bal-sagoth

Ancient Mastery – Chapter One: Across the mountains of the Drämmarskol

Ancient Mastery. Oostenrijks van origine en een nieuwe naam aan het blackmetalfirmament. Eénmansproject ook, van een zekere Erech die er ook nevenactiviteiten in bands als Der Toten lebend Schein, Golden Blood, Narzissus en Order of Ištar op nahoudt. “Chapter One: Across the mountains of the Drämmarskol” is meteen een volwaardig debuut geworden en zoals het prefix van de titel aangeeft wordt een verhaal verteld dat meerdere hoofdstukken zal beslaan, vier om concreet te zijn. Of de Drämmarskol, Valdura en Aztara in de realiteit of droomwereld liggen, is me niet geheel duidelijk. Ik vermoed aan de map in het artwork te zien dat Erech zijn tocht zich eerder in een fantasiewereld afspeelt. Het type black metal waarop Erech ons met Ancient Mastery trakteert, is er één met een heidense inslag en meerdere symfonische fantasy-elementen. Het verhaal dat middels “To Valdura” start, heeft een hoog Summoning gehalte daar de dungeon synth welig tiert wanneer er mid-tempo gemusiceerd wordt. Hoewel de zwartmetalen riffs best grimmig voor de dag komen en Erech over een fijne raspende strot beschikt, worden de meer epische passages van de bergtocht ondersteund met bombastische toetsen die plots aan Bal-Sagoth doen denken. De geluidskwaliteit van het flitsende synthwerk is echter nogal cheesy en doet aan low budget sword and sorcery movies uit de jaren ’80 denken. Ook de drumpartijen komen uit een doosje, maar hier is beter werk van de productie gemaakt. De epische melodieën – wanneer nodig akoestisch vertolkt – knipogen in een nummer als “The majesty of Aztara” ontegensprekelijk naar een band als Falkenbach, maar ook een Windir kan als referentie gelden voor het riffwerk in de albumopener. Meest in het oog springende nummer is echter de afsluiter “The forest gate” waarin Alia Fay voor het betere fluitwerk instaat. Samen met het getsjirp van vogeltjes wanen we ons plots te midden van een exotische natuurdocumentaire. De vrouwelijke vocalen van Laine Miller, die de akoestische klanken vergezellen en het nummer inluiden, roepen een beeld van de meer folky getinte Chelsea Wolfe platen op. Mooi en vredig melancholisch rustpunt alvorens Erech de teugels van zijn vliegende draak terug strak in handen neemt en over de majestueuze bergpassen raast met epische en symfonische black als soundtrack. Er volgt zelfs nog een heavy metal getinte gitaarsolo. Graag in hoofdstuk 2 wat meer aandacht besteden aan de sound van de toetsen, want zeker een song als “The passage” klinkt me nu wel wat te synthetisch, en dan zit er wel een acht in.

JOKKE: 78/100

Ancient Mastery – Chapter One: Across the mountains of the Drämmarskol (Death Kvlt Productions/Ad Victoriam/Pest Productions 2021)
1. To Valdura
2. The majesty of Aztara
3. The passage
4. The forest gate

