Vorig jaar zagen we het voor ons tot dan toe onbekende Marshes Hew live aan het werk in het voorprogramma van Conifère en Final Dose in de Antwerpse Blikfabriek. Groot was onze verbazing toen we Matthias Meersmans op drums aantroffen — een getalenteerde vellenmepper die we al kenden uit eerdere projecten. Inmiddels is hun debuut “Rustling heaving” een feit, en dus vonden we het tijd om Marshes Hew aan de tand te voelen. Op een zonnige lenteavond spraken we af in een Antwerps praatcafé, waar de praatgrage Matthias en de iets stillere Bruno Morez ons te woord stonden. Nadat Matthias eerst enkele hilarische anekdotes uit zijn eigen ervaringen als interviewer oprakelde, konden we van start gaan. (JOKKE) 

(c) Jan Morez

Jullie spelen al samen sinds jullie tienerjaren. Wat begrijpen jullie vandaag muzikaal van elkaar dat jullie toen nog totaal niet zagen?
Bruno: Matthias geeft veel input op de riffs die ik schrijf, zowel qua volgorde als qua basisdrumpatronen die ik er zelf bij hoor. Hij luistert echt vanuit een drummerperspectief en komt daardoor soms met structuren waar ik zelf nooit aan zou denken, maar die wel werken.

In onze vroege bands Bloodfest en Nimmerland lagen de nummers vaak al vast vóór we aan drums begonnen. Er was minder ruimte voor overleg. Bij Codasync begonnen we meer te jammen en ontstond er vanzelf meer wisselwerking.

Kort gezegd: Matthias hoort dingen die ik niet hoor.

Matthias: Hoewel ik drummer ben, vertrek ik eigenlijk vanuit het perspectief van een luisteraar. Zeker in instrumentale metal zijn riffs cruciaal. Veel gitaristen houden hun riffs dicht bij zich, maar Bruno niet. Hij geeft me vaak een hele reeks ideeën waar ik vrij mee aan de slag kan.

Je hoort een riff maar één keer voor het eerst, en dan ga ik heel instinctief te werk: wat wil ik hier zelf horen? Vrij snel voel ik waar een riff thuishoort — begin, midden of einde — en zo valt alles als een puzzel in elkaar. Van daaruit bouw ik verder met drums om het narratief te versterken.

De basisstructuur ontstaat snel, maar de nummers rijpen daarna nog lang.

Jullie schrijven duidelijk snel en intuïtief, maar de muziek klinkt tegelijk doordacht. Waar ligt de grens tussen instinct en compositie?
Matthias: Ik arrangeer de nummers inderdaad op een instinctieve manier, door er niet te lang over na te denken. We hebben een heel evenwichtige samenwerking, doordat ik structuren hoor die Bruno niet ziet, terwijl hij dan weer riffs schrijft die ik zelf niet kan bedenken.

Tijdens een eerste repetitie schaven we de structuren en drumpatronen verder bij. Op basis van een eerste low-quality Zoom-opname horen we nadien waar we nog veranderingen moeten aanbrengen. Door de nummers vervolgens maandenlang te spelen, worden ze volwassen en vallen ze vanzelf in hun plooi. In het begin speel je een nummer, maar na een tijd speel je mét een nummer.

Op een bepaald moment is Bruno wegens tinnitus moeten stoppen met Codasync en is hij vervolgens enkele jaren in Noorwegen gaan wonen. Jullie hebben dus een lange periode niet samen gespeeld. Toen hij terug naar België kwam, contacteerde hij jou en stelde hij voor om opnieuw samen te komen en blackmetalcovers te spelen. Welke nummers passeerden er zoal?
Matthias: Voor 90% van Darkthrone (lacht). Al ten tijde van onze allereerste repetities waren wij de twee die het meest bezig waren met het luisteren naar platen en het ontleden van nummers. Bruno was toen ook degene die tijdens repetities al vroeg of ik bijvoorbeeld “The darkness that embrace me” van Immortal kon spelen. Onze eerste uitvoering klonk soms al redelijk goed.

Ik herinner me dat Bruno toen wel eens zei dat het pijnlijk was dat we sommige covers beter konden spelen dan onze eigen nummers (lacht). We speelden ook enkele minder virtuoze songs van Mayhem, maar daar hadden we destijds te weinig tijd voor, omdat we ons wilden focussen op ons eigen materiaal.

