Na een veelbelovende start binnen de Ordo Omegae Absolutae verdween De Vermis Mysteriis. jarenlang van de radar. Achter de schermen groeide echter een album dat talloze tegenslagen, personeelswissels en een compromisloze artistieke visie wist te overleven. “The faceless labyrinth of interstellar madness” is uitgegroeid tot een monumentale ode aan kosmische horror, esoterie en psychologische ontwrichting, maar tegelijk ook tot de definitieve zwanenzang van de band. We blikken samen met J., de drijvende kracht achter D.V.M., terug op een decennium van doorzettingsvermogen, de invloed van Lovecraft, de zoektocht naar een allesomvattend kunstwerk en de bewuste keuze om op het hoogtepunt de deur voorgoed achter zich dicht te trekken. (JOKKE)

(c) Alle foto’s door Anneleen Eeckhaut

We spraken elkaar een eerste keer een decennium geleden nav de “Ordo Omegae Absolutae – Compendium ordinis”-compilatie. Jullie bleken toen erg ambitieus te zijn, maar toch duurde het 10 jaar alvorens met een eerste langspeler op de proppen te komen. Vanwaar die erg lange radiostilte?

D.V.M. en bij uitbreiding de hele O.O.A. hebben nooit een ‘hobbelloos’ of vlekkeloos traject gekend, en bij de creatie van het D.V.M.-album was dat niet anders. Daar zijn diverse redenen voor. Kort na de democompilatie die je besprak, liet M.K.S. weten te zijn uitgekeken op black metal en andere oorden te willen opzoeken. Dat was ergens een breekpunt voor ons, zij het geen onverwachte wending. Op dat moment hadden we er overigens ook al een geschrapte poging tot het inblikken van het D.V.M.-album op zitten, een tweede breekpunt: we waren er namelijk fundamenteel ontevreden over.

Je vroeg je tijdens ons eerste interview al openlijk — en niet onterecht — af of het niet beter of efficiënter was om één project als focus te verkiezen boven een schare aan onderling verwante, en we hebben na die vermelde tegenslagen een ‘long, hard look in the mirror’ genomen. Na die periode van introspectie besloten de overgebleven leden en ikzelf om ons enkel nog op D.V.M. te focussen, waarna we alles op eigen houtje zijn gaan (her)opnemen, met vallen en opstaan, met de lessen die we hadden getrokken uit die eerste poging. COVID en de bijbehorende lockdowns hebben wat die opnamesessies betreft veel roet in het eten gegooid. Daarnaast hadden we op dat moment ook geen volwaardige vocalist meer, dus het album is lange tijd in de ijskast beland tot ik Matavitatau’s Θ benaderde kort na de uitgave van hun “Numen nescio“-demo. Ik was zeer te spreken over zijn Attila-achtige stemgeluid, en hij was op zijn beurt dan weer enthousiast over de muziek die bij ons stof lag te vergaren. Zo is de bal aan het rollen gebracht. In feite is het al best bijzonder dat het album nog het levenslicht heeft mogen zien na jaren van schijndood. De betrokkenheid van Ben en Θ is daarbij van onschatbare waarde geweest.

Het feit dat de zwanenzang van D.V.M. (en de O.O.A.) een verhaal vertelt over hybris en (persoonlijke) ondergang kun je dus — na dat relaas — gedeeltelijk autobiografisch noemen, zonder dat het daarom een pure gelijkstelling van het werk met de maker betekent. Het woord ‘zwanenzang’ neem ik overigens niet licht in de mond. Elk van ons is andere paden aan het bewandelen, ook op muzikaal vlak. Black metal blijft bij ieder van ons wel een bijzondere plek innemen, en er is tevredenheid dat we ons verhaal wat D.V.M. betreft hebben kunnen uitvertellen. Er valt iets te zeggen voor ‘ending on a high note’, en voor ons is dit album wel de ultieme verwezenlijking die we met D.V.M. konden bereiken. In de tussentijd ben ik ook al enkele jaren bezig aan een release voor mijn post-BM/post-metalproject Murmuration, waar naast mezelf en mijn jongste broer leden van Matavitatau en Soul Dissolution in zitten.