Stormkeep – Galdrum

De keyboards staan de laatste paar maanden precies in afprijzing want de hoeveelheid zwartmetaal met dikke synthlagen die we tegenwoordig voorgeschoteld krijgen is gigantisch. Zo ook op “Galdrum“, het debuut van het voor mij onbekende Stormkeep, dat via Ván Records uitgebracht wordt. Het openingsnummer “Glass caverns of dragon kings” verwelkomt ons meteen middels aangezwollen toetsenwerk in een middeleeuwse setting vol kloeke ridders, mooie jonkvrouwen, hofnarren, kastelen, tovenaars en draken. Het inlassen van akoestische gitaarmelodieën en heldere koorgezangen draagt nog extra bij tot een gezellige kampvuursetting waar een vers geschoten everzwijn boven een knisperend vuurtje wordt klaargestoomd voor een avondmaal dat welgekomen is nadat we van onze namiddaagse veldslag terug heelhuids huiswaarts gekeerd zijn. Ik krijg van meet af aan een erg sterk Duits gevoel bij Galdrum’s black metal en mede door het veelvuldig inzetten van synths kom ik dan bijna automatisch bij van die matige Last Episode bands als Stormlord, Mystic Circle, Dunkelgrafen en Eminenz uit. Beetje raar wel als je weet dat Stormkeep’s uitvalbasis in de Verenigde Staten gevestigd is. De individuen achter de band ken je misschien wel van bands als Blood Incantion (wat toch heel andere koek is) en Wayfarer. Het meer dan tien minuten durende openingsnummer overstijgt de gemiddelde Last Episode band wel, maar van het middelmatige ietwat te zeemzoete “Lightning frost” worden we nu niet bepaald wild. De vocalen zitten ook wat ver naar achter in de mix waardoor het geheel aan venijn mist. ook “Lore” klokt op een double digit speelduur af en reeds vanaf de inleidende akoestische gitaren weten we al dat dit geen topper gaat worden, zeker als er dan nog een homo erotische fluit opduikt. Ook wanneer de versterkers opengaan, worden we niet omver geblazen door deze middelmatige blackmetalmeuk, ook al wordt er best veel geramd. De veelvuldige heldere zangkoren en licht enerverende gitaarsolo dragen alleen maar bij tot de kakofonie waar we het licht van op onze zenuwen krijgen. En als we dan na 25 minuten bij “Lost in mystic woods and cursed hollows” en diens Bal-Sagoth-achtige dungeon synth taferelen aangekomen zijn, zijn we blij dat “Galdrum” er na een klein half uur opzit. Ván Records slaat de bal zelden mis wat ons betreft, maar de kleine hype rond Stormkeep snappen we ook na een paar extra luisterbeurten, niet helemaal. Er lopen momenteel véél betere bands rond die wel een geslaagd huwelijk maken van black metal en synths.

JOKKE: 65/100

Stormkeep – Galdrum (Ván Records 2020)
1. Glass caverns of dragon kings
2. Lightning frost
3. Lore
4. Lost in mystic woods and cursed hollows