We hadden wel altijd het idee om ons daar ooit beter op toe te leggen, en dat hebben we uiteindelijk gedaan toen Bruno opnieuw contact opnam. Doordat we allebei meer dan tien jaar geen metal meer hadden gespeeld, waren die covers de ideale manier om bepaalde technieken weer onder de knie te krijgen.

Voelt Marshes Hew, na zoveel verschillende projecten (black metal met Nimmerland, progressieve rock met Codasync, ‘thrash dub’ met Grovgast) als een culminatie of eerder als een reset aan?
Matthias: Beide voor mij. Marshes Hew voelt als een logische, volwassen reprise van iets dat we vroeger hebben gedaan. Toen Bruno’s vader “Rattlemarks” hoorde, maakte hij de opmerking dat het hem deed denken aan onze eerste demo’s uit 2001. Dat is niet zo’n gekke opmerking, omdat onze nummers destijds ook vaak vanuit Bruno’s riffs ontstonden.

Nadien zijn we met andere genres aan de slag gegaan die waarschijnlijk ook hun sporen hebben nagelaten. Marshes Hew is een betere en meer mature versie van wat we vroeger als metalband deden. De sfeer is anders, maar er zijn ook veel dingen die op een goede manier hetzelfde zijn.

In hoeverre zit er bewust of onbewust nog iets van jullie vroegere bands in deze nieuwe muziek?
Bruno: Ik heb alle muzikale ervaring uit onze niet-metalbands op de een of andere manier meegenomen. Als tieners moesten onze nummers vaak zo snel en hard mogelijk rechtdoor gaan, terwijl onze songs nu wat melodieuzer en gebalanceerder klinken.

Matthias: In onze songstructuren zitten natuurlijk nog heel wat invloeden uit de progressieve rock van onze latere projecten. We volgen, net als Satyricon, Opeth of Carcass, geen welbepaalde songstramienen of popstructuren. Dat komt ook vanzelf, omdat dat nu eenmaal in ons zit.

Heeft de periode waarin jullie niet samen speelden iets essentieel veranderd aan hoe jullie nu muziek maken?
Matthias: Ons muzikaal traject loopt vrij gelijk. We luisterden beiden op jonge leeftijd naar bands uit de jaren ’60 en ’70. De losse en organische vibe uit deze periode – “het mag menselijk zijn en hoeft niet perfect te klinken” – is voor ons heel belangrijk. We willen dat spontane er dan ook sterk in houden, zeker in deze tijden waarin metalmuziek vaak erg strak getriggerd en overgeproduceerd is.

Toen mensen in het begin vroegen hoe onze muziek klonk, zei ik vaak lachend: “seventies black metal”, wat natuurlijk niet kan. Enerzijds zit er die donkere, rauwe vibe van Aura Noir of Darkthrone in, maar anderzijds zit er onderhuids ook de rekbare ‘swagger’ van Led Zeppelin of Black Sabbath in, zonder ons met een van die bands te willen vergelijken (lacht).

Toen onze plaat opgenomen was, zei Bruno met een knipoog dat ze klonk als “Deserted cities of the grave”, als een soort persiflage op Cream.

Jullie kiezen heel bewust voor één gitaartrack zonder overdubs. De plaat werd bovendien live opgenomen in amper zes uur. Wat verlies je bewust door niet te perfectioneren en wat win je juist?
Matthias: Ook dat was deels geïnspireerd door Black Sabbath. Net als hen namen we onze eerste plaat in één dag op, en het grappige is dat dat ook nog eens toevallig op dezelfde dag van het jaar gebeurde (lacht).

Ik weet niet of we dat bij elke plaat zullen doen, maar het geeft wel een zekere losheid aan nummers die verder heel bewust geschreven en gearrangeerd zijn, en die we heel minutieus spelen.

Is er dan nog ruimte voor fouten of imperfecties?
Matthias: Ik hoor er niet anders dan imperfecties in (lacht). Bruno kan dat beter loslaten doordat hij jarenlang niet in een studio heeft gezeten, terwijl ik met Grovgast een periode van ongelofelijk veel mierengeneuk heb meegemaakt. Ik ben wel heel bewust aan het leren om dat los te laten. Een plaat op één dag opnemen en het daarbij laten was dan ook een behoorlijke uitdaging voor mij.

