: heeft niet veel met black metal te maken en neigt eerder naar Joris’ ex-band Heidevolk, maar dan zonder de overdreven folk-elementen en het opzwepende, irritante huppelend karakter van diens muziek. :Nodfyr: klinkt serener en volwassener. De Nederlandstalige zang wordt gedrapeerd over mid-tempo metal die geïnfuseerd is met viool- en pianoklanken en middels de gitaarsolo in “In een andere tijd” een heavy metal toets kent. Gitarist Mark kwint en keyboardspeler Jasper Strik (beiden van de band Alvenrad) zorgen voor epische achtergrondkoorzang, maar het is toch vooral Joris die alle aandacht naar zich toezingt. Inspiratie haalt de band uit de folklore, mythologie en natuur van geboortestreek Gelderland. De bandnaam verwijst naar de Germaanse heidense manier van vuur maken zoals die vermeld wordt in de uit de achtste eeuw stammende “Indiculus superstitionum et paganiarum” en is daarmee één van de oudste proto-Nederlandstalige woorden. Ik kan dit :Nodfyr: wel smaken en de interesse is gewekt naar meer materiaal van deze Nederlanders.

JOKKE: 81/100

:Nodfyr: – In een andere tijd (Ván Records 2017)
1. In een andere tijd
2. Ode aan de IJssel

Laster – Ons vrije fatum

Bandleden die hun tronie achter maskers verbergen; het is geen nieuwigheid in de metal scene. Er zijn de mainstream voorbeelden zoals Slipknot en Ghost, maar ook in de underground kiezen bands als Pénitence Onirique, Terra Tenebrosa of Laster voor deze modus operandi. De identiteit van de bandleden is van ondergeschikt belang: let the music do the talking!…maar het draagt natuurlijk ook bij aan de visuele presentatie van je band. Zeker in het geval van het uit Utrecht afkomstige Laster, zonder twijfel de meest arty farty black metal band van de Lage Landen inclusief slim fit jeans, puntschoenen en maskers die wel wat weghebben van Jigsaw uit de Saw-films. Na een demo, een eerste langspeler (“De verste verte is hier“) en een split met Wederganger, is het met “Ons vrije fatum” tijd voor album nummer twee. Laster laat meer dan eens geen black volgens het boekje horen en met hun eigenwijze visie op het genre, zullen ze enkel de meer open geesten kunnen bekoren. De nummers zijn nog steeds lang uitgesponnen maar zijn weldoordacht qua dynamiek en spanningsbogen en bevatten als basis atmosferische black metal met akkoordenschema’s die regelmatig een Drudkhiaanse invalshoek verraden. Daarover wordt een progressief sausje gegoten, dat spijtig genoeg niet altijd even lekker smaakt, grotendeels omwille van de productie die niet altijd even goed uitpakt. Zo staan het geplingelplangel aan het einde van het titelnummer en de synths in “De roes na” véél te luid in de mix evenals de gortdroge screams. Naarmate het album vordert, treedt gewenning op aan de sound en valt het beter mee. De sax-klanken in “Helemaal naar huis” weten me dan wél weer van hun meerwaarde te overtuigen. Vele songs zijn voorzien van cleane vocalen die op een old school Enslaved- of Ulver-manier gebracht worden en die liggen me een pak beter dan de raspende vocalen die niet altijd passen bij de (ingetogen) melancholie die de instrumenten produceren. Het label spreekt van obscure dansmuziek en dat wordt met “Bitterzoet” duidelijk: cleane gitaren, een Agalloch-feel en een dansbaar ritme brengen de heupen lichtjes in beweging. In “De tijd vóór” komen er zelfs heuse experimentele beats aan te pas, maar deze vallen wat uit de toon met de rest van het album. In de teksten is zoals steeds erg veel werk gestoken en de korte verhalen lezen dan ook als pure poëzie of wat dacht je van volgende zinsnede uit “Helemaal naar huis“: “”Geluk of rampspoed wil ik wagen”, is wat destijds tot mij trad. Hoog tijd om dat weer uit de kast te halen. Af te stoffen. Te bekijken. Man, ik had allang in bed gelegen, als mijn fiets niet was gejat!“. Ik bewierook bands zoals Laster die van de platgetreden paden durven af te wijken maar “Ons vrije fatum” weet toch nog niet over de gehele lijn te overtuigen. Tijd brengt raad evenals een fiks aantal extra luisterbeurten om dit album volledig naar waarde te kunnen schatten.

JOKKE: 77/100

Laster – Ons vrije fatum (Dunkelheit Produktionen 2017)
1. Ons vrije fatum
2. Binnenstebuiten
3. Bitterzoet
4. Helemaal naar huis
5. De tijd vóór
6. De roes na
7. Er wordt op mij gewacht

Fluisteraars – Luwte

Wij Belgen veralgemenen onze kijk op onze Noorderburen soms als zijnde lange, jolige, luidruchtige fransen die met veel bombarie polonaises dansen op foute schlagermuziek. Gelukkig gaat die regel niet voor elke Hollander op. Het Gelderse trio dat opereert onder de naam Fluisteraars is het levende bewijs van het feit dat er ook Nederlanders bestaan die veel intelligenter, weemoediger en serieuzer in het leven staan. Bijna simultaan met hun streekgenoten Wederganger, brengen ze vers plaatwerk uit. Zowel de band- als albumnaam suggereren termen als “stilte” of “rust” en hebben een link met “wind”, maar verwacht nu geen ambient of postrock want het collectief speelt naar eigen zeggen “windswept black metal”. Toch doet Fluisteraars geen nieuwe wind door black metal land waaien. Is dat erg? Bijlange niet! De vier hymnen op “Luwte” spelen leentjebuur bij heidense acts als Agalloch en Fen, maar vooral de invloed van het Oekraïense Drudkh is duidelijk hoorbaar. Net zoals Roman Saenko en zijn kompanen grossiert Fluisteraars in lang uitgesponnen weidse zwartmetalen klanken met een donkergrauwe doch epische toets. De atmosferische black metal krijgt tevens de nodige tijd om zich gestaag te ontwikkelen van een luchtig briesje, over snedige instrumentale straalstromen tot heuse wervelwinden wanneer de screams de Nederlandse teksten uitblazen en de blastbeats de donderwolken doorklieven. Absoluut hoogtepunt is de song “Stille wateren” die een kwartier van je kostbare tijd vraagt en zich middels repetitieve gitaarriffs in je hersenpan nestelt. Na een tweetal minuten, duikt uit de diepe gronden een geselende riff van snarenplukker Mink Koops op die op het betere Taake plaatwerk niet zou misstaan. Rond de zes minuten grens krijgen we weer op-en-top sfeervol Drudkhiaans gitaarwerk te horen totdat de song langzaam uitsterft via samples van een stromend beekje en donkere soundscape-achtige drones. Ook in “Alles dat niets omvat” wordt rijkelijk uit het erfgoed van de Noorse jaren negentig black geput. Spijtig dat de wind na een kleine drie kwartier reeds gaat liggen, want dit smaakt absoluut naar meer! Ondanks de duidelijke invloeden een erg knappe plaat waarmee ik nog vele uurtjes zoet zal zijn. Snel dat debuut “Dromers” ook maar eens opsnorren dus.

JOKKE: 80/100

Fluisteraars – Luwte (Eisenwald Tonschmiede 2015)
1. De laatste verademing
2. Angstvrees
3. Stille wateren
4. Alles dat niets omvat