The Deathtrip – Demon solar totem

In 2014 verblijdde The Deathtrip ons met het album “Deep drone master“, wat een beest van een schijf was voor liefhebbers van old-school Noorse black met subtiele Dødheimsgard-invloeden. Niet moeilijk als je weet dat de extravagante zanger Aldrahn hier achter de microfoon stond. Het leverde o.a. in de vorm van “Making me” één van de beste black metal-nummers van de laatste tien jaar op. Daar het reeds geruime tijd stil was, had ik de hoop op een opvolger min of meer laten varen. Maar kijk, de wonderen zijn de wereld nog niet uit en plots was daar de aankondiging van een nieuwe plaat. Zangkunstenaar Aldrahn heeft het schip ondertussen wel verlaten daar ie te druk bezig is met Urarv, maar het Engelse bandbrein Host heeft als vervanger Kvohst weten strikken. Met een palmares waar o.a. Dødheimsgard, <code>, Beastmilk, Hexvessel en Grave Pleasures op prijken, is deze man natuurlijk ook niet de minste. Bleek zelfs dat hij in 2007 initieel als zanger voor The Deathtrip zou fungeren, maar dat het dan uiteindelijk toch zijn collega Aldrahn is geworden. Voor dit nieuwe album “Demon solar totem” laten de twee Engelsmannen zich opnieuw bijstaan door sessiedrummer Dan “Storm” Mullins (o.a. ex-My Dying Bride en ex-Bal-Sagoth) en als sessiebassist werd Thomas Eriksen aka Mork van de gelijknamige band aangetrokken zodat er toch nog een Noorse connectie blijft (alleen hoor ik helemaal geen basgitaar terug). Het enige puntje van kritiek m.b.t. de voorgaande release was de nogal kille en mechanische drumsound. Dit euvel is gelukkig grotendeels verholpen op “Demon solar totem“. De muzikale basis van heerlijk snijdende Noorse black is onaangeroerd gebleven maar de nieuwe frontman gooit naast zijn screams ook zijn heldere zangstem veelvuldig in de strijd wat de theatraliteit opkrikt. De cleane gezangen draperen tevens een ritualistisch kleedje over de nummers en er ligt nóg meer nadruk op atmosfeer. Dat resulteert ook in een gemiddelde speelduur van de nummers die deze keer met zeven à acht minuten iets hoger ligt. Hét prijsbeest van “Demon solar totem” vinden we bijna helemaal achteraan in de vorm van het aanvankelijk snedig startende “Abraxas mirrors” waarin Kvohst zanggewijs heel wat avant-garde toevoegt en de basisriff haast een knipoog naar Burzum’s “Filosofem“-plaat lijkt. De startriff van de titeltrack ademt eveneens de glorierijke Burzum-sound van weleer uit. Tof ook om te horen dat Kvosht het screamen nog niet verleerd is. In een meer uptempo nummer als “Angels fossils” lijkt het in de schreeuwerige stukken trouwens alsof Aldrahn nooit verdwenen is. In het meer slepende en van melodieuze leads voorziene “Enter spectral realms” kunnen dan weer parallellen met Attila getrokken worden, nog zo’n enigmatische zanger. “Awaiting a new maker” is de elf minuten durende epische apotheose waarin The Deathtrip haar boeiende mix van black metal-agressie, bezwerende zang en atmosfeer nog een laatste keer etaleert. “Demon solar totem” is een heerlijke plaat geworden die mijn eindejaarslijst vrolijk komt binnen gewalst. Alleen vind ik het ergens wel spijtig dat het pure Noorse van “Deep drone master” wat op de achtergrond is geraakt ten voordelen van een meer rituele black metal-sound. Daar zijn er dezer dagen al genoeg van, maar The Deathtrip doet het wel beter.

JOKKE: 87/100

The Deathtrip – Demon solar totem (Profound Lore Records/Svart Records 2019)
1. Demon solar totem
2. Angel fossils
3. Enter spectral realms
4. Surrender to a higher power
5. Vintage telepathy
6. Abraxas mirrors
7. Awaiting a new maker

Evilfeast – Elegies of the stellar wind

De Pool GrimSpirit – ofte Jakub Grzywacz voor de vrienden – doet het met zijn Evilfeast al sinds 1998 op zijn eentje. Met “Elegies of the stellar wind” bracht hij afgelopen december zijn vijfde langspeler uit die (zoals we van hem gewend zijn) garant staat voor meer dan een uur durende grimmige black die echter veelvuldig door de nodige toeters en bellen wordt ingekleurd. “The second baptism… shores in fire and ice” begint met een bombastische intro zoals we die nog zelden horen dezer dagen. Bal-Sagoth duikt meteen als referentiekader op hoewel de black die na de inleiding volgt (gelukkig) een pak grauwer klinkt dan wat we van de Engelsen gewend zijn. De synths zwellen bij momenten nog wel stevig aan en gevaarlijk klinkt het allemaal niet (think “First spell“-era Gehenna). Filmisch is de muziek des te meer. En hoewel de keyboards soms cheesy of gedateerd klinken, weet GrimSpirit toch ook enkele keren de gevoelige snaar te raken met zijn cinematografische aanpak. In de lang uitgesponnen nummers, die meermaals boven de tien minuten afklokken, zit bakken melodie, dramatiek, gesproken passages, koorzang en epiek verweven om het boeltje interessant te houden voor de luisteraar. In de lange afsluiter “Inclinata resurgit… rebirth of my noble dark kingdom” nemen cleane vocalen de leiding wat maakt dat Evilfeast nog een pak minder “evil” klinkt dan dat de bandnaam laat uitschijnen. De écht straffe melodieuze black metal bands staan op het kruispunt waar de onderliggende schoonheid van het genre kruist met het rauwe en mysterieuze ervan. Evilfeast zit te veel op het enkelrichtingsbaanvak van romantische melodie waardoor het wat braafjes klinkt. Als onthaasting tussen al het dissonante black metal geweld dat op ons afkomt, is dit album een welgekomen verademing, hoewel ik niet denk dat de naald van mijn platenspeler nog dikwijls in de groeven van “Elegies of the stellar wind” zal afdalen.