Bruno: Het korte opnameproces werkte voor mij, ondanks de beperkingen die dat met zich meebrengt, op een bepaalde manier bevrijdend, omdat je weet dat het resultaat is wat het is. Tegenwoordig is het heel gemakkelijk om je na de opnames te verliezen in eindeloos gesleutel, en dat wilden we net vermijden.

Matthias: Toen Koen Heirman ons eerste nummer had afgemixt, zei hij dat de plaat af was aangezien alle nummers dezelfde sound hadden. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Bij Codasync en Grovgast had elk nummer een aparte sound, een unieke mix, verschillende volumes, enzovoort. Dat is nu niet het geval, wat een bevrijding (lacht).

Jullie opnameproces lijkt bijna een live-performance. Is het podium uiteindelijk de “echte” vorm van jullie muziek en krijgen de nummers de kans om live verder te leven?
Bruno: We spelen natuurlijk geen jammuziek, maar er is wel ruimte voor wat meer noise, lange bends of om sommige stukken wat losser te spelen. In tegenstelling tot vele metalbands spelen we live ook zonder clicktrack.

Matthias: Voor mij is het echt versnellen, vertragen of spelen met bepaalde stukken hét ding aan live spelen. De songs worden rekbaarder en we spelen sommige passages dan ook bewust drukker of minimalistischer. Let it fly, en dat vind ik heel tof. Zo wordt elk optreden ook een eigen ervaring en komt er wat humor en zelfrelativering in.

Live spelen we het einde van “Feral pallor” bijvoorbeeld steeds trager en trager om dan plots heel hard te versnellen — iets wat de Belgische jazzband Aka Moon ook vaak doet. Voor mij is metal een ideaal genre om live wat rek in te steken, maar dat gebeurt nog steeds relatief zelden.

Bruno: Ik zie tegenwoordig zelfs bij veel kleinere bands de rigiditeit van grote bands doorsijpelen, en dat is jammer.

Matthias: Ik speel al onze nummers gewoon ook keigraag; ik ben nog geen enkel nummer beu gespeeld. En soms kiezen we er bijvoorbeeld ook voor om tijdens een show alleen maar nummers van onze tweede plaat te spelen — die nog niet opgenomen is — gewoon omdat we daar op dat moment ongelofelijke goesting in hebben.

Rustling heaving” verscheen digitaal en op tape. Hoewel een ouderwets cassettebandje nog steeds het beste medium voor een demo is, spreken jullie zelf toch over een eerste plaat.
Matthias: De dag van vandaag maakt dat allemaal niet zo heel veel meer uit. Wij zien dit als ons eerste album. Toen we deze eerste vijf nummers hadden, voelde dit als ons eerste songbook aan. We staan zelf in voor de digitale en tape-release op ons eigen Grovgast Enterprises-label. Misschien komt er later nog een CD-uitgave.

De volgende verzameling nummers zal ons tweede album worden, ongeacht wie het uitbrengt en op welke manier het zal verschijnen.

Rattlemarks” ontstond quasi meteen en werd jullie opener. Hoe herken je zo’n moment waarop een nummer “klopt”?
Matthias: Na het afwerken van de laatste plaat van Grovgast, viel dat project een lange tijd stil. Daardoor zag Bruno dit als een goed moment om geheel onverwachts enkele lo-fi riffs door te sturen. Er leek zich een soort magic box aan riffs te openen waar ik erg van onder de indruk was (lacht).

Aangezien we het spelplezier dankzij de metalcovers weer in onze vingers hadden, werd het tijd om aan eigen nummers te werken. Op één repetitie viel ons eerste nummer “Rattlemarks” moeiteloos in elkaar en werd het ons ongeplande mission statement. Dat maakt het nummer voor ons dan ook zo speciaal.

Was Darkthrone een inspiratie om met twee bandleden te werken? Werkt het feit dat jullie maar met twee zijn en er geen zanger is eerder bevrijdend of confronterend tijdens het schrijven?
Bruno: Dit was niet gepland en daar hebben we ook geen probleem mee. We hebben natuurlijk hiervoor ook heel lang instrumentale muziek gespeeld. We merken dat de vooroordelen tegenover instrumentale muziek tegenwoordig ook wel minder zijn.

Matthias: Wij hebben nooit discussies en spelen al meer dan vijftien jaar samen. Daarnaast zijn we ook elkaars langst meegaande vrienden. We leerden elkaar rond ons vijftiende kennen en hebben een relatief gelijkaardig aanvoelen over hoe muziek moet klinken.

