deathspell omega

Deathspell Omega – The furnaces of palingenesia

Het Franse Deathspell Omega is een extreem metal-instituut dat tot de verbeelding spreekt en al dikwijls geïmiteerd is, doch zelden geëvenaard. Samen met landgenoten Blut Aus Nord vormden ze vanaf meesterwerk “Si monvmentvm reqvires, circvmspice” uit 2004 de blauwdruk voor de dissonantie vererende black metal muzikant (voorheen deed de band eerder aan Darkthrone worship). Interviews en bandfoto’s zijn een unicum en ook over de identiteit van de bandleden bestaat nog geen 100% duidelijkheid (wie is die waanzinnig goede drummer nu eigenlijk?). Zonder al te veel bombarie werd enkele weken geleden plots het nieuwe nummer “Ad arma! Ad arma!” middels een fenomenale videoclip van Dehn Sora op de mensheid losgelaten. En nu is er in de vorm van “The furnaces of palingenesia” een nieuwe langspeler, de zevende ondertussen. Over het als teaser losgelaten mid-tempo nummer leken de meningen verdeeld te zijn, vooral door diens meer toegankelijke karakter. Maar vreest niet want hoewel de band meer dan op voorganger “The synarchy of molten bones” wat gas terug schroeft, gebeurt er weer heel wat in het Deathspell Omega-universum en blijft ook het snelle, hyperkinetische werk niet achterwege (“The fires of frustration“, “Absolutist regeneration“). Tussen alle jazzy en progressieve black metal riff-waanzin en het pandemonische drumwerk door, eist de zwaar ronkende basgitaar een erg belangrijke en prominente plek op, vooral in trager werk zoals “1523” en “Standing on the work of slaves“. En meermaals zorgt subtiele orchestratie in de vorm van strijkers en blazers voor een extra dosis drama. Over het algemeen merk ik ook wat meer melodie op hoewel Deathspell Omega nog steeds een natte droom is voor liefhebbers van gecontroleerde dissonante chaos. Overgangen – hoe technisch, onverwacht of abrupt ook – komen zelden geforceerd over en de dynamiek en flow van de tamelijk compacte nummers wordt zorgvuldig in het oog gehouden net zoals de nodige hooks zodat de nummers ook daadwerkelijk blijven hangen. Persoonlijke favorieten op dat punt zijn het van een heerlijke riff voorziene “Imitatio dei” en het razende met cleane zang en orchestratie opgesmukte “Renegade ashes“. In het afsluitende atmosferische “You cannot even find the ruins…” experimenteert Mikko Aspa met zijn vocalen wat een extra apocalyptische toets toevoegt. De meerwaardezoeker op gebied van lyrics – voor zover er nog mensen zijn die hier een zier om geven – komt zoals steeds weer uitgebreid aan zijn trekken met de filosofische en theologische teksten (bijna eerder kortverhalen) die handelen over extase, palingenese (een concept van wedergeboorte of re-creatie) en Janus, de Romeinse god van het begin en het einde. Kortom, “The furnaces of palingenesia” is op-en-top Deathspell Omega spierbalgerol met meer aandacht voor orchestrale elementen, dynamiek, melodie, mid-tempo werk en ronkende bastonen die succesvol aan het gekende dissonante, beklemmende en grandiose bandgeluid toegevoegd worden. De grote afwisseling die deze plaat rijk is, maakt het voor mij de beste Deathspell Omega release sinds “Kénôse“. De grote kudde schapen mag weeral een tandje bijsteken.

JOKKE: 92/100

Deathspell Omega – The furnaces of palingenesia (Norma Evangelium Diaboli 2019)
1. Neither meaning nor justice
2. The fires of frustration
3. Ad arma! Ad arma!
4. Splinters from your mother’s spine
5. Imitatio dei
6. 1523
7. Sacrificial theopathy
8. Standing on the work of slaves
9. Renegade ashes
10. Absolutist regeneration
11. You cannot even find the ruins…

Sinmara – Hvísl stjarnanna

Één van de albums die mij finaal het zwartmetalen genre binnensleurden was ongetwijfeld Sinmara’s meesterlijke “Aphotic womb” uit 2014, met zijn dissonant gitaarwerk en vooral experimentele en enorm catchy drumpatronen. Sinmara slaagde er ook in om vanaf het debuut een eigen sound te ontwikkelen. Een EP en split met Misþyrming later komt de langverwachte opvolger, “Hvísl stjarnanna” die eindelijk het levenslicht ziet. Eindelijk, gezien de IJslanders er precies prat op gaan hun tijd te nemen voordat een opvolger van een geniaal debuut uitkomt – de bewijzen zijn ernaar, de voorbeelden zijn legio. Sinmara behoudt de formule die barst van dissonantie, inventief slagwerk en zang die met momenten haast verstaanbaar is, maar bewandelt compositorisch gezien verder het pad dat werd ingeslagen met de “Within the weaves of infinity” EP. Grootser, melodieuzer, langer uitgerokken. De catchiness van het debuut wordt overboord gegooid en Sinmara zet meer in op het creëren van atmosfeer. Goeie zet of niet? Zoals Varg zou zeggen: let’s find out. De songs zelf zitten boordevol variatie op vlak van tempo, en hier en daar weet Sinmara ons volledig onder te dompelen in meeslepende riffs, waarvan die op het eind van “Mephitic haze” een mooi voorbeeld is en waaraan riffmachine Þórir Garðarsson ongetwijfeld aan de basis ligt. Ondanks het consistent hoge niveau van de tracks, de heldere productie (nog iets waarop de IJslandse scene prat gaat) en de lagen gitaar die ingenieus over elkaar heen worden gedrapeerd besluipt echter het gevoel dat de nummers minder op zichzelf staan dan eerder het geval was, en – helaas – soms wat onderling inwisselbaar worden. Daar waar “Aphotic womb” een geheel eigen geluid en identiteit bezit strompelt het lelijke beest dat Sinmara heet beetje bij beetje richting een meer (maar kap hier gerust een vat zout over, het gaat tenslotte nog steeds om Deathspell Omegaiaanse black metal) toegankelijke sound, en ruimt het opzwepend demonische plaats voor meer uitgesponnen melodie. Ikzelf ben grote voorstander van een evolutie in sound, maar merk dat het debuut nog meer echt als een monument binnen de IJslandse scene geldt. “Hvísl stjarnanna” is bijgevolg nog steeds een coherent, meeslepend werk, maar blijft wat in de schaduw van zijn oudere broer staan.

CAS: 85/100

Sinmara – Hvísl stjarnanna (Ván Records 2019)
1. Apparitions
2. Mephitic haze
3. The arteries of withered earth
4. Crimson stars
5. Úr kaleik martraða
6. Hvísl stjarnanna

Drastus – La croix de sang

Wanneer Norma Evangelium Diaboli iets nieuws uitbrengt, ben ik er altijd als de kippen bij want met bands als o.a. Deathspell Omega, Katharsis, Funeral Mist, Antaeus, Teitanblood en Sorhin hebben ze de crème de la crème van de black metal-scene in hun rangen. Deze keer heeft het label haar schouders gezet onder het tweede album van Drastus, een veredeld éénmansproject waarbij aldoener Drastus zich enkel voor het inmeppen van de drums liet bijstaan door Sad die reeds de vellen geselde bij o.a. Cantus Bestiae, S.V.E.S.T. en Chemin de Haine. De bandnaam deed niet meteen een belletje rinkelen en bij nader onderzoek leek Drastus de voorbije jaren ook niet zo actief te zijn geweest. Op twee EP’s na (“Serpent’s chalice – Materia prima” uit 2009 en “Taphos” uit 2006) moeten we al veertien jaar terug de tijd induiken voor debuut “Roars from the old serpent’s paradise“. Op “La croix de sang” presenteert Drastus ons een geluid dat duidelijk geënt is op haar vaderlandse black metal-scene want invloeden van Antaeus en Aosoth zijn overduidelijk hoorbaar: een radicale en gewelddadige vorm van black metal dus waarbij het spervuur aan vlammende riffs door de ene na de andere blastpartij voortgestuwd wordt. Er zit bij momenten een machinaal en militaristisch kantje aan de muziek zodat de latere Mayhem ook als referentie kan aangehaald worden. De grommende hese screams klinken overtuigend maar laten aanvankelijk weinig afwisseling horen. De muziek op het eerste gehoor ook niet, maar gelukkig wordt er toch de nodige aandacht aan dynamiek geschonken want het bijna negen minuten durende “Crawling fire” verkent tussen de blastsalvo’s ook mysterieuze atmosferische oorden waarbij cleane gezangen een sacrale sfeer creëren. De heldere zang eist in het mid-tempo “The crown of death” een nog grotere rol op en brengt meer variatie in het vocaal klankenpallet. Naar het einde van de plaat toe, komt de nadruk opnieuw meer op agressie te liggen maar de Attila-achtige vocalen in “Occisor” doen het nummer ook in een occulte sfeer baden. “La croix de sang” is een beestige plaat voor liefhebbers van de reeds aangehaalde bands. De invloeden vallen niet te ontkennen, maar Drastus heeft met de gekende ingrediënten toch een erg onderhoudende plaat weten schrijven die het spannendst klinkt wanneer mysterieuze paden bewandeld worden.

