nieuw-zeeland

Heresiarch /Antediluvian – Defleshing the serpent infinity

Liefhebbers van zompige death metal in combinatie met chaotische woeste en bestiale black zullen ongetwijfeld wel al van Heresiarch en Antediluvian gehoord hebben. Deze respectievelijk Nieuw-Zeelandse en Canadese bands slaan de handen in mekaar voor een split waarvan het nut me enigszins ontgaat. De helft van de geboden 21 minuten speeltijd wordt immers ingenomen door nietszeggende ambient. Dat zulke intermezzi op een langspeler vol teringherrie als rustpunt ingebouwd worden, begrijp ik, maar moet dat nu echt ook op een korte EP? In plaats van aan de dynamiek bij te dragen, maakt dit het geheel enkel maar meer verknipt. De twee échte composities die Heresiarch aanlevert, klinken zoals deze extreme niche het betaamt: woest en overdonderend en met een schedelsplijtende solo maar er zijn betere bands in het genre zoals Adversarial of Abyssal die je echt mee in een abyssale vortex weten sleuren. Bij Heresiarch blijf ik wat twijfelend over de rand van de dieperik staren. Antediluvian klinkt zowaar nog heftiger en gedesoriënteerder met een drummer die lukraak op al zijn schelen en trommels lijkt te kloppen. Ook hier klieft een gierende solo doorheen de dichtgepakte extreme geluidsbrij en maalstroom aan maniakale vocalen. Extreem is het in elk geval, maar ik krijg het warm nog koud. Beetje magere output ook na vijf jaar wat betreft Antedelivian. Deze gasten kunnen beter, dat bewezen ze in het verleden al op hun twee langspelers en kleinere releases.”Defleshing the serpent infinity” is een totaal overbodige split als je het mij vraagt.

JOKKE: 63/100 (Heresiarch: 66/100: Antediluvian: 60/100)

Heresiarch/Antediluvian – Defleshing the serpent infinity (Iron Bonehead 2020)
1. Heresiarch – Lupine epoch
2. Heresiarch – Excarnation
3. Heresiarch – No sanctuary
4. Antediluvian – Slipstream of Levi
5. Antediluvian – Prelude

Ulcerate – Stare into death and be still

Debemur Morti Productions kennen we vooral als hofleverancier van kwalitatieve black metal. Zo heeft het label tal van gewaardeerde acts onder de vleugels genomen, zoals Akhlys, Blut Aus Nord, Behexen en Inferno. Echter is het label niet vies van wat geëxperimenteer en heeft het een voorliefde voor bands met een eigenzinnige aanpak. Zo zien we ook White Ward, Kaleikr en Manes op het roster staan. Echter hebben al deze groepen een zekere affiniteit met het zwartmetalen genre, op één klepper na. Na vier jaar stilte in de studio (maar heel wat tours) brengt het Franse label de zesde langspeler van het Nieuw-Zeelandse Ulcerate uit. Op de metalen archieven wordt de groep omschreven als ‘technical death metal’, en normaalgezien is een omschrijving als deze genoeg om mijn interesse tot onder het nulpunt te doen bevriezen. Over het algemeen is mijn ervaring dat bands die onder die noemer geclassificeerd worden bijzonder goed zijn in tonen hoe goed ze hun instrumenten beheersen, maar hebben ze geen jota gesnapt van de les songwriting. Bands zoals pakweg Beyond Creation mogen dus wat mij betreft de vuilbak in. Ulcerate echter heeft wel goed opgelet in de klas, want “Stare into death and be still” is niet enkel technisch hoogstaand maar weet, in tegenstelling tot veel andere albums in het genre, wel degelijk een sfeer neer te poten die even in de kleren blijft hangen. Drummer Jamie Saint Merat staat al sinds het in 2016 uitgebrachte “Shrines of paralysis” bekend als één van de strakste drummers in de extreme metal, en ook op de nieuwe telg speelt hij zodanig strak dat je een ontregelde metronoom op zijn blast beats kun calibreren en waarmee hij Gene Hoglan naar de kroon steekt voor de titel ‘the atomic clock’. Waar het vroegere werk van Ulcerate mij minder kon bekoren omwille van bovengenoemde redenen heeft het trio van down under met deze nieuwe worp een nieuwe weg ingeslagen: hoewel brute agressie, doorspekt met dissonanten en woeste grunts nog steeds de basis van het album vormen, wordt hier veel meer ingezet op de sfeerbeleving van het album. Ulcerate klonk nog nooit zo duister, beklemmend en tegelijk dynamisch. De bijzonder heldere en volle sound is hier in grote mate debet aan maar ook de grote variatie in composities speelt een belangrijke rol. Waar bijvoorbeeld “Exhale the ash” en het titelnummer genadeloos op de trommelvliezen inbeuken zorgen nummers als “There is no horizon” en “Visceral ends” voor epische melodieën en wordt de voet zelfs even van het gaspedaal gehaald. Dit alles zorgt ervoor dat het album vlot wegluistert als één lang nummer. Nuja, ‘vlot’ is misschien niet meteen het juiste woord om een album dat barst van de dissonantie te omschrijven, gezien het geheel geen gemakkelijk verteerbare brok is maar er toch enige structuur in de chaos valt te ontwaren. “Stare into death and be still” is naast een zin die onze huidige manier van leven omschrijft dan ook een condens album dat een incubatietijd van meerdere luisterbeurten vereist en mondjesmaat zijn geheimen prijsgeeft. Ondanks het feit dat hun muziek op papier niet zo mijn kopje thee zou zijn, weet Ulcerate me met met de mond vol tanden te zetten en moet ik mijn ongelijk toegeven: wat een verdomd krachtig, coherent én technisch hoogstaand album geworden met een duistere, verstikkende sfeer waar we in de black metal zo naar hunkeren.