De titel “The faceless labyrinth of interstellar madness” is bewust groots en bijna overweldigend. Is dat een uitnodiging om in het album te verdwalen of wilden jullie juist vanaf de titel duidelijk maken dat dit geen toegankelijke luisterervaring zou worden?

De titel is inderdaad intentioneel zeer hoogdravend en tegelijkertijd ook ergens een knipoog naar het verleden van D.V.M.: die lag namelijk al vast nog voor er zelfs voldoende muziek was geschreven om van een album te kunnen spreken. Ergens een hommage, ergens een tijdscapsule. Het is even goed een titel die de lading dekt en door zijn gebrek aan kernachtigheid veel analysemogelijkheden en interpretaties oproept.

Mijn eigen visie of lezing ervan (auteursintentie) is dat de muzikale, tekstuele en narratieve wereld die D.V.M. wenst op te roepen de weergave is van een uitzichtloos doolhof waarbinnen de menselijke geest rondwaart. Dat labyrint, dat ergens een metafoor is voor het onderbewustzijn, draagt geen gezicht en heeft daarom geen aanknopingspunt. De mens is van nature geneigd gezichten te zien in allerlei patronen (pareidolie), het ontbreken van een (menselijk) herkenningspunt decentraliseert niet alleen ergens de eigen menselijke ervaring, maar drukt ook iets ‘bovenindividueels’ uit (je kunt daar een link naar Jung in zien, een gedeeld onderbewustzijn, enz.). De reis doorheen de sterren is er dus (parallel) één doorheen de krochten van de menselijke geest.

Het album is op meerdere vlakken bewust labyrintisch en het is dan ook vooral aan de lezer-luisteraar om binnen de overweldigende veelheid tot een eigen interpretatie te komen door middel van de ‘aporieën’ en ambiguïteit die het geheel (bewust, dan wel onbewust) bezit. Daarnaast is de titel ook een verwijzing naar verschillende elementen binnen Lovecrafts oeuvre: de entiteit Yog-Sothoth die tegelijkertijd gids en portaal is, de entiteit Azathoth die symbool staat voor de oerchaos als tegenhanger voor (de door de mens opgelegde) orde en structuur, enz.

We zijn erg opgetogen met “The faceless labyrinth of interstellar madness, maar het feit dat dit meteen ook jullie zwanenzang is, is wel een kleine domper op de feestvreugde. Was het album altijd bedoeld als een definitief slothoofdstuk of is dat besluit pas tijdens het creatieproces gegroeid?

Dankjewel voor het compliment. Ik had als drijvende kracht achter D.V.M. altijd de intentie om te streven naar een full-length album, dat was mijn houvast, mijlpaal, constante. ‘The sun to my Icarus’, ook wel ergens, want het heeft veel gevergd. Wat er na dat album zou komen, was een bonus. Er is effectief wat materiaal geschreven en gerepeteerd geweest, en er is nog mijn O.O.A.-tablatuurarchief met losse ideeën, (half) afgewerkte songs, riffs, enz. Of ik daar ooit nog iets mee doe, daar kan ik op dit moment weinig duidelijkheid over verschaffen. Het staat op dit moment alleszins niet hoog op mijn prioriteitenlijst. 

Toen het album geleidelijk aan zijn afgewerkte vorm bereikte, besefte ik dat het voor mij voldoende was geweest. Ergens was er al sprake van ‘tying up loose ends’ omdat de band D.V.M. al op onuitgesproken wijze niet meer bestond: we repeteerden steeds minder, ik schreef geen nieuw materiaal meer, enz. Ik heb toen aan de andere leden gesignaleerd dat het voor mij zou eindigen wanneer het album uit was. Dat was een lastige keuze, maar even goed een Gordiaanse knoop die al enige tijd diende te worden doorgehakt. Ergens geloof ik ook wel dat het album onze apotheose als band is, een eindigen in schoonheid. Het is een bombastisch en triomfantelijk eindigen in mineur.