JOKKE: 71/100

Evilfeast – Elegies of the stellar wind (Eisenwald Tonschmiede 2017)
1. The second baptism… shores in fire and ice
2. Winter descent’s eve… I become the journey
3. Lunar Rites… beholding the towers of Barad-Dur
4. From the northern Wallachian forest… tyranny returns
5. Archaic magic… a cenotaph below the cursed moon
6. Inclinata resurgit… rebirth of my noble dark kingdom

Arkona – Lunaris

De meest gekende Poolse bands die de second wave of black metal begin jaren negentig in gang staken, zijn ongetwijfeld Behemoth en Graveland. Vergeet echter Arkona niet dat sinds haar oprichting in 1993 al zeventien kogels uit de strak om-de-lederen-broek-gespannen kogelriem heeft afgeschoten. Met “Lunaris” als langspeler nummer zes, vuurt Arkona echter haar meest dodelijke kogel op de luisteraar af. Doorheen de jaren is het een komen-en-gaan van bandleden geweest met veteraan Khorzon (gitaar, bas en keyboards) als enige constante. En zelfs na de opnames van “Lunaris” blijft het een voortdurende position switch. Op plaat horen we Nechrist als tweede gitarist, Zaala als drummer/mitrailleursalvo en Necrosodom als sessiezanger. Die laatste werd recent vervangen door zanger/bassist Drac waardoor drie vierde van de huidige line-up uit leden van Taran bestaat. Het Arkona-geluid anno 2016 is een synthese van snelle op Zweedse leest (think Setherial, Dark Funeral) geschoeide straightforward black metal waarbij keyboards voor een donkere, neo-klassieke, romantische invalshoek zorgen. De heidense thematiek ligt er niet vingerdik bovenop zoals bij het type Аркона pagan/folk-band waarvan ik het groengespikkeld schijt krijg. Denk eerder richting Drudkh, vooral door de vocalen en onderhuidse pagan feel en – waarom niet – aan Falkenback zoals tijdens het begin van “Ziemia”. Het galloperende ritme en de drum rolls en fills uit de eerste helft van “Nie dla mnie litość” knipogen naar Dissection om nadien stillere wateren te verkennen waarbij de duistere symfonische klanken aan Limbonic Art doen denken. Hoewel “Lunaris” het hoogtepunt is uit de Arkona discografie en enkele pijnpunten uit het verleden, zoals de steriel klinkende (maar retestrakke) hyperblasts, verholpen zijn, heb ik toch nog wel enkele puntjes van kritiek. Zo klinken de snelle black metal passages bij momenten nogal standaard en inwisselbaar. Verder zal niet iedereen de keyboards kunnen smaken. Ik trek ze nog wel, hoewel ze halverwege opener “Droga do ocalenia” een ongewenste Bal-Sagoth déjà-vue oproepen. Het is niet zo dat de cinematografische toetsen- en orgelpartijen voortdurend de strijd met de tremoloriffs aangaan, ze fungeren eerder als aftrap of rustpunt in de vrij lange nummers, want het zijn de riffs die grotendeels voor het majestueuze karakter zorgen. Concluderend laat “Lunaris” niets nieuws onder de zon horen, maar is de plaat wel best te pruimen, vooral als je je kan vinden in voorgaande name droppings.