CAS: 85/100

Ulcerate – Stare into death and be still (Debemur Morti Productions 2020)
1. The lifeless advance
2. Exhale the ash
3. Stare into death and be still
4. There is no horizon
5. Inversion
6. Visceral ends
7. Drawn into the next void
8. Dissolved orders

Barshasketh/Outre – Sein Zeit

Fundamentele vragen in verband met het menselijk bestaan; iedereen stelt ze wel eens of worstelt ermee. Zo ook het uit Nieuw-Zeeland afkomstige, maar in Schotland residerende, Barshasketh en het Poolse Outre die hieromtrent samen een conceptuele split creëerden. Beide bands haalden inspiratie uit het boek “Zijn en tijd” (“Sein und Zeit“), het in 1927 verschenen magnum opus van de Duitse filosoof Martin Heidegger waarin hij de “vraag van het zijn” onderzoekt. In het nummer “Being” gaat Barshasketh op zoek naar een eigen doel en de ware wil van het “zijn” om zo de eigen geest te versterken. Voor de band is het reeds een derde split na eerdere collaboraties met Krawwl en Void Ritual. Op muzikaal gebied eert Barshasketh, net als op het in 2015 verschenen “Ophidian henosis“, de Noorse ijskoude gardes zoals een Gorgoroth: de ijzige en bijtende tremolo picking riffs vliegen dan ook acht minuten lang onomwonden rond de bevroren oren en wekken in elk geval een brandend verlangen naar meer op. Qua sound klinkt dit nummer dankzij de beruchte Necromorbus Studio tevens top-notch. Ook bij Outre gaat het er hevig en stevig aan toe waarbij in de vingervlugge riffs een meer moderne en progressieve post-black inslag waar te nemen valt die door de hypersnelle blasts en gecomprimeerde sound verstikkende werkt, wat positief bedoeld is. “Do I really exist? Or am I only flesh“? Tekstueel gezien handelt “Time” over de tijd, een geconsolideerd raamwerk van afgelopen en toekomstige gebeurtenissen, die ons “zijn” vorm geeft. Nadien smijt het Poolse kwintet er nog hun versie van de Armagedda song “Only true believers” tegenaan. Het origineel is een vette thrashy black metal underground-kraker en ook deze zwaarder klinkende herbewerking mag absoluut gehoord worden. Beide bands klinken absoluut overtuigend op deze existentiële split. Leuk hebbedingetje om aan te schaffen dus.