JOKKE: 80/100

Drastus – La croix de sang (Norma Evangelium Diaboli 2019)
1. Nihil sine polum
2. Ashura
3. Crawling fire
4. The crown of death
5. Hermetic silence
6. Occisor
7. Constrictor Torrents

Noctambulist – Atmospheres of desolation

Toen ik hoorde dat het debuut van Noctambulist ons had bereikt, was ik benieuwd naar de post-black die onze Noorderburen zouden brengen. Een met verbazing opgetrokken wenkbrauw was dan ook het resultaat wanneer plots avant-garde death metal uit mijn speakers kwam beuken en ik las dat het hier over een relatief nieuw kwartet uit Denver, Colorado zou gaan. Deze jongens brengen met “Atmospheres of desolation” hun debuutalbum op de markt. Zelf noemen ze het een full length, maar ik ken EP’s die langer duren dan deze zevenentwintig minuten. Waarom ze als bandnaam het Latijnse woord voor ‘slaapwandelaar’ hebben gekozen blijft me ook een raadsel, want wat ze spelen is brutaal genoeg om je meteen klaarwakker te schudden. De vijf relatief compacte – allen rond de vijf minuten – songs puilen uit van de blastbeats en een hoeveelheid dissonante noten waar Deathspell Omega trots op zou zijn (en waarvan het geluid soms wel erg goed op dat van “Paracletus” lijkt). Nu is technische, drukkende death metal niet volledig mijn area of expertise, maar wat van bij de eerste luisterbeurt meteen in het oor springt is dat de Amerikanen het hunne al eens graag down under te luisteren leggen en dan vooral bij Ulcerate, en in mindere mate Convulsing. “Atmospheres of desolation” bevat een spervuur aan messcherpe riffs die bij bovengenoemde bands niet zouden misstaan, en waar de onfrisse geur van een Gorguts aan vastkleeft. De drums klinken clean en Michael Nolan weet als geen ander hoe gewoon fucking raggen ineenzit, maar speelt helaas minder inventief en gevarieerd dan Ulcerates Jamie Saint Merat, waardoor de stuwende kracht die ervan had kunnen uitgaan nu eerder wat gaat vervelen. Compositorisch lijkt het viertal nog wat zoekende: waar hier en daar enkele sublieme riffs schitteren (zoals in “Jubilant cataclysm”) klinkt het geheel wat rommelig en stuurloos. Tijdens het constante rammen en beuken passeren heel wat goede ideeën de revue, die echter nooit volledig uitgewerkt aanvoelen. Gecombineerd met de korte speelduur merk je dat Noctambulist ambitieus is, maar nog veel groeiruimte heeft wat dynamiek betreft. De ietwat eenzijdige schrijfstijl doet wat afbreuk aan een album waarop ongetwijfeld technisch getalenteerde muzikanten te horen zijn, maar waar geen echte rode draad door te weven valt. Jammer dit, maar als hondsbrutaal, doch niet licht verteerbaar tussendoortje valt “Atmospheres of desolation” wel te smaken!

CAS: 78/100

Noctambulist – Atmospheres of desolation (Blood Harvest 2019)
1. Dimming Lights Illuminate
2. Abnegation
3. Atmosphere of Desolation
4. Jubilant Cataclysm
5. Denial of Autonomy
6. Habitual Falsehood 21:03

Ayyur – The lunatic creature

De heimat van Ayyur ligt in Tunesië, aan de grens van de Middellandse Zee waar de Westerse wereld plaats maakt voor een land van verloren geschiedenis en geheime mysteriën. Tunesische black metal klinkt eerder als uitzondering dan als regel. Ik ken dan ook geen enkele andere metal-band uit het land, laat staan eentje die duivelsmuziek speelt. Ayyur werd in 2007 opgericht en heeft reeds een EP, twee splits en een demo op haar palmares staan. In de vorm van “The lunatic creature” wordt na een afwezigheid van negen jaar een nieuwe EP uitgebracht waarvoor Sentient Ruin en Vendetta Records de handen in mekaar hebben geslagen zodat ie in alle mogelijke digitale en fysieke formaten te verkrijgen zal zijn. De band is er even tussenuit geweest en dat heeft geloond. Zanger/basgitarist Angra Mainyu heeft in Dagon een nieuwe gitarist gevonden en heeft zich voor deze release op drums laten bijstaan door Shaxul, zanger van Annthennath en ex-Deathspell Omega. Qua uitvoering werden dan ook grote stappen voorwaarts gezet maar ook op gebied van sound laat de band haar demoperiode nu ver achter zich. Ayyur laat twintig minuten lang melodieuze mid-tempo black horen waarbij de desolate sfeer ontleend lijkt aan die van atmosferische USBM. “Lugubrious fields” bevat slepende, melancholische klanken, grootse post-achtige melodieën, maar draagt ook een gevoel van isolationisme uit. De bandleden voelen zich immers totaal niet verbonden met de familiariteit van de Westerse wereld – de titel “The outcast” windt er dan ook geen doekjes om – en verdiepen zich middels Ayyur in hermetisme en mysticisme. In de gedistilleerde black van “The outcast” gaan grimmigheid en melodie hand in hand. Geen franjes, geen opsmuk…enkel riffs en kwaadheid. Het titelnummer is een pakkende mid-tempo melodieuze song die een mysterieus gevoel uitademt en naar het einde toe feller uit de kast komt. Ook hekkensluiter “He who dwells in the trenches” weet absoluut de juiste snaar te raken met haar kwaadaardig sluimerende enigszins ondoordringbare sound waar toch subtiele melodieën doorheen sijpelen. Hoewel Ayyur absoluut geen technische band is, is haar muziek wel dodelijk effectief door de gevoelsmatige aanpak en de overtuigende vocalen van Angra Mainyu. Met “The lunatic creature” bewijst Ayyur dat Tunesische black bestaansreden heeft en voor Vendetta Records is het één van de beste releases sinds lange tijd.

JOKKE: 81/100

Ayyur – The lunatic creature (Vendetta Records/Sentient Ruin 2018)
1. Lugubrious fields
2. The outcast
3. The lunatic creature
4. He who dwells in the trenches

 

Ævangelist – Matricide in the temple of omega

Iedereen heeft een muzikale grens qua extremiteit en muzikaliteit. Bij mij schoof die tussen mijn negende en zestiende op van Guns ‘N Roses over Metallica naar Fear Factory, Cradle Of Filth, Sinister en uiteindelijk “Scum” van Napalm Death. Als tiener kon alles niet extreem genoeg zijn, nadien werden ook meer mellow paden bewandeld. De laatste tien jaar vindt er door de wildgroei aan dissonante bands en het unieke karakter van een Blut Aus Nord of Deathspell Omega opnieuw een aftasting van de grenzen plaats. Momenteel ligt die bij ondergetekende bij een band als Ævangelist die reeds sinds de “Oracle of infinite despair” EP uit 2011 elk jaar wel iets van zich liett horen met uitzondering van 2017 toen Matron Torn, die samen met Ascaris Ævangelist vormgeeft, even op de grenzen van het tijdelijke en het eeuwige balanceerde. Alle frustraties, pijn, woede, krankzinnigheid en leed moesten uit lichaam en ziel verdreven worden en de muzikale output is dit jaar dan ook al groot geweest want recent verschenen ook al de in eigen beheer uitgebrachte “Aberrant genesis” EP en de “Heralds of nightmare descending” langspeler. De laatste nieuwe telg “Matricide in the temple of omega” verschijnt via I, Voidhanger Records en is al de zesde full length en staat opnieuw een uur lang garant voor een verstikkende mix van avantgarde en extreme metal die experimenteler dan ooit klinkt. De intro en vijf nummers klinken als een cryptische puzzel van suïcidale psychedelica en claustrofobische, dodelijke, ontspoorde en van het pad verdwaalde metal. Op vocaal vlak zijn er enkele nieuwigheden te horen. In het verleden genereerden de in reverb doordrenkte vocalen van Ascaris dikwijls een soort van oneindige loop die een pijnigend onbehagen uitdroeg. Op “Matricide in the temple of omega” wordt de zang schaarser ingezet en is deze meer begraven in de achtergrond. Black metal screams in “Æon death knell” wisselen af met gotisch gekreun in “Serpentine as lustful nightmare” en het waanzinnige twintig minuten durende “Ascending into the pantheon” waarin tussen de jazzy aanpak ook enkele meer rock-georiënteerde riffs opduiken. En in “Omen of the barren womb” wordt een spookachtig klinkend orgel ingezet dat doet denken aan jaren ’70 progressieve muziek. “Matricide in the temple of omega” is opnieuw een sterk staaltje paranoïde en polyritmische kakofonie geworden die bovendien gemastered werd in de Belgische Blackout Studio van Jeremie Bezier (Emptiness, ex-Enthroned). De grens is weeral verlegd.

JOKKE: 82/100

Ævangelist – Matricide in the temple of omega (I, Voidhanger Records 2018)
1. Divination
2. Æon death knell
3. Omen of the barren womb
4. Thesonance of eternal discord
5. Serpentine as lustful nightmare
6. Ascending into the pantheon

Paragon Impure – Sade

English review can be seen below the music video for “Sade III – Mors in excelsis deo” underneath this review in Dutch.

De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Dertien jaar na “To Gaius (For the delivery of Agrippina)” brengt Paragon Impure haar langverwachte tweede langspeler uit. Reeds in 2008 werd begonnen aan een opvolger voor het – door velen bejubelde – debuut, maar ontevredenheid over het resultaat deed de muziek, die onder de werktitel “The fall of man” opgenomen werd, in de vuilbak belanden. Dat bleek nu echter eerder de diepvries te zijn want “Sade” is een herwerking van het oude ontdooide concept. De ondertitel van de plaat is “Of virtue and vice“; het betreft hier – voor wie het nog niet wist – dus een hommage aan viespeuk extraordinaire Markies de Sade. Geen Romeinse toestanden deze keer maar beschrijvingen van de sadistische en pornografische werken en het leven van deze welbesproken figuur uit de Franse literaire geschiedenis. Daar waar “To Gaius” een vrij directe aanpak had en het geluid van de Darkthrone-klassiekers “Under a funeral moon” en “Transilvanian hunger” eerde, klinkt “Sade” alvast een pak moderner met dank aan PJ Turlinckx van A Thousand Sufferings die aan de draaiknoppen zat en Jérémy Bézier (Emptiness, ex-Enthroned) van de Blackout Studio die de mastering verzorgde. Verder horen we lichte en meer toegankelijke Deathspell Omega-dissonantie in het gitaarwerk terug zonder dat er al té technisch en ingewikkeld gemusiceerd wordt. De haat in Noctiz zijn vocalen lijkt een beetje weggeëbd te zijn en plaats te hebben gemaakt voor meer variatie zoals we die ook horen bij de hedendaagse orthodoxe en occulte black metal bands zoals Ofermod. Bovendien is er ook meer plaats voor muzikaliteit, dat wordt al meteen duidelijk bij het inleidende “Introduction to the divine marquis“. De toegenomen muzikaliteit heeft echter geen invloed op het tempo van de plaat want Paragon Impure trekt nog steeds snel en hard van leer en vliegt dankzij het sterke en strakke drumwerk van Svein (Lugubrum) nergens uit de bocht. De eerste noten van het negen minuten durende “Juliette, queen of vice” maken al meteen een toppertje van deze song die een sterke dynamiek kent en meermaals knappe gitaarloopjes laat horen. “Mors in excelsis deo” klinkt aanvankelijk iets meer als oude Paragon Impure, maar wordt ook al snel muzikaler en “Repentence of a dying libertine” is een nummer waarin allerlei op de achtergrond verborgen elementen een meerwaarde aan het nummer geven. “Philosophy in the bedroom” klinkt als het meest technische/progressieve nummer waarin naast heel wat melodie ook een zekere thrash-vibe vervat zit en de basgitaar anders dan gewoonlijk ingevuld wordt. “The final passion, or the passion of hell” sluit de plaat op meesterlijke wijze af. Tomeloze agressie en akelige ingetogen stukken maken middels puike instrumentbeheersing en adembenemende passie twaalf minuten lang het mooie weer. “To Gaius” is mijn persoonlijke numero uno wat betreft vaderlandse black metal platen. Van tevoren lag de lat dus héél hoog en was ik erg benieuwd of het debuut overtroffen zou kunnen worden. “Sade” is in elk geval een plaat die, in tegenstelling tot “To Gaius“, heel wat luisterbeurten vraagt alvorens haar gruwelijke geheimen prijs te geven. Na enkele maanden te hebben gerijpt, ben ik van mening dat “Sade” een erg waardige opvolger is geworden, die door de meer dissonante, progressieve en orthodoxe invloeden misschien wel niet alle liefhebbers van het debuut zal kunnen bekoren. Maar dat zal Noctiz waarschijnlijk toch worst wezen. Hulde aan de man om ons na al die jaren toch nog met deze dijk van een plaat te verblijden!

JOKKE: 90/100

Paragon Impure – Sade (Ván Records 2018)
1. Introduction to the divine marquis
2. Juliette, queen of vice
3. Mors in excelsis deo
4. Repentence of a dying libertine
5. Philosophy in the bedroom
6. The final passion, or the passion of hell

Hell must have frozen over. Thirteen years after the release of “To Gaius (For the delivery of Agrippina)”, Paragon Impure reveals their long-awaited second full length. As far back as 2008, the band started writing a successor to the – heavily praised – debut, yet discontentment about the result made sure the music, recorded under the working title “The fall of man”, received a one way ticket to the trash can. That trash can however seems to have been more of a fridge, since “Sade” is a revision of the old, thawed concept. “Of virtue and vice” is the sub-title, so the album is – for those who weren’t aware yet – a homage to pervert extraordinaire Marquis de Sade. Contrary to the Roman thematics of the debut, Paragon Impure offers descriptions of sadistic and pornographic works and the life of the most notorious figure from French literature. Contrary to “To Gaius”, which sounded pretty straightforward and was a homage to the sound of Darkthrone-classics such as “Under a funeral moon” and “Transilvanian hunger”, “Sade” has been blessed with a more modern sound thanks to the mixing skills of PJ Turlinckx (A Thousand Sufferings) and Jérémie Bézier (Emptiness, ex-Enthroned) who took care of mastering duties in his Blackout Studio. Musically speaking we hear a slight, and maybe more accessible, Deathspell Omega-like dissonance in the guitars, without getting lost in all too complex technicalities. The hate that previously characterized Noctiz’ vocals seems to have lessened in favour of more variation in the vein of modern orthodox and occult black metal bands such as Ofermod. There’s also more room left for musicality, which already becomes clear in the opening track “Introduction to the divine marquis”. This increase in musicality however doesn’t affect the overall pace of the album, since Paragon Impure still punches hard and fast yet never spins out of control due to the tight drumming of Svein (Lugubrum). The first few notes of the nine-minute long “Juliette, queen of vice” already raise the bar of a song that exhibits strong dynamics and a few neat guitar-loops. With “Mors in excelsis deo”, Paragon Impure initially reawakens the spirit of the debut album, yet becomes musically more diverse and where “Repentance of a dying libertine” is concerned there’s a lot of hidden elements to be found in the background of the sonic landscape, pushing the track to newer heights. The most technical/progressive track then would be “Philosophy in the bedroom”, which exudes a certain thrash-vibe, contains a lot of melody and reserves a different role than usual for the bass guitar. “The final passion, or the passion of hell” concludes the record in a masterful way. Prime instrumentation and breath-taking passion fill up twelve minutes of unbridled aggression and haunting and dismal subdued passages. “To Gaius” is my personal number one record concerning Belgian black metal, so I was curious if Paragon Impure would be able to top their debut. In any case, “Sade” is an album that requires, contrary to “To Gaius”, a lot of spins before revealing its dreadful secrets. After having spun the record multiple times during the past 3 months, “Sade” convinced me to be a very worthy successor that due to the progressive and orthodox influences might not win over all the fans from the first hour, but Noctiz himself probably couldn’t be bothered less. Praised be the man who, after all these years, still gladdens us with this monolith of an album!

JOKKE: 90/100 (review written by Cas)