JOKKE: 80/100

Arkona – Lunaris (Debemur Morti Productions 2016)
1. Droga do ocalenia
2. Ziemia
3. Śmierć i odrodzenie
4. Nie dla mnie litość
5. Lśnienie
6. Lunaris

Midnight Odyssey – Shards of silver fade

Een weekje geleden stuitte ik online, vlak voor het slapen gaan, op “Starlight oblivion”, het eerste vrijgegeven nummer van de nieuwe plaat van het tot dan toe voor mij onbekende Midnight Odyssey. Wat er zich de volgende achttien minuten op auditief vlak afspeelde triggerde mijn interesse om de rest van de plaat op te zoeken. Het feit dat “Shards of silver fade” een mastodont van een plaat bleek te zijn die, verspreid over twee schijfjes, meer dan tweeënhalf uur (!!!) duurt, resulteerde bijgevolg tot een korte nachtrust en wallen waarbij de exemplaren van Walter Grootaers in het niets verdwenen. Van een gebrek aan creativiteit kunnen we mastermind Tony Parker bijgevolg ook niet beschuldigen. Van “zijn verhaal beknopt vertellen” of “straight to the point” komen echter wel. Maar ach, dat is ook helemaal de bedoeling niet van de Australische éénmansband Midnight Odyssey, want deze naam staat garant voor uitgesponnen en über atmosferische progressieve en kosmische ambient black metal (een hele mond vol). Maar staat de kwantiteit in dit geval ook gelijk aan constante kwaliteit? Om deze plaat naar waarde te kunnen schatten, moet je een zekere theatraliteit, progressiviteit of avantgarde in je black metal kunnen smaken. Hoewel dat bij mij maar tot op zekere hoogte het geval is, blijf ik toch aan mijn stereo gekluisterd. Collega Filip overleeft de eerste twee minuten zelfs niet zonder over zijn nek te gaan, daar durf ik mijn handen voor in het vuur te steken. Maar dit geheel ter zijde. De plaat trapt af met plechtstatige en epische cleane zang op een dik aangzwollen tapijt van keyboards. Pas na een kwartier nemen de black metal vocalen en grimmige gitaren de overhand. Net op tijd omdat ik juist begon in te dommelen. De black metal die je hier voorgeschoteld krijgt is geen moment agressief maar draait helemaal rond “atmosfeer” en de klinische drums storen hier zelfs niet bij. Op zijn beste en spannendste momenten neigen de klanken naar Summoning, Bal-Sagoth, Limbonic Art of Lunar Aurora. Spijtig genoeg zijn deze pieken te veel ondergesneeuwd in saaie en langdradige platte meug. De rustige stukken hebben evenveel met black metal te maken als McDonalds met gastronomisch eten. Niks, nada, niente. Het is eerder een soort van new of dark wave achtige (think Dead Can Dance of Fields Of The Nephilim) musical die we dan te verteren krijgen…en ik ben niet zo tuk op musicals. De grandeur in “A ghost in gleaming stars” doet zijn werk wel bij mijn armhaartjes en de grunts in “Asleep in the fire” creëren een episch doom momentum om even later op Dimmu-bombast over te schakelen. In een nachtelijke roes en op een hoog volume scoort de plaat wel beter dan op andere momenten geef ik grif toe. Een tijdje geleden kwam van labelgenoot Mare Cognitum een gelijkaardig album uit dat het een pak beter deed bij ondergetekende. Ik raad Tony aan om de volgende keer voor één schijfje te gaan (disc twee is de betere) en meer gefocust en gestroomlijnder te werk te gaan (tien minuten per nummer in plaats van twintig zullen ook wel volstaan om je verhaal te vertellen). De eerste twee nummers van disc twee zouden immers een knappe plaat van veertig minuten opleveren. By far de moeilijkste plaat die ik al heb gereviewed voor Addergebroed. 60/100 voor disc één en 80/100 voor disc twee bepalen de uiteindelijke score.