Ik vind de nummers soms klinken als instrumentale demo’s van Darkthrone waarop nog zang moet komen. Door er krijsvocalen op te zetten zouden jullie daardoor al snel in het blackmetalhoekje geplaatst worden terwijl jullie zelf nu eerder over instrumentale metal spreken.
Matthias: Toen “Rattlemarks” klaar was, waren we heel enthousiast en voor ons klonk dit perfect. Ook over de nummers die volgden waren we heel tevreden, zonder dat er zang op stond. We waken er natuurlijk wel over om ze narratief interessant te houden. Zonder dat we daar echt bewust over hebben nagedacht, maakt dit Marshes Hew ook unieker of meer onderscheidend.

Als we aan een zaal aankomen voor een show, wordt er soms al eens gevraagd waar de rest van de band is. Als we dan zeggen dat we met twee zijn en via een split-pedaal ook bas spelen, wordt dat in eerste instantie soms met gefronste wenkbrauwen onthaald. Nadien horen we echter vaak dat we een verrassend grootse sound hebben voor een duo. Voor ons klinken de nummers nu eenmaal altijd zo.

We zijn ook niet rigide: onze muziek kan in de toekomst nog alle kanten uitgaan. We zijn intussen ook al bezig met het schrijven van onze tweede en derde plaat. De eerste is onze meest blackmetalachtige plaat, terwijl de tweede meer death- en thrashmetalinvloeden bevat en wat complexer klinkt. De derde zal meer richting doom gaan, met tragere stukken en langere songs. Nadien kan alles nog alle kanten uitgaan.

Ook nu al mengen jullie invloeden van Noorse black metal, US death metal en Britse doom. Darkthrone’s “Ravishing grimness” haalde ik er vrij instant uit, maar welke andere bands vormen zoal een inspiratiebron voor Marshes Hew?
Matthias: Altijd gevaarlijk om te name droppen (lacht). We luisteren allebei al ruim 25 jaar naar metalmuziek, en dan sijpelen de klassiekers vanzelf wel door. Darkthrone blijft een belangrijke invloed voor ons, maar het is niet dat we ons daaraan spiegelen of zo.

Er is trouwens een verschil tussen de bands waar je het liefst naar luistert en de invloeden van bands die onbewust in je muziek naar boven komen drijven. Op die manier kunnen we Noorse bands als Satyricon, Emperor, Immortal of Mayhem wel noemen, hoewel onze muziek natuurlijk niet zo complex is als het geniale werk van Blasphemer. Maar ook meer moderne bands als Ruïm, Spirit Possession of Gaahls Wyrd mogen niet onvermeld blijven.

Qua death metal zijn er de klassieke bands als Morbid Angel, Carcass, Death of Cannibal Corpse, en ook nieuwer werk zoals Blood Incantation, Vitriol of Sanguisugabogg.

Qua doom zitten invloeden van Celtic Frost, My Dying Bride, Cathedral of Type O Negative er zeker ergens in. We luisteren allebei naar allerlei vormen van metal, en uiteraard houden we evenzeer van andere genres, zoals jazz, elektronica, progressieve rock of hiphop.

Hoe omschrijven jullie jullie muziek zelf? 
Matthias: Unconditional Forest Preservation Blews (lacht).

Beetje tongue-in-cheek wel, zoals jullie rolverdelingen die op zijn war metal’s omschreven worden als: “Ancestrally Manoeuvred Rippage Twixt The Stark Strung Wire” en “Pedestrial Hedgeslammer Battery Neath The Vast Abyssic Mire”.
Matthias: Inderdaad (lacht). En misschien een beetje far-fetched, maar ik heb een zwak voor metalbands met de nodige zelfrelativering.

Jullie vermelden “onvoorwaardelijke bosbescherming” als drijfveer. Is de natuur voor jullie eerder een inspiratiebron, een ideologie of een vorm van escapisme? Is dit een erfenis van Bruno’s jaren in Noorwegen?
Bruno: Nee, we zijn daar allebei heel actief mee bezig en zitten daarin op dezelfde lijn.

Matthias: We zijn allebei ecologisten en houden heel erg van de natuur, hoe cheesy dat ook klinkt. We halen oprecht inspiratie uit de rust en universele schoonheid van de natuur. Forest bathing is real, daar bestaat geen twijfel over. Donkere, organische, rauwe muziek die van binnenuit komt, zoals metal, is vaak sterk verbonden met de natuur.

We hebben ons de voorbije jaren ook vaak druk gemaakt over het gebrek aan groenbeheer, de overmatige bomenkap, de klimaatverandering, enzovoort.

Hoe vertaalt zich dat muzikaal, zonder tekst of expliciete boodschap? Ik ontwaar bijvoorbeeld wel dennenbomen in jullie abstracte bandlogo.
Matthias: Cool, maar dat was niet bewust. We dragen die boodschap eerder subtiel tussen de lijnen door. Ook de betekenis van onze bandnaam laten we open voor interpretatie, anders beperken we ons tot één verklaring. Door het open te laten, kunnen mensen er zelf invulling aan geven.

We kozen dus bewust voor een suggestieve bandnaam. Onze songtitels zijn ook naturalistisch, hopelijk niet te voor de hand liggend.

De titel “Rustling heaving” verwijst naar natuurlijke bewegingen. Proberen jullie muziek eerder een landschap te laten zijn of een verhaal te vertellen?
Matthias: De titel verwijst inderdaad naar de eb en vloed van de natuur: het ruisen van de bladeren bovenaan, het bewegen van de earthworks onderaan. Het luchtige, het aardse. As above, so below.

Na een show komen mensen soms zeggen dat onze muziek klinkt als een windvlaag of een waterloop — soms traag in zijn snelheid, of snel in zijn tragere stukken. Het leukste vind ik wanneer mensen het texturale in onze muziek horen.

In een scene waar veel bands sterk inzetten op imago en concept, kiezen jullie voor abstractie. Is dat een vorm van verzet?
Matthias: Dat is niet toevallig, maar ook niet super gepland. Enerzijds is er bewust het suggestieve. Anderzijds willen we ook niet meedoen aan de soms machoïstische, seksistische, homophobe of extreemrechtse bullshit in metal. We zijn een breeddenkende, progressieve en inclusieve metalband qua geest.

Wat de hoes betreft: een foto van een bos met een kader eromheen en een gotisch font eronder is altijd mooi, en ik heb er geen probleem mee dat andere bands dat doen, maar het is al zo vaak gedaan. Wij wilden dat bewust niet en kozen voor een grafisch minimalistische en tijdloze hoes. Dat is zeker geen afzetten tegen iets, gewoon een keuze om iets anders te doen.

De conceptualiteit van metal wordt soms ook nogal duur verkocht. Ik zie soms bands waarvan de visuals, thema’s en titels scherper zijn dan de muziek zelf. Daar is op zich niets mis mee, zeker als het goed gedaan is, maar wij willen dat bewust omkeren en de muziek in de eerste plaats voor zich laten spreken. Ik vind het moeilijk om eerst te blazen en dan te brengen, en ik weet dat het tegenwoordig vaak zo werkt, maar dat willen wij niet.

Jullie lieten het woord ‘inclusief’ vallen. Hoe gaan jullie om met separating the art from the artist?
Matthias: Als je bands als Marduk of Burzum op je vijftiende leert kennen, schud je dat niet zomaar even af. Ik vind “Hvis lyset tar oss” een meesterwerk, maar ideologisch staan wij zo ver mogelijk van Louis Cachet. Voor bands waar ik al 25 jaar naar luister, kan ik dat dus wel scheiden. Het is moeilijk te ontkennen dat “Jesu død” een fenomenaal nummer is, maar je zal mij nooit in een Burzum-shirt zien.

Voor nieuwe bands trek ik wel sneller een grens. Daarom zal ik ook niet snel naar hedendaagse artiesten luisteren waarvan je weet dat ze (extreem-)rechtse sympathieën hebben. De kunstenaar van de kunst proberen scheiden is niet altijd even evident. Ik ben bijvoorbeeld geen fan van het feit dat James Hetfield als hobby herten gaat schieten, maar hij heeft wel “Orion” geschreven.

Bruno: Er zit ook een generatieverschil in. Een achttienjarige vandaag is in een totaal andere wereld opgegroeid dan wij, met andere media en impulsen, en kijkt gewoon anders naar dingen. Heel deze discussie kan soms wat atomiserend werken, waardoor iedereen wat op zijn eigen eiland achterblijft.

Matthias: Het is een dunne lijn, maar ik probeer er wel bewust mee bezig te zijn, zeker in deze tijd waarin alles op de spits gedreven wordt. Wij stellen ons als band alleszins zo open-minded mogelijk op.