ildjarn

Níðstöng – Norðurríkið

De naar IJsland geëmigreerde Duitser Adrian Brachmann kwam op Addergebroed al eerder aan bod met zijn veelbelovende project Äkth Gánahëth en diens eerste langspeler “Crowned in shadows“. In het interview gaf hij aan nog tal van andere projecten lopende te hebben, voornamelijk als one-man band. Níðstöng is er daar één van en “Norðurríkið” is het eerste kort en bondige statement. Daar waar de man zich bij Äkth Gánahëth vooral door de Franse LLN laat beïnvloeden, trekt hij voor Níðstöng referenties als Sort Vokter, Ildjarn en Nidhogg uit de kast. Een combinatie van punk geïnfuseerde blackmetal en ambient is met andere woorden wat je kan verwachten, een combinatie van muziekstijlen die ik doorgaans weinig te rijmen vind daar die eerste vooral op primaire energie inzet en die laatste op atmosfeerzetting mikt. Binnenkomer “Úlfhéðnar” trapt dit debuut op een aanstekelijke en swingende manier op gang zoals ook een Invunche dat op “II” deed. Ook “The eternal cycle” rockt als een tiet, maar dan eerder dankzij een eerder mid-tempo black ’n roll Darkthrone-aanpak. “Dauðinn hvíti” vat meteen de op de IJslandse grasvlaktes grazende koe terug bij de horens voor een straightforward zwartgeblakerde uitbarsting die na anderhalve minuut terug gaat liggen, waarna “Thule” terug meer punkelementen laat doorschemeren. In het downtempo “Emperors of the glacial realm” is ook ruimte voor old-school geluiden zoals we die kennen van oudgedienden Celtic Frost. De twee laatste nummers “Móskarðshnjúkar” en “Heiðin” gooien het over een totaal andere boeg en trekken – u vroeg zich ongetwijfeld al af waar die ambient bleef – volop de kaart van duistere dungeon synthklanken. Het lijkt met andere woorden plots alsof we naar een totaal andere plaat aan het luisteren zijn. Ik word er haast schizofreen van. Het was misschien logischer geweest één van beide als intro te gebruiken, maar ik snap ook wel dat Adrian liever met de deur in huis wou vallen. Punky black metal moet het doorgaans van zijn dodelijke maar aanstekelijke eenvoud en kracht hebben. Dat eerste is hier in elk geval waar want de vijf ‘metalen’ nummers klinken ongecompliceerd, zijn net als IJslandse Skyr van al hun overtollig vet ontdaan, maar klokken soms nogal abrupt af waardoor ik het gevoel had dat Adrian hier eerder de regels van de kunst wil laten primeren in plaats van de songs nog verder uit te werken. De sound is ook wat dunnetjes en had wat extra punch mogen hebben om echt als een vuistslag in je onderbuik aan te voelen. “Norðurríkið” bevat dus wel enkele kanttekeningen, maar zal ongetwijfeld ook wel tot bij de liefhebbers van punky black weten door te dringen.

JOKKE: 75/100

Níðstöng – Norðurríkið (Eigen beheer 2020)
1. Úlfhéðnar
2. The eternal cycle
3. Dauðinn hvíti
4. Thule
5. Emperors of the glacial realm
6. Móskarðshnjúkar
7. Heiðin