De muziek werd grotendeels opgenomen en heropgenomen tussen 2019 en 2021, terwijl de zang pas in 2025 werd ingeblikt. In de tussentijd zijn jullie ongetwijfeld als muzikanten én als mensen geëvolueerd. Was het moeilijk om opnieuw aansluiting te vinden bij materiaal dat jaren eerder geschreven was?

Terechte opmerking. Ik schreef het merendeel van die songs inmiddels al zodanig lang geleden dat er enerzijds een bepaalde nostalgie en anderzijds een zekere afstandelijkheid mee gepaard gaat. De repetities en sessies waar we als voltallige band vorm gaven aan die nummers om er dan gaandeweg zaken aan te polijsten liggen ook al enige tijd achter ons. Terzelfdertijd is er wel een zekere trots ten opzichte van dat materiaal. Ik heb leren componeren en gitaarspelen dankzij D.V.M., dus er is geen mis te verstane appreciatie en, tja, trots. De D.V.M.-leden die bijdroegen aan het album staan evenzeer nog steeds achter de creatie, zelfs al is die ergens een tijdscapsule die een jeugdiger versie van onszelf weergeeft. Door het wegvallen van M.K.S. kon ik daarentegen de conceptuele en tekstuele uitwerking meer een eigen draai geven, waardoor er ook wel wat van de oudere J. in het album doorschemert. Een hand reiken aan je jongere zelf heet dat dan. Het was een labyrint waar ik mezelf meermaals ben tegengekomen.

De teksten dateren oorspronkelijk uit de periode 2013–2017, maar werden later grondig herwerkt. Hoeveel van de oorspronkelijke visie van M.K.S. is uiteindelijk overeind gebleven en op welk moment werden de teksten eerder die van jou dan van hun oorspronkelijke auteur?

Vrij veel van wat M.K.S. indertijd heeft geschreven leunde sterk op het werk van Lovecraft, maar evenzeer op de “Necronomicon” van Simon (vermoedelijk een pseudoniem voor Levenda) en Tyson. Die twee laatste boeken (beiden een versie van Lovecrafts fictieve grimoire) hadden een sterke associatie met de mythologie van de Vruchtbare Sikkel (bv. Ea, Tiamat), maar ook met andere mythologische en religieuze tradities. Zo zijn er referenties naar entiteiten en begrippen die ook binnen de kabbalistische traditie vallen (Lilith e.a.). Die elementen en de onderliggende visie heb ik zo goed mogelijk proberen te behouden. Het conceptverhaal (de neergang van de magiër en de menselijke wereld) heb ik dan weer meer geëxpliciteerd en uitgewerkt; verschillende stukken tekst heb ik ook geschrapt om meer plaats te laten voor de muziek. Soms – en de ironie daarvan ontgaat me niet als zelfverklaard maximalist – helpt ‘dat tikkeltje minder’ de andere elementen meer te ademen: de klemtonen worden zo verlegd.

Daarnaast heb ik er ook voor geopteerd om een aantal meer bombastische woorden of zinsneden toe te voegen, waarbij ik op ostentatieve wijze refereer aan de Britse romantiek (Wordsworth en Coleridge) en de uitloper daarvan, nl. de Gothic (Poe). Het album is hoe dan ook een werk dat — mijns inziens — veel pathos bevat, het spreekt dan ook haast voor zich dat de tekstuele component bijdraagt aan de weergave van een coherent ‘Gesamtkunstwerk’.