JOKKE: 82/100 (Barshasketh: 84/100 – Outre: 80/100)

Barshasketh/Outre – Sein Zeit (Blut & Eisen Productions/Third Eye Temple 2017)
1. Barshasketh – Being
2. Outre – Time
3. Outre – Only true believers (Armagedda cover)

 

Vassafor – Malediction

Op papier zou Vassafor mijn hart moeten kunnen veroveren met haar barbaarse mix van black, death en doom, maar in de realiteit blijk ik moeilijker te versieren zijn dan gedacht. In het verleden was ik niet altijd overtuigd van de (soms ellenlange) songs van het Nieuw-Zeelandse duo, want steevast waren ze mijn aandacht halverwege kwijt. Nu twee interessante labels hun handen in mekaar hebben geslagen om het langverwachte tweede full album op de mensheid los te laten, besloot ik Vassafor nog eens een kans te geven. Eén blik op de tracklist laat zien dat drie van de vijf songs nog steevast boven de tien minuten grens afklokken waarvan opener “Devourer of a thousand worlds” zelfs boven het kwartier. Het duurt even vooraleer de duisternis voldoende aangezwollen is om vervolgens loodzwaar uit de startblokken te schieten. Die startblokken zijn van massief beton gemaakt, want dit is onvervalste funeral doom waarover zwaar distorted vocalen dood en verderf prediken. Alleen begin mijn aandacht na een minuut of vijf weer af te dwalen en is er een versnelling nodig om me terug bij de les te houden. In de up-tempo stukken, voelt het geheel echter al snel modderig aan door de zompige sound, wat meer te maken heeft met de productie dan met de instrumentbeheersing van de twee heren. Net na de tien minuten grens dient een Deströyer 666-achtige riff de boel opnieuw te moeten redden. Conclusie na de openingstrack: hier had één goede song van vijf minuten ingezeten en de rest is middelmatigheid doordat de riffs niet spannend genoeg klinken. Geef me dan maar het snelle en bestiale “Emergence (Of an unconquerable one)” dat “slechts” vijf minuten nodig heeft om een dozijn nonnen naar het hellevuur te katapulteren, hoewel de trage riff halverwege opnieuw van een gebrek aan inspiratie blijkt. Het compacte “Elegy of the accurser” veegt het Vaticaan zelfs op drie minuten tijd van de kaart. Het kan dus! De laatste twee songs zijn terug monumentaler qua speelduur en hoewel ze danig verwrongen en overstuur klinken, weet enkel “Illumination of the sinister” met haar snelle, zwaar zagende riffs en ronkende bastonen te overtuigen. Zanger/gitarist VK zou volgens de geruchtenmolen ook deel uitmaken van het gelijkaardige Irkallian Oracle, dat mij een pak beter weet te bekoren. Nu zijn het enkel de kortere songs en snellere passages die de meubels weten te redden, want wanneer Vassafor de doomregionen induikt, weet ze niet boven de middelmatigheid uit te steken.

JOKKE: 70/100

Vassafor – Malediction (Debemur Morti Productions/Iron Bonehead Productions 2017)
1. Devourer of a thousand worlds
2. Emergence (Of an unconquerable one)
3. Elegy of the accurser
4. Black winds victoryant
5. Illumination of the sinister

Creeping – Revenant

Als een doorwinterde boer, ploeg ik op tijd en stond doorheen de ondergrond van mijn patattenveld en stoot ik daarbij, zoals mijn collega’s uit de westhoek, regelmatig op explosief materiaal, zoals nu het geval is met Creeping. De band uit Nieuw-Zeeland was een voor mij tot nog toe nobele onbekende, maar blijkt eerder reeds een EP, een split met Glorior Belli en twee full albums uitgebracht te hebben. “Revenant”, langspeler nummer drie betreft dus de eerste kennismaking met dit trio. Middels vijf songs krijgen we een half uur lang, smerige en beklemmende doomy black metal met occulte death metal inslag in onze maag gespietst, een variant van de zwartgeblakerde plaag die je helaas pindakaas niet zo vaak tegen komt. Hoewel het gaspedaal wel al eens ingedrukt wordt (“Scythes over my grave”) heeft deze band geen intentie om geflitst te worden aan adembenemende snelheden. “Cold soil” neigt zo zelfs naar vuile sludge. Het ietwat simplistische, maar hypnotiserende en effectieve riffwerk van “Drear” creëert een gevoel van onbehagen dat nog meer versterkt wordt door de in reverb gedompelde black/death grunts. Bands als (een trage) Malthusian, Primitive Man, Forn of Emptiness komen aardig in de buurt van deze obscure kiwi grafdelvers. Leuk plaatje en een aangename kennismaking!