Departure Chandelier – Dripping papal blood

Dripping papal blood” vormt een nieuwe episode in Departure Chandelier’s kijk op het leven van keizer Napoleon die door Nostradamus als antichrist gezien werd. Hoewel ‘nieuw’ misschien een foute woordkeuze is. Het betreft hier namelijk een onuitgebrachte demo die tien jaar geleden – net als de fantastische langspeler “Antichrist rise to power” – opgenomen werd in de band’s toenmalige “The prisoner’s chant…” Studio die gehuisvest was in de catacomben van het oudste kerkhof van New York. Zoals de titel al enigszins prijsgeeft, handelt deze demo inhoudelijk over de complexe en heftige rivaliteit tussen keizer Napoleon en de op het coverontwerp/schilderij van Jacques-Louis David afgebeelde Paus Pius VII, die resulteerde in diens laatste opsluiting. Ondanks zijn onverenigbaarheid met het pausdom, wist Napoleon dat hij nog steeds de symbolische autoriteit van de Kerk nodig had tijdens zijn zelfkroning. Hij benoemde zijn halfoom Joseph Fesch tot kardinaal en na de staatsgreep van 9 november 1799, waarbij Bonaparte de macht greep in revolutionair Frankrijk, gaf Napoleon aan de wrede kardinaal het bevel om de paus te overtuigen om zijn kroning bij te wonen. Later werd Fesch ontdaan van religieuze macht en werd hij uit het bisdom geworpen omdat hij de onverzettelijke houding van Napoleon jegens de Kerk tartte. Fesch stierf in 1839 in Rome, omringd door zijn fameuze schilderijenverzameling, die meer dan 20.000 doeken zou hebben geteld, en na zijn dood geleidelijk geveild werd. Tot dusver wat duiding van het concept; over naar de muziek nu! De twee volwaardige nummers die we tussen de intro en outro aangeboden krijgen, handelen over het samenspel en de driehoeksverhouding tussen Napoleon, de kerk en zijn eigen kunstplunderende familieleden die door nepotisme aan het bisdom zijn aangesteld. Na de mysterieuze en door engelenzang en klokkenspel ook sacraal aandoende openingsklanken van “Corrupt saints of Notre Dame” zorgt het grotendees mid-tempo “Between this world and the next” voor een sombere en treurige begrafenisstemming. Religieus aandoende gezangen mengen zich met de raspende black metal stem die haar kijk op deze historische taferelen weergeeft. Muzikaal gezien is het een vrij repetitief gestript black metal-nummer waarbij de keyboards relatief ondersteunend op de achtergrond blijven. “The one still to come” gooit het over een andere boeg en stuwt het tempo de hoogte in waarbij ook de voor Departure Chandelier typerende retro klinkende jaren ’90 toetsen op de voorgrond treden. Dit is Departure Chandelier ten voeten uit: van nature uit primitief en ongepolijst maar met voldoende karakter door de unieke historische thematiek en de catchy orchestratie. Het trio houdt er met een intro, een traag nummer, een meer uptempo song en een outro min of meer dezelfde aanpak op na als op de eerste demo “The black crest of death, the gold wreath of war” maar ondanks dat ik deze Napoleontic war black metal met invloeden van Ildjarn, Satanic Warmaster en Beherit heel hard kan smaken, is het betere materiaal toch daar en op de langspeler te vinden. “Dripping papal blood” valt momenteel enkel nog maar digitaal te beluisteren, maar een fysieke release zou in de maak zijn.

JOKKE: 79/100

Departure Chandelier – Dripping papal blood (Eigen beheer 2020)
1. Intro (Corrupt saints of Notre Dame)
2. Between this world and the next
3. The one still to come
4. Outro (Papal blood drips down to the hilt of the Antichrist’s saber)

Brånd / Häxenzijrkell – Split

Tweede split EP op rij voor het Duitse Häxenzijrkell nadat ze vorig jaar met labelmakkers LVTHN samenhokten voor een gespleten ten inch. Deze keer werd het Oostenrijkse Brånd als tegenpartij gekozen, misschien een iets meer logische keuze aangezien de sound van beide bands dichter bij mekaar ligt. Brånd is het geesteskind van Vritra, een illuster figuur die we ook kennen van Kringa. Brånd’s muziek is een amalgaam van post-punk, ambient en oer-black à la Ildjarn. Het lijkt misschien een wat vreemde combo op papier, maar in realiteit is dit heel goed te smaken. Een kille, spookachtige atmosfeer staat centraal, waarbij er heel wat ge-experimenteerd wordt met heldere en verwrongen vocalen, toetsen en xylofoons en effectenpedalen maar ook de basgitaar eist een grote rol op in de meer noisey passages van het zeven minuten durende “Seis wies Sei“. De punky start van het nummer staat mijlenver weg van de sobere ijzingwekkende finale, maar toch vloeien de verschillende passages naadloos in mekaar over en klinken de overgangen nergens geforceerd. Een interessante ontdekking! De twee heren van Häxenzijrkell sleuren de luisteraar de ondergrondse catacomben in voor een portie ruwe, onheilspellende black. Zowel cleane gezangen als getormenteerde screams zetten een sinistere atmosfeer neer die baadt in een ritualistische waas en ook hier heel bezwerend en innemend klinkt. Dit is een EP die dankzij het trance opwekkende karakter van de muziek geschikt is om een uur lang in een loopje af te spelen. Geschikt voor liefhebbers van Urfaust, Kwade Droes en konsoorten.

JOKKE: 85/100 (Brånd: 85/100 – Häxenzijrkell: 85/100)

Brånd / Häxenzijrkell – Split (Amor Fati Productions/Tour de Garde 2020)
1. Brånd – Seis wies Sei
2. Häxenzijrkell – Der Totenrijtt

Invunche – II

Oorspronkelijk in 2018 verschenen via het obscure tapelabel the тide øf тhe εnd, maar nu door Babylon Doom Cult Records een tweede leven krijgend op vinyl: de eerste langspeler van het Nederlands/Chileense Invunche getiteld “II“, aangezien er in 2014 al een demo aan vooraf ging. De bandnaam is ontsproten aan de Chileense folklore en mythologie waarin invunche een legendarisch monster is dat de toegang van de tovenaarsgrot beschermt. Het is een misvormde mens met zijn hoofd naar achteren gedraaid, samen met gedraaide armen, vingers, neus, mond en oren. Het wezen loopt op één of drie voet(en) (eigenlijk één been en twee handen) omdat één van zijn benen aan de achterkant van zijn nek is bevestigd. De invunche kan niet spreken en communiceert alleen middels keelachtige, ruwe en onaangename geluiden. Deze laatste beschrijving is ook van toepassing op de rauwe black die El Invunche, de solo herriemaker van dienst, een half uur lang op ons afvuurt. Primitieve punk, Darkthrone worshipping black, vuil bassmeer, noisey industrial en psychedelische rock zijn de ingrediënten voor deze explosieve cocktail die je als ‘shamanic black punk‘ of ‘blackened trance punk‘ zou kunnen omschrijven. Niet te veel nadenken echter en het buikgevoel laten spreken! De compacte nummers laten amper ademruimte, vloeien meermaals naadloos in mekaar over en zetten bij wijlen aan tot dansen. Ik verwacht ondanks het Latino-gevoel dat in de riffs geëncapsuleerd is en de Black Twilight Circle-sfeer die wordt neergezet echter geen sensuele salsa maar een soort van spastische pogo waarop fans van Ildjarn en Bone Awl kunnen losgehen. Op 18 oktober deelt Invunche bij wijze van releaseshow het podium met Lubbert Das en Alkerdeel in de Utrechtse dB’s. Allen daarheen zou ik zeggen om die ledematen los te gooien!

JOKKE: 82/100

Invunche – II (Babylon Doom Cult Records 2019)
1. El vacío
2. Ciudad
3. Ruina
4. La puerta del sol
5. Asfalto
6. La machi
7. La sombra
8. Entre el mar y la montaña
9. Arena
10. Salvaje
11. El poder telúrico
12. El wekufe

Óreiða – Óreiða

Na twee demo’s en een split met het Portugese Holocausto Em Chamas achtte Óreiða de tijd rijp voor een volwaardige langspeler. Op basis van het nummer dat deze IJslandse einzelgänger op de split liet horen, verwacht ik best veel van dit debuut. Binnen de immens populaire IJslandse black metal-scene heeft Óreiða haar eigen niche reeds gevonden en laat ze een sound horen die serieus afwijkt van de rest van de scene. Het recept voor de vier nummers, die in totaal op vijfendertig minuten afklokken, is heel minimalistisch: men neme één, maximum twee gitaarriffs die eindeloos lang herhaald worden en het doel hebben om tot in het diepste van de menselijke geest door te dringen. Emoties boven intellect met andere woorden. Door het ontbreken van vocalen zou je Óreiða’s muzikale creaties als een vorm van extreme post-rock kunnen bestempelen, maar toch hoor je ook wel invloeden van een Burzum, Ildjarn of Payasage d’Hiver terug. Ook de geest van drone-acts zoals Coil en Nurse Without Wound en de minimalistische aanpak van Vomir waart doorheen de vier nummers. Met slechts een handvol riffs per nummer in de aanbieding en één drumbeat die genadeloos lang doordendert, is het natuurlijk erop of eronder. Bij de eerste luisterbeurten in de wagen was ik niet echt ondersteboven van de vier nieuwe nummers. Óreiða’s muziek vraagt immers veel aandacht om te absorberen en is niet geschikt om als achtergrondmuziekje op te zetten. Al liggend in de sofa met de lichten gedimd en de ogen gesloten de plaat ondergaan, riep echter een andere beleving op. De stroom aan gelaagde atmosfeer maakt zich zo gestaag van je meester en je merkt toch minieme klank- en kleurschakeringen op in de vier nummers. “Daudi” neigt het meest naar groots klinkende symfonische post-rock, terwijl de riff(s) van “Dagar” en “Draumar” toch duidelijk geworteld zijn in black metal. Het lijkt wel of allerhande details zich als lichtschuwe creaturen in de gitzwarte riffmist verschuilen. Afhankelijk van waar je je op focust, openbaren deze geheimen zich stelselmatig. Zo creëren de dronende geluiden die in “Dagar” uit de dichtgeplamuurde riffmuur opborrelen een illusie van screams die je in de verte hoort, hoewel de songs toch wel écht instrumentaal zijn. “Draumar” valt op door haar repetitieve bezwerende Summoning-achtige toverfluitjes die een middeleeuwse sfeer creëren. Ook “Draugar” ligt in het verengde van dit nummer. Óreiða heeft er goed aan gedaan om haar langspeler met een speelduur van zesendertig minuten aan de korte kant te houden, want anders zou het wel wat te veel van het goede geweest zijn. Geweldige groeiplaat wel.

JOKKE: 85/100

Óreiða – Óreiða (Harvest Of Death 2019)
1. Dagar
2. Draumar
3. Daudi
4. Draugar

Zwarte Dood – Voor zijn glorie

Tweede demo voor het Belgische Zwarte Dood. De eerste tape “Van Kaïn’s zaad” kwam aan het eind van de zomer uit en katapulteerde ons meteen naar de donkerste winterdagen. Nu is het de beurt aan “Voor zijn glorie” (ra ra ra wie hier alom geprezen wordt) die de duisternis van deze decembermaand perfect omarmt. Mastermind ZD heeft met behulp van D en CV vier nieuwe nummers ingeblikt die aangevuld worden met de nodige intro, interlude, outro en coversong. Op de eerste demo werd Ildjarn geëerd, nu is het de beurt aan Thorns met een geslaagde versie van diens meest bekende en beste song “Ærie descent“. Het eigen materiaal kan opgesplitst worden in twee delen. De twee songs die voor het interlude passeren bulken van de agressie waarbij de demonische krijsen en krakende drumaanslagen de riffs (spijtig genoeg) wat naar de achtergrond duwen. Maar rauw is het zeker. In het lugubere en traag voortkruipende “Onze vervloekte bloedlijn” en het met een duivelse riff startende “Elf nagels voor de ziel” daarentegen neemt atmosfeer de overhand en worden de screams en drums meer op de achtergrond geduwd ten voordele van gitzwarte duisternis. Zwarte Dood staat gelijk aan old-school black metal die pure ongefilterde misantropie als boodschap uitdraagt. “Voor zijn glorie” is dan ook enkel bestemd voor individuen die in de diepste krochten van de underground op zoek zijn naar hun geliefkoosd gitzwart spul dat niet aan de moderne geluidsnormen voldoet. Of voor wie een antidote nodig heeft voor de melige kerstliedjes die we dezer dagen naar ons hoofd gesmeten krijgen. 

JOKKE: 75/100

Zwarte Dood – Voor zijn glorie (Invicta Requiem Mass 2018)
1. Aanvang  
2. Doodsaanbidding  
3. In de glorie van Baaltzelmoth  
4. Interlude 
5. Onze vervloekte bloedlijn 
6. Elf nagels voor de ziel  
7. Uitvaart  
8. Ærie descent (Thorns cover)

Zwarte Dood – Van Kaïn’s zaad

Black metal heb je in alle maten en gewichten. Van extreem technisch, avant-garde, progressief en dissonant spul tot simplistische, rechtlijnige en ruwe ketelherrie. Het nieuwe Belgische Zwarte Dood – suffe bandnaam wel –  houdt niet zo van technische snufjes en complexe toestanden en richt zich tot de oerkrachten van het genre zoals dat zich begin jaren negentig manifesteerde. Na de verplichte ambient-intro, schiet de titeltrack van deze demo uit de startblokken waarbij ruw, haatvol en vernietigend de codewoorden zijn. Tussen de feedbackende gitaren en het gekraak van de punky galopperende drums, perst main man ZD haatdragende vocalen uit zijn salpeterstrot. Simpel maar effectief. “Ik roep de duisternis aan me te omarmen” is geen standaardnummer daar het eerder een collage van getormenteerde vocalen, penetrerende feedback en demonische noise behelst. Halfweg valt een trage drumbeat in die de song naar ongefilterde misantropische haat leidt. De duivels teringherrie van het ondergeproduceerde “Het naamloze pad” manifesteert zich opnieuw via punky, rockende riffs en tonnen gekraak, feedback en noise. Afsluiten doet Zwarte Dood met “Nacht en mist” een cover van het Ildjarn-Nidhogg-nummer “Natt og tåke” van diens “Norse” EP, dan weet je meteen ook waar de mosterd gehaald werd. Zwarte Dood brengt echter een nog r(a)uwere versie van het origineel. Dit is geen black voor tere zieltjes.

JOKKE: 72/100

Zwarte Dood – Van Kaïn’s zaad (Signal Rex 2018)
1. Aanvang 
2. Van Kaïn’s zaad
3. Ik roep de duisternis aan me te omarmen
4. Het naamloze pad
5. Nacht en mist