Sommige van M.K.S.’ meer bijzondere of merkwaardige tekstuele keuzes heb ik dan weer bewust overgenomen en ‘geherinterpreteerd’: “For the state in which I still digress / Is confusion made perfection.” uit Devourer of Nocturnal Serenity, bevat een gebruik van ‘digress’ dat semantisch verwarrend overkomt, wat me passend lijkt gezien de context. Het is voor mij zowel bedoeld als “to stray”/”to wander” als “to ramble”, met de nadruk op die laatste, meer talige betekenis. Via bezweringen, bij uitbreiding door taal, denken we en vormen we denkbeelden. Een spreuk of bezwering is een poging tot creatie, tot het manifesteren van iets door het — vrij letterlijk — op te roepen. Je kunt dat ook gaan associëren met het Bijbelse “Het Woord is vlees geworden” uit Johannes 1:14, de prelapsarische één-op-één-relatie die er voor de Val (Eden) en de Babylonische spraakverwarring leek te bestaan tussen woord en referent, de Joodse legende omtrent de Golem die via het woord ‘EMET’ (waarheid) tot leven werd gewekt, enz. Taal is een (om niet te zeggen hét) structurerend element van ons zijn, waardoor er kan worden gesteld dat we nooit tot de eigenlijke werkelijkheid kunnen doordringen (zie het linguïstisch determinisme van o.m. Derrida) omdat we vastzitten in het symbolische of semiotische: ook dat is ontegensprekelijk desoriënterend en verwarrend. De ‘digression’ van de magiër is dat daarom even goed: het lijkt alsof hij geen weg meer vindt in (of uit) zijn woorden. Kortom, door “I still digress” te behouden heb ik dus een betekeniswijziging doorgevoerd, terwijl het door M.K.S. gekozen woord hetzelfde is gebleven.

Zoals reeds vermeld, werd na het vertrek van M.K.S. zanger Θ (Matavitatau) aangetrokken. Een erg goede zet daar we zijn gevarieerde vocalen erg goed kunnen smaken. Zijn liturgische zangstijl geeft de muziek ook een orthodoxe twist. Heeft hij veel speelruimte gekregen bij het inblikken van zijn vocalen; de teksten werden immers niet door hem geschreven waardoor ik me kan inbeelden dat het wel wat inlevingsvermogen vraagt.

Je bewondering voor Θ’s vocale kunsten wordt ook hier gedeeld, en ik vind zelfs dat zijn prestatie het geheel naar een hoger niveau tilt: als het ware een groteske mis die de ondergang van de mensheid inluidt. Het ‘orthodoxe’ waar je het over hebt is inderdaad wel van toepassing, ook omdat ik D.V.M. qua muzikale uitwerking altijd wel met dat soort black metal associeerde.

De teksten werden inderdaad voor Θ voorzien (in meer of mindere mate op basis van M.K.S.’ schrijfsels), maar ik heb hem vooral aangemoedigd om zich over te geven aan het ritualistische en theatrale bij zijn prestatie. Pathos is essentieel. Daarnaast heb ik hem ook — moet gezegd zijn — het vuur aan de schenen gelegd om dat tikkeltje extra te geven. 

D.V.M. was altijd een soort — contradictio in terminis — ‘democratische dictatuur’ waar ik als voornaamste maker de ruimte gaf voor de te leveren prestatie, maar ook de touwtjes stevig in handen wenste te behouden. Θ heeft zich alleszins op uitstekende wijze van zijn taak gekweten, en wist me te zeggen dat hij ook achter de teksten staat die hij heeft ingezongen. 

Het album werd over meerdere jaren opgebouwd, terwijl de blackmetalscene in die periode sterk veranderde. Hebben jullie ooit overwogen om de muziek of productie aan te passen aan hedendaagse ontwikkelingen of was het net belangrijk dat dit album een tijdscapsule bleef? 

Het was essentieel dat de oorspronkelijke visie en kern werden behouden. Trends komen en gaan, en we hebben er inmiddels al verschillende zien passeren: DSBM en post-BM, orthodox black metal, de IJslandse uitloper die door orthodox BM werd geïnspireerd, (vampiric) raw black metal, enz. Belangrijk is dus om jezelf niet te verloochenen en je integriteit te bewaren als artiest in plaats van kritiekloos toe te geven aan wat er ‘hot’ is op een bepaald moment. Ik vind persoonlijk dat het album duidelijk klinkt als iets dat vorig decennium zou kunnen zijn uitgebracht, maar het ‘up to date’ brengen zou als een perversiteit hebben aangevoeld. Daarnaast, als er één genre is dat op haast obsessieve wijze teruggrijpt naar zijn verleden, dan is het wel black metal.

Jullie grijpen terug naar Lovecraft, maar zijn mythologie is inmiddels bijna een cliché binnen extreme metal. Wat bood de Cthulhu Mythos jullie dat niet bereikt had kunnen worden met een volledig eigen kosmologie?

Je kunt het ergens nostalgie noemen. Lovecraft’s oeuvre heeft een sterke invloed gehad op me als puber en prille twintiger, en ik keer er nog steeds af en toe naar terug. Daarnaast was ik ook grote fan van de Maupassant (waar Kludde ook naar verwijst), Blackwood en Chambers’ “The king in yellow“. Het voelde dan ook als een evidente stap om die thematiek van kosmische horror te incorporeren. 

Ten tijde van D.V.M. vonden we als band de mogelijkheid om er een meer esoterische en occulte lezing aan te koppelen, deels omdat er al van zowel Simon als Tyson een “Necronomicon” was verschenen, deels omdat het in die periode een ware rage was om met occultisme bezig te zijn. Wat deden wij wat een Sulphur Aeon of een The Great Old Ones al niet hebben gedaan? Ik denk dat het dat is: die eclectische opname van esoterische lectuur. Daarnaast zou ik ook durven te zeggen dat D.V.M., wat de invloed van Lovecraft betreft, meer gemeen heeft met pakweg een Morbid Angel ten tijde van “Altars of madness” of “Blessed are the sick” dan met voorgangers binnen het blackmetalgenre.

Om dit antwoord af te sluiten: ik heb altijd een bepaalde verwantschap gevoeld met het verhaal omtrent de muziek van de vervloekte, Paganini-achtige violist Erich Zann. De haast apocalyptisch sombere en (melo)dramatisch maximalistische muziek van D.V.M. was voor mij telkens bedoeld als een weergave van wat Zann zou kunnen hebben gespeeld. 

Lovecrafts verhalen draaien vaak rond de onbeduidendheid van de mens tegenover het kosmische. Toch beschrijft jullie album ook een zeer persoonlijke psychologische ondergang. Was het belangrijk om die kosmische horror juist via een individueel perspectief tastbaar te maken?

De mens zoekt altijd een aanknopingspunt, zeker in de bevreemdendste der omgevingen. Ons werk koppelen aan een fictieve ‘everyman’ waar de lezer-luisteraar zich mee kan identificeren leek dan ook toepasselijk. In Simons “Necronomicon” krijgen we zogezegd het relaas van een occultist door wie we waarnemen, waarbij we de kennis die hij opdeed voor hij verdween in ons opnemen. In Lovecrafts werk is er telkens sprake van een ‘everyman’-figuur: aan uitgebreide karakterisering en ronde personages deed de man niet. Losstaand van het feit dat karakterevolutie moeilijk te bewerkstelligen valt in een kortverhaal, heeft dat onderling inwisselbaar hoofdpersonage mogelijk ook een andere rol, die (de net zoals Lovecraft zelf niet oncontroversiële) Houellebecq in zijn essay over Lovecraft uitdrukt als: “Lovecraft’s characters function as silent, motionless; utterly powerless, paralyzed observers”. Dat maakt het makkelijk om je in het hoofd van die observator te begeven. Ons album nodigt in feite de lezer-luisteraar uit om zich met het werk te identificeren, en — in feite — naar diens eigen ondergang te luisteren.

Daarnaast is dit album ook tot op zekere hoogte het verhaal van D.V.M. en mezelf als maker tijdens het creatief proces: de verklarende ondertitel zegt niet ontoevallig “from hubris to nemesis”, wat bewust naar de klassieke tragedies verwijst. De tragische fout (hoogmoed) leidt hoe dan ook naar de ondergang (hier verwoord als nemesis). Het proces dat tot dit album geleid heeft was een calvarietocht aangedreven door perfectionistische ambities en daarbij horende teleurstellingen. Dat het album meteen ook de ondergang van D.V.M. inhoudt mag je gerust symbolisch noemen.

Het album beschrijft een reis van hoogmoed naar ondergang. Is dat voor jullie louter fictie of zien jullie daarin ook een weerspiegeling van de moderne mens die denkt alles te kunnen controleren terwijl hij steeds grotere krachten ontketent?

Het is moeilijk om daar summier op te antwoorden, laat staan om daar geen ideologische of politieke dimensie aan te koppelen. De mens heeft gedurende millennia binnen het abrahamitische dogma geredeneerd dat de wereld voor hem is geschapen, dat de natuur bestaat uit hulpmiddelen in plaats van voelende wezens, dat hij de kroon op de schepping is: een antropocentrisme dat zonder meer arrogant te noemen valt. De verslaving aan een op het christelijk infinitisme geschoeid ‘eindeloos groeien’ is een logisch gevolg van de eerder aangekaarte zaken. Er moet telkens méér komen, ten koste van alles, vooral als dat een kleine machtsconcentratie aan de top van de samenleving ten goede komt. We hebben als mensheid fossiele brandstoffen kunnen inzetten, het atoom gespleten, artificiële intelligentie ontwikkeld, enz. We zijn echter als een tovenaarsleerling die niet weet wat hij heeft ontketend, en houden te zeer vast aan onze veilige dogma’s of aan escapisme en hedonisme om er bij stil te staan: het zou ons anders ‘gek’ (lees: depressief en suïcidaal) maken. Ik geloof sterk dat de kunst van een bepaalde tijdsperiode binnen een bepaalde samenleving die samenleving op tweeledige wijze zowel weerspiegelt als vormt. Het D.V.M.-album drukt bewust en onbewust de huidige malaise uit.

Veel conceptalbums verliezen zich in hun eigen verhaal waardoor de muziek bijna een illustratie van het concept wordt. Hoe hebben jullie ervoor gewaakt dat de composities ook zonder kennis van Lovecraft of de teksten overtuigen?

Vorm en inhoud hebben sowieso een innig verband bij ons, laat dat duidelijk zijn. Dat gezegd zijnde: het was ook onze bedoeling om een degelijk klinkend blackmetalalbum de wereld in te sturen dat puur vormelijk-muzikaal kon worden gesmaakt en gewaardeerd. Riffs, melodieën, harmonieën, enz. zijn bouwstenen die voor elk van ons essentieel zijn. Het is daarnaast belangrijker om een bepaalde sfeer of een gevoel over te brengen dan om van iedere luisteraar te verwachten dat die exact dezelfde boeken en artikelen heeft gelezen als wijzelf. Ik geloof daarbij niet in het dogma van de auteursintentie, of zoals Barthes het uitdrukte: “de auteur is dood”. Er is geen ultieme interpretatie. Daarnaast is het album evenmin bedoeld als propaganda, waar de inhoud primeert boven de (muzikale) vorm. Het concept is er, maar dient bewust als losse samenhang.

Jullie album vertelt een uitgebreid verhaal over kosmische horror en psychologische desintegratie, maar de cover geeft daar nauwelijks aanknopingspunten voor. Is die tegenstelling bewust gecreëerd om nieuwsgierigheid op te wekken of schuilt er een diepere symboliek achter die minimalistische vormgeving?

De albumcover is het resultaat van C.’s drip paintings, oftewel experimenten met vloeiende verf. Ze heeft zich daarbij ook laten inspireren door kunstenaars als Kamil Czapiga (bekend als Cosmodernism), die psychedelische en bevreemdende werken maakt met ferrofluids. Voor mij persoonlijk doen Cosmodernisms werken aardig denken aan Lovecrafts amorfe ‘shoggoths’. 

Vanwaar de tegenstelling tussen de hoogdravende titel, muziek en teksten enerzijds en de minimalistische cover en foto’s anderzijds? Het was de intentie om iets mysterieus en ambigu weer te geven, als het ware de vervaagde tekens van een onbekend schrift op een verweerde muur. Het is dus – daarbij aansluitend – inderdaad ergens een sec en fijn minimalisme dat de nieuwsgierigheid van de met corpsepaintfoto’s en bombastische fantasyschilderijen murw geslagen blackmetalluisteraar moet prikkelen.

De vloeiende vormen en het elegante en beweeglijke monogram zijn daarnaast evenzeer een representatie van de subaquatische en kosmische overtonen die Lovecrafts oeuvre bezit.

De plaat draagt een uitgesproken apocalyptische sfeer uit, waarin de vernietiging van de menselijke beschaving haast onvermijdelijk lijkt. Is dat pessimisme vooral een esthetische keuze die past bij het concept of weerspiegelt het ook jullie persoonlijke wereldbeeld?

Je vraag klinkt alleszins alsof we geslaagd zijn in ons doel. Opnieuw echter: ik ben geen voorstander van het werk volledig met de mens erachter te laten samenvallen (zie de ‘intentional fallacy’). Heldenverering is daarenboven de nood aan een godheid nadat we de christelijke God dood hebben verklaard. Ik nodig ieder uit om zijn conclusies te trekken wat het werk betreft. 

Om wat minder ontwijkend te antwoorden: cultuurpessimisme, een bepaald ondergangsgevoel en in meer of mindere mate een vorm van misantropie zijn verschijnselen die representatief (en representatieve (tegen)reacties) zijn voor de periode en samenleving waarin we leven. Dat die zaken een invloed hebben gehad op ons als persoon enerzijds en D.V.M. als geheel anderzijds, dat lijkt haast onvermijdelijk. 

De bandfoto’s van Anneleen Eeckhaut zijn erg sfeervol en mysterieus en behoren tot de meest intrigerende die we recent zagen. Welk concept zit er achter de maskers en deze fotoshoot?

Dankjewel voor het compliment. De maskers hebben we ergens tussen de compilatie en de eerste opnamepoging van het album gemaakt. Ik had met mijn toenmalige vriendin al eerder geëxperimenteerd met het creëren van gipsen maskers en redeneerde: met die kennis en ervaring kan ik iets doen. Het achterliggende idee was meerledig: ik wenste een bepaalde mysterieuze anonimiteit en uniformiteit neer te zetten, evenals een visuele component die wegging van de typische corpsepaint. Daarnaast wenste ik dat de maskers iets expressionistisch-primordiaal zouden weerspiegelen en dat ze bovendien zouden verwijzen naar de vismenshybride ‘Innsmouth look’ zoals beschreven door Lovecraft. C. heeft na de initiële vervaardiging haar grafische en knutseltalenten op de maskers botgevierd (papier-maché, schilderwerk, enz.). It was a team effort.

Groen, en meer bepaald ftalocyaninegroen G, was al gedurende enige tijd mijn geprefereerde themakleur voor het album omdat die voor mij iets giftigs, mysterieus, subaquatisch en kosmisch oproept, enigszins gelinkt aan Lovecrafts “The colour out of space“. Dat de albumcover uiteindelijk die kleur zou krijgen, dat stond na enige overpeinzingen en afwegingen buiten kijf. Op de dag van de fotosessie had C. daarenboven — bijna toevallig — een groene lap stof mee waar we Θ mee hebben uitgedost. De mistige, groenachtige omgeving waarin we ons toen bevonden leek ons haast iets te willen zeggen: het landschap is niet zozeer een decor, maar eerder een actief aanwezig personage, tot zelfs entiteit, waarbij Blackwoods kortverhaal “The willows” me onwillekeurig te binnen schiet. Er kwam daarom al snel het idee om de kleur groen een sleutelrol te laten spelen binnen de foto’s, wat ook duidelijk te merken is. Daarnaast vind ik het ook toepasselijk als omkering van de katholiek-liturgische betekenis van de kleur, waar groen ‘hoop’ betekent. Het gebruik ervan voor D.V.M. is, niet onverwacht, de weergave van de wanhoop en een niet te ontkomen fatum.

De foto’s zelf draaien dus, zoals gezegd, niet louter om de afgebeelde figuren, maar evenzeer om het kleurgebruik en het landschap. Wat die figuren zelf betreft: die dienen een vrij anonieme processie van sekteleden voor te stellen die zich in de wildernis een weg banen om zaken te bedrijven die buiten het oog van de samenleving dienen te gebeuren. Het bos was in de middeleeuwse literatuur een typische metafoor voor de wetteloze natuur t.o.v. de menselijke cultuurlandschappen. De woestijn is bij verschillende culturen een plek van transformatie, confrontatie en metamorfose (denk bv. aan Christus’ verzoeking, maar in Simons “Necronomicon” is er evengoed sprake van zo’n moment). Dat de figuren zich op een plek bevinden die aanvoelt als boven- of buitenmenselijk is dus een bewuste verwijzing naar een bepaalde tekstuele en beeldcultuurgebonden traditie.

Het album verschijnt, net als de compilatie destijds, op Altare Productions, een label dat bekendstaat om een eerder selectieve en compromisloze aanpak. Voelden jullie dat deze plaat alleen binnen zo’n context volledig tot haar recht kon komen?

Altare Productions blijft een uitgesproken voorvechter en vertegenwoordiger wat de underground blackmetalscene betreft; wars van alle trends en hypes doet het onverstoord zijn ding. Het contact met het label is steevast correct en goed verlopen. De persoon achter Altare geloofde daarenboven ook sterk in wat we wensten te maken en was zeer onder de indruk van ons album, wat best een compliment is. Zijn geloof in ons werk maakte het een logische keuze om met hem verder in zee te gaan. Daarnaast is het ook een eer om op het label te zitten van Nahtrunar, Tomhet, Turia (R.I.P.), Black Cilice en – sinds kort – Matavitatau.

Van de andere bands die deel uitmaakten van deze compilatie (Odibilis Signatus, Morkenatten, Sepulchrum en Necrosophia) is in tussentijd geen nieuw materiaal verschenen. Wil dat zeggen dat er met het verschijnen van “The faceless labyrinth of interstellar madness” een definitief einde aan de Ordo Omegae Absolutae komt?

Ergens was er al sprake van een einde aan de O.O.A. toen M.K.S. er de brui aan gaf: zonder hem was er namelijk geen Morkenatten, en hij was naast mijzelf de voornaamste drijvende creatieve kracht die met nieuwe nummers en ideeën kwam aanzetten. Na zijn vertrek kwam er die eerder aangekaarte periode van ‘soul-searching’, en sindsdien zijn de overige projecten ten voordele van D.V.M. steeds meer verwaarloosd tot er moest worden toegegeven: de O.O.A. is doodgebloed. Eigenlijk kun je stellen dat er na de twee eerder vermelde breekpunten (M.K.S.’ vertrek en de geschrapte eerste opnamepoging) al geen sprake meer was van een volwaardig collectief, maar eerder van een tunnelvisie/focus die uiteindelijk (na vele wacht- en werkintervallen) tot het D.V.M.-album heeft geleid. Mijns inziens is het een passend eindpunt, een soort apotheose die bloed, zweet en tranen gekost heeft. Het labyrint is gebouwd; nu is het aan hen die zich erin willen wagen.