JOKKE: 70/100

Midnight Odyssey – Shards of silver fade (I, Voidhanger Records 2015)

Disc 1
1. From a frozen wasteland
2. Hunter of the celestial sea
3. Son of phoebus
4. A ghost in gleaming stars

Disc 2
1. Asleep in the fire
2. Starlight oblivion
3. Darker skies once radiant
4. Shards of silver fade

The Deathtrip – Deep drone master

Laat je niet misleiden door het woordje drone uit de albumtitel. Wie sonisch geweld genre Sunn O))) verwacht is eraan voor de moeite. “Deep drone master is a black metal dish best served cold”. Het is slechts weinigen gegeven om dezer dagen nog een black metal album af te leveren dat de trve spirit kan oproepen van de Noorse second black metal wave. De laatste twee Isvind platen waren erg goede en geslaagde pogingen en laat ik maar meteen de clue van deze recensie verklappen: The Deathtrip slaagt er met “Deep drone master” als geen ander in om de luisteraar terug te katapulteren naar de tijd waarin de eerste black metal platen zich vanuit de Scandinavische ondergrond als de pest over de mensheid verspreidde. De Engelse gitarist Host laat zich op deze ijskoude brok metal bijstaan door niemand minder dan Noors cultfiguur Aldrahn. Dit heerschappij verleende zijn raspende strot in het verleden onder andere aan Dødheimsgard, Old Man’s Child, Zyklon B en het legendarische Thorns, vooral die eerste en laatste hebben toch wel de nodige impact gehad op vele genregenoten. De jonge lezer dient vooral “Kronet til konge”, het ongekroonde meesterwerk uit 1995 van Dødheimsgard op te snorren. En over moustachen gesproken. Thorns mastermind Snorre W. Ruch opereerde als mixer bij de opnames van dit debuut en verleende zijn hulp bij het vastleggen van de vocalen. Op drums worden Host en Aldrahn bijgestaan door Dan “Storm” Mullins, die vooral bekend is van Bal-Sagoth en My Dying Bride. Nostalgie maakt zich heer en meester van ondergetekende wanneer hij de tien nummers inclusief intro met kakelende kippen, over zich heen laat komen. Deze Noors-Engelse collaboratie weet als geen ander de ene na de andere ijzingwekkende bevreemdende melodie uit zijn hoed te toveren. Vintage jaren negentig black metal riffs, ontdaan van alle franjes, vormen het skelet van de songs. Host heeft een gouden zet gedaan door Aldrahn te kunnen strikken voor de vocale invulling. In “Making me” laat de Noor horen waarom hij tot de allergrootste black metal zangers hoort. De wanhopige emotie waarmee hij “I open up my heart for the devil” uit zijn stembanden wringt, komt vanuit de tippen van zijn tenen. Hier wordt een mens ijzig stil van. Elk woord dat hij op je afvuurt, klinkt gemeend en oprecht én verstaanbaar (behalve het zeven minuten durende afsluitende “Syndebukken” dat in het Noors wordt gebracht ). Ook in “A foot in each hell” gaat hij op vocaal gebied tot aan het gaatje, met zijn door merg en been gaande screams.  Ik moet bij het beluisteren van de plaat regelmatig denken aan “Ravishing grimness” van Darkthrone of het oude werk van Satyricon en natuurlijk ook Dødheimsgard. De ene keer slepend traag (“Dynamic underworld”, “Making me”, “Something growing in the trees” of het met hypnotiserend gitaarwerk opgesmukte “Syndebukken”), de andere keer venijnig uptempo (check de striemende riffs van “Cosmic verdict“ of het geselende “Sewer heart”). “Deep drone master” is zo’n koude plaat dat ze kan gebruikt worden om voetwratten te bevriezen. Nu maar hopen dat er ook snel nieuw werk van Thorns aankomt!

JOKKE: 90/100

The Deathtrip – Deep drone master (Svart Records 2014)
1. Intro
2. Flag of betrayal
3. Dynamic underworld
4. Making me
5. Cosmic verdict
6. Sewer heart
7. A foot in each hell
8. Cocoons
9 Something growing in the trees
10. Syndebukken