JOKKE: 79/100

Creeping – Revenant (Daemon Worship Productions/Iron Bonehead Productions 2015)

1. Death knell offering
2. Scythes over my grave
3. Cold soil
4. Drear
5. Revenant

Barshasketh – Ophidian henosis

Als ik qua woonplaats zou mogen kiezen tussen Nieuw-Zeeland en Schotland zou mijn keuze snel gemaakt zijn. Hoewel beide landen prachtige natuurlandschappen bezitten, lijkt het overweldigend karakter van Moeder Natuur me in Nieuw-Zeeland nóg adembenemender. Als uitvalsbasis om een band te runnen lijkt Schotland me dan weer een logischere keuze, zeker als je tourplannen hebt. Dat moet ook Andrew Campbell (aka Krigeist), spilfiguur achter Barshasketh, gedacht hebben toen hij zijn thuisland inruilde voor de bakermat van haggis en William Lawson’s. Hij sprokkelde nieuwe bandleden bij Saor, Falloch en Haar en brengt nu met “Ophidian henosis” een derde langspeler uit. Meteen valt me op dat de band een serieuze stap vooruit heeft gezet ten opzichte van voorgangers “Defying the bonds of cosmic thraldom” en “Sitra achra”, zowel qua productie (kan niet anders als je een plaat gaat opnemen in de ondertussen befaamde Necromorbus Studio), songwriting en uitvoering. “Ophidian henosis” klinkt als de comebackplaat die Gorgoroth eerder dit jaar zou gemaakt moeten hebben. We krijgen immers typisch Noors black metal geweld met licht melodische toets te horen. In geen honderd jaar innovatief, maar wel lekker in het gehoor liggend. De vocalen van de frontman bevatten die ijskoude bevlogenheid van een Pest of Hoest en als je niet beter wist zou je de band meteen als Noors bestempelen. Er wordt dynamisch met verschillende tempo’s gespeeld en sporadische melodieuze solo’s geven de songs extra cachet. Toch blijven de songs, zelfs na ettelijke luisterbeurten, moeilijk hangen doordat het onderling onderscheidend karakter iets te klein is en het aan écht memorabele riffs ontbreekt. Het feit dat de inspiratie op was toen er songtitels gekozen moesten worden, maakt het moeilijk, zelfs na een paar luisterbeurten, om er een echte favoriet uit te pikken. Of het moet het vijfde deel zijn met een stuwende riff in het midden van de song en een slepende melodie als afsluiter. Op de voet gevolgd door het zesde hoofdstuk dat iets venijniger klinkt en opzwepender tewerk gaat. Al bij al wel een erg degelijke plaat waarvan ik trouwens overtuigd ben dat ze nog wel wat van haar geheimen zal prijsgeven de komende weken.

JOKKE: 79/100

Barshasketh – Ophidian henosis (Blut & Eisen Productions & World Terror Committee 2015)
1. Ophidian henosis I
2. Ophidian henosis II
3. Ophidian henosis III
4. Ophidian henosis IV
5. Ophidian henosis V
6. Ophidian henosis VI
7. Ophidian henosis VII

Jakob – Sines

Sinds 1999 bracht het Nieuw-Zeelandse Jakob gemiddeld om de twee jaar een plaat uit met (progressieve) post-rock die aardig klonk maar niet wereldschokkend was totdat in 2006 “Solace” op de mensheid losgelaten werd. Deze plaat schoot bij ondergetekende als een vuurpijl naar de top qua instrumentale post-rock. “Solace” is mijn muzikale compagnon tijdens laatavond- of nachtelijke cruises op de baan, waarbij ik mijmerend of doordrongen van melancholie langs bos ende velde (verloren) rijd. Ondertussen werd post-rock erg populair getuige ons eigenste Dunk! festival, maar in het Jakob kamp bleef het muisstil. Af en toe dook er op de sociale media berichtgeving op over de opvolger van dit meesterwerk, maar er werd niets concreet naar de buitenwereld toe. Vorig jaar zag het ernaar uit dat de nieuweling zou uitkomen en de band zou gaan touren, maar op het laatste nippertje vielen deze plannen in duigen. Telkenmale leken handblessures van de bandleden roet in het eten te gooien. Nu, na acht lange jaren, en op een moment dat de post-rock scene over zijn hoogtepunt heen is, ziet “Sines” eindelijk het daglicht. De verwachtingen zijn bij ondergetekende natuurlijk torenhoog. Altijd gevaarlijk, want de kans op teleurstelling is dan des te groter. Na een achttal luisterbeurten, kan ik jullie echter met een gerust hart verzekeren dat de nieuweling opnieuw een plaat is om duimen en vingers bij af te likken. Openingstrack “Blind them with science” liet enkele weken geleden al het beste vermoeden. In deze song borduurt het trio verder op de sound en atmosfeer die ze met “Solace” hadden neergezet. Ingetogen dromerigheid duelleert met pakkende erupties. Dit kunstje is natuurlijk al honderdduizend keer gedaan, maar Jakob weet telkens weer de gevoelige snaar te raken, daar waar collega’s me soms noch warm noch koud laten.  In het daaropvolgende prachtige, kippenvel opwekkende “Emergent” wordt de ontroer-modus aangezet. De beginmelodie zwelt op een meanderend tempo en gevoed door subtiele strijkers aan tot een gevoelige luistertrack. Tijdens de eerste seconden van “Magna carta” lijkt het alsof we te maken krijgen met het tweelingbroertje van “Everything all of the time”, één van de hoogtepunten van “Solace”. De gitaren van Jeff Boyle zetten een melancholieke soundscape neer op een simpele maar effectieve drumbeat van Jason Johnston die de symbiose aangaat met de pulserende baslijn van Maurice Beckett. Hoewel de song wel heel veel weg heeft van eerder werk, is dit toch weer een echte parel. Ook “Harmonia” is weer één brok emotie en pure schoonheid. Meer uptempo drumwerk stuwt deze song vooruit naar een finale waarin mooie strijkers het eindpleidooi voor hun rekening nemen. “Resolve” is met zijn negen minuten de langste track van de plaat waarin de band zich ook het hardste uitleeft. De andere songs vertellen hun verhaal in vijf à zes minuten aan de luisteraar, wat voor post-rockbegrippen aan de korte kant is. Effectiviteit wint het zo echter van langdradigheid. “Darkness” heeft zijn naam niet gestolen, want met zijn duistere ambient soundscape is dit de meest donkere song van de zeven. Met “Sines” toont Jakob nog maar eens aan waarom ze tot de crème de la crème van de post-rock scene behoren. Dromerigheid en ontlading spelen bij hen een melancholisch maar sensueel spel. “Solace” blijft niet te evenaren en behoudt de eerst plaats in mijn top drie qua post-rock, maar “Sines” nestelt zich met het grootste gemak op positie drie, om enkel “Red forest” van If These Trees Could Talk nog als buffer tussen beide meesterwerken te laten wringen. De band is bevestigd voor de komende editie van Dunk! festival. Gaat dat zien en wordt één met hun onaardse schoonheid.

JOKKE: 92/100

Jakob – Sines (The Mylene Sheath 2014)
1. Blind them with science
2. Emergent
3. Magna carta
4. Harmonia
5. Resolve
6. Darkness
7. Sines

Ulcerate – The destroyers of all

Als donderslag bij heldere hemel beukt het Nieuw-Zeelandse Ulcerate op mijn hersenpan in. Deze ruwe diamant was me totaal onbekend, alhoewel “The destroyers of all” al hun derde album is. We krijgen hier als hoofdgerecht een portie technische death metal voorgeschoteld om de vingers van af te likken. Vergeet van dat aanstellerig gitaargefriemel zoals Necrophagist of Karl ik-drink-te-veel-en-ben-dan-agressief Sanders, Ulcerate is veel gemener, gevaarlijker en terend op sfeer evenals techniek. Aparte nummers eruit lichten heeft weinig zin, aangezien “The destroyers of all” van alfa tot omega op het hoogste niveau zondigt. Een mix van Deathspell Omega en het recente Immolation is een redelijk accurate beschrijving van wat te verwachten. Denk vooral aan dissonante gitaren, diepe grunts, rare maten en donderende blastbeats. Het balanceert vaak op het randje van waanzinnigheid. Ulcerate voorkomt erover te gaan door gepaste sferische, bij wijlen ambient aandoende, stukken toe te voegen om niet te verdrinken in een kolkende massa van vreemdheid. “The destroyers of all” klinkt erg modern, tot de puntjes afgesteld en absoluut niet klinisch zoals meeste moderne death metