Kludde heeft wat te vieren want er staan 25 jaar op de teller. Naar aanleiding van die mijlpaal legden we de band 25 vragen voor. Omdat de gemiddelde aandachtsspanne vandaag de dag niet meer zo groot is, hebben we het interview opgedeeld in drie delen. Dit tweede deel duikt in de meer turbulente middenjaren van Kludde, waarin muzikale richtingen botsten, de band even stilviel en uiteindelijk opnieuw werd opgebouwd. De reünie in 2014 markeerde een duidelijk keerpunt: oude ideeën kregen een nieuwe vorm, invloeden versmolten en Kludde vond stap voor stap opnieuw een eigen identiteit. (JOKKE)

Deel 1

Kludde 2005 (c) Jeroen Cunningham

Vanaf 2005 begonnen jullie te experimenteren met doom en soundscapes. Was dat een natuurlijke evolutie of eerder een bewuste breuk? Hoe bewaak je de balans tussen experiment en het behouden van een herkenbare Kludde-sound?

Cerulean: Ikzelf ben fan van doom-death metal, terwijl Snoodaert tijdens het schrijfproces van “In den vergetelheid” in een serieuze post-metalperiode zat. Bastaerd bracht dan weer een black ’n roll-invloed binnen in de band. Veel van wat je hoort, is het resultaat van die kruisbestuiving, terwijl black metal wel nog steeds de basis bleef, omdat dat de ‘common ground’ was tussen ons allemaal.

De helft van de muziek op dat album was al geschreven toen ik erbij kwam, maar ik kreeg de vrijheid om mijn eigen muzikale invloed erop los te laten. Tot een echte stijlbreuk is het volgens mij nooit gekomen, maar het is wel duidelijk dat Kludde rond die periode een nieuw tijdperk inging. ‘Nieuw’ betekent natuurlijk niet voor iedereen ‘beter’. Zo waren er hier en daar toch mensen die het jammer vonden dat we de lijn van de begindagen niet verder trokken. Maar dat heb je altijd wanneer een band evolueert. Voor ons voelde het alleszins natuurlijk en ongeforceerd aan. Later bleek ook dat wij niet het type band zijn dat graag stilstaat: elke release is eigenlijk een momentopname van wat op dat moment onze invloeden waren, zonder dat we onszelf ooit echt beperkingen hebben opgelegd.

Snoodaert: 2005 was een groot keerpunt voor Kludde. Zowel Uglúk als ikzelf waren op dat moment “done” met black metal. Drummer Ketter had de band verlaten en hoewel we genoeg nummers hadden voor een full album, besloten we een punt te zetten achter Kludde. In die periode ontdekte ik bands zoals Isis, Amenra en Neurosis, wat een compleet nieuwe muzikale wereld voor mij opende.

Toen ik Bastaerd leerde kennen, besloten we iets nieuws binnen dat genre te proberen. Ik herinner me dat we op een bepaald moment in een sloot zaten en hij me vroeg of er geen riffs of leftovers van Kludde waren die we konden gebruiken. En toen viel het kwartje: laten we Isis combineren met Armagedda. Uglúk was meteen mee met dat idee en zo besloten we verder te gaan als Kludde.

We werkten vervolgens met een sessiedrummer en speelden zelfs één show op 06/06/06 in de Negasonic in Aalst. Kort daarna kwam Cerulean erbij en vonden we een vaste drummer in Stef. Cerulean zei terecht dat er niet echt een harde stijlbreuk was, omdat veel nummers en ideeën al jaren oud waren. Tracks zoals “Branden in d’helle”, “Zout der mistroost” en “Kludde III” waren al geschreven ten tijde van de split met Wanhoop en hebben we zelfs nog live gespeeld met Ketter.

Zowel Stef als Cerulean kwamen er later bij omdat ze black metal wilden spelen en onze oude stijl goed vonden, dus hebben we die nummers ook meegenomen. Ik zelf wou op dat moment eigenlijk nog een stap verder gaan: minder black metal, meer soundscapes en sludge. “In den vergetelheid” was voor mij dan ook eerder een overgangsalbum naar iets dat zich uiteindelijk nooit volledig heeft ontplooid.

Kludde 2007 (c) Sandra De Bruyne

Basstaerd: Het is eigenlijk jammer dat we dat experiment, net voor we de stekker er even uittrokken, niet verder hebben uitgewerkt. Ik ben nog altijd benieuwd hoe het vandaag zou geklonken hebben.

Ik herinner me een bepaalde busreis naar Hof Ter Lo nog levendig, waar Kevin moest spelen… We gingen onze sessiedrummer Kevin een hart onder de riem steken. Vanuit zijn hometown was er een bus ingelegd om fans naar het concert te brengen. Die kerel speelde in een hardcoreband, maar was eigenlijk een jazzdrummer — een geweldig talent.

Zijn bandmates waren wat opgefokt omdat ze bang waren dat we hun enige muzikant gingen “afpakken”. Ze probeerden zich wat voor te doen als Harley Flanagan van de Cro-Mags, maar in tegenstelling tot diens présence was het eerder een wat lachwekkende vertoning.

Snoodaert en ik stapten uiteindelijk toch die bus op richting Antwerpen, midden in het hol van de leeuw. Naarmate de avond vorderde en de sfeer steeg, werden ook de plannen groter. We hebben toen vanuit de zaal enthousiast naar Uglúk gebeld om te zeggen dat we verder gingen als volwaardige band, en die experimentele richting wat uit de doeken gedaan.

Laat ons zeggen dat we bewust aan het zoeken waren naar iets nieuws, maar dat het zoals zo vaak daarna in een natuurlijke flow is terechtgekomen — en dat de trein opnieuw vertrok. Of in dit geval: de bus.

Het debuut “In den vergetelheid” (2008) laat een meer volwassen band horen, hoewel de mystiek van de begindagen er misschien wat uit is. Wat hebben jullie toen geleerd dat jullie daarvoor nog niet wisten?

Snoodaert: Dat snelheidsrecords breken niet per se de muziek beter maakt, dat we nooit technische muzikanten zouden worden, en dat een afgelikte productie ook niet echt bij ons past. En natuurlijk het belangrijkste: dat we onszelf niet moeten beperken tot één genre.

Eigenlijk hadden we op dat moment iets heel origineels in handen. Er was toen nog absoluut geen sprake van post-black metal, op een paar uitzonderingen na zoals Agalloch, Wolves in the Throne Room en Alcest, die in die periode hun eerste albums uitbrachten. Maar daar hadden wij in de jaren voor ons debuut nog nooit van gehoord.

Nu, om “In den Vergetelheid” een post-blackmetalalbum te noemen is misschien een brug te ver, maar die invloeden zaten er zeker in. In een nummer zoals “Metamorphosis” hoor je dat heel duidelijk terug.

In 2005 stonden jullie met het nummer “De paardenneukeraar” op een Lugburz-compilatie. Lugburz functioneerde in de vroege tot midden jaren 2000 als een DIY-platform voor de Belgische black metal underground. Ze waren actief als distributeur van demo’s en releases, organisator/promotor, uitgever van compilaties en hadden ook een webplatform rond de scene Hun focus lag heel duidelijk op black metal, in tegenstelling tot gelijkaardige initiatieven zoals deathmetal.be die zich meer op death metal richtten. Hoe belangrijk waren zulke underground netwerken toen voor bands als Kludde? Denk je dat zo’n collectief vandaag nog dezelfde impact zou hebben in het streamingtijdperk?

Snoodaert: Ik denk het niet. Toen ik rond 1996 begon te luisteren naar black metal, was het genre nog volledig gehuld in een soort sluier van mystiek. Althans, dat was zo voor mij als piepjonge fan. Je moest je informatie echt halen uit zines of uit de verhalen van de oudere garde.

Toen later iedereen toegang kreeg tot internet, waren initiatieven zoals Lugburz toch heel belangrijk. Er was toen nog geen MySpace, en ook geen Facebook of Instagram, dus dat was een van de eerste platforms die de scene op een overzichtelijke manier samenbracht. Je kon er lokale bands ontdekken, het laatste nieuws volgen en straffe verhalen lezen op hun forum.

Vandaag heeft iedereen zijn eigen socialmediakanalen en vind je alles met een simpele Google-zoekopdracht. Die mystiek is al lang verdwenen; alle informatie ligt gewoon voor het grijpen.

Met deathmetal.be hadden we ook een connectie. Filip van deathmetal.be brandde destijds de eerste CDR-versies van “Langs Scheld- en Denderland” voor ons en drukte het artwork af. Wij mochten dan alles zelf vouwen en in jewelcases steken. En belangrijk: er mocht zeker geen water op de cd komen, anders spoelde de inkt eraf (lacht).

Vroeger hadden we dat soort initiatieven echt nodig. Nu zoek je iets op Google en bestel je je cd’s, tapes of stickers gewoon uit landen als Portugal of Polen, voor de helft van de prijs hier, en vaak van even goede — of zelfs betere — kwaliteit.

In 2009 werd Kludde levend begraven. Was dat een noodzakelijke pauze of voelde het toen echt als het einde? En wat veranderde er in 2014 waardoor jullie besloten om terug te keren?

Cerulean: Het ironische is dat ik onze diversiteit aan stijlinvloeden als een sterkte zie, maar dat dat in 2009 eigenlijk onze tijdelijke ondergang is geworden. We slaagden er toen niet in om die stijlen te verenigen tot een coherent geheel, en doordat we letterlijk met z’n vijven in verschillende richtingen keken, werd Kludde een beetje een stuurloos schip. Het voelde op dat moment ook niet juist om onder die omstandigheden verder te doen.

In principe zijn alle invloeden welkom, zolang ze op een ongeforceerde manier deel kunnen uitmaken van de muziek. Maar in die periode geraakten we het nergens meer over eens en er sloop een soort vermoeidheid in de groep.

Toen Kludde in 2014 nieuw leven werd ingeblazen, lukte dat plots wel opnieuw, en sindsdien is dat altijd zo gebleven — misschien zelfs nog versterkt. Op vlak van composities is er zelden tot nooit onenigheid. Het gebeurt wel eens dat iemand met een idee komt dat uiteindelijk geen plaats vindt in onze muziek, maar dan gaan we gewoon verder met wat wél werkt. We hebben nooit een tekort aan riffs of ideeën om mee aan de slag te gaan.

Het was in elk geval iets wat we in 2014 zelf niet hadden zien aankomen. Aanvankelijk was het onze toenmalige drummer Sepp die met het idee kwam om enkele reünieshows te doen, en niet meer dan dat. Maar voor de rest van de groep was het eerder een alles-of-niets-verhaal, en we waren het er al snel over eens dat Kludde een nieuwe start zou krijgen. Dat ging helaas ook niet zonder vallen en opstaan, maar daarover later meer.

Het vertrek van Uglúk in 2015 lijkt een kantelpunt. Hoe moeilijk was het om daarna een nieuwe identiteit te vinden?

Cerulean: Hoewel het tot op vandaag nog altijd heel goed klikt met Uglúk, zijn wij qua persoonlijkheid complete tegenpolen. Hij was de extraverte frontman die de spotlights op het podium op een heel natuurlijke manier opeiste en het publiek kon entertainen. Dat zit totaal niet in mij, dus ik heb ook nooit de ambitie gehad om dat te willen nabootsen of overnemen.

Ik laat liever de muziek spreken. Dat voelde in het begin misschien wat onwennig, maar dat is intussen al lang veranderd in iets vertrouwds. Toch zou ik er nog altijd niet rouwig om zijn als een zanger mijn taak achter de micro zou overnemen en ik gewoon weer ‘de gitarist’ kan zijn.

Kludde 2019 (c) Heike De Nil

Met Cerulean als frontman veranderde de dynamiek van de band. Hoe beïnvloedde dat het schrijfproces?

Cerulean: Achter de schermen was die impact eigenlijk niet zo groot. Het schrijfproces is nauwelijks veranderd, buiten het feit dat Uglúk vroeger ook af en toe wat riffs aanleverde. De basis van de nummers komt en kwam nog steeds meestal van Snoodaert en Basstaerd, en ik doe daar dan mijn eigen ding mee. Wanneer ik zelf iets in de groep breng, is dat meestal een quasi afgewerkt nummer.

In de vorige periode zijn veel afgekeurde riffs die eigenlijk voor Kludde bedoeld waren uiteindelijk op het Toorn-album “Galgenberg” terechtgekomen. De laatste tijd is dat eerder omgekeerd gegaan, sinds Toorn even op pauze staat: nummers zoals “Kasteelke van verdoemenis” en “Horla III” zijn ontstaan uit Toorn-riffs, en dat geldt ook voor een van de nieuwe nummers waar we momenteel aan werken.

Jullie noemen “In de kwelm” (2019) het zwaarste en meest rechttoe-rechtaan album. Was dat een bewuste “back to basics”?

Snoodaert: Dat klopt. Toen we in 2014 opnieuw begonnen te schrijven, hebben we een paar simpele regels voor onszelf opgesteld. We mochten niet opnieuw in dezelfde valkuil trappen die in 2009 het einde van de band had betekend. De riff moest weer centraal staan, de songstructuren mochten niet te complex worden en het tempo mocht gerust weer wat omhoog.

Dat resulteerde in een aantal rechttoe-rechtaan beukers zoals “Bloedkoesj”, “Poesjkapelle” en “Kludde IV”. Naarmate we verder schreven, werden de nummers opnieuw wat langer en begonnen ze stilaan weer meer richting black metal te evolueren. Tegelijkertijd kwam bij mij ook de interesse in het genre zelf terug.

Productioneel mocht alles weer wat vuiler en meer “in your face” klinken. Omdat we in tien jaar tijd maar één show hadden gespeeld, was de groepskas leeg. We besloten dus om niet de studio in te trekken en alles zelf op te nemen. De mix werd verzorgd door onze alleskunner Cerulean, die daar meer dan uitstekend werk in heeft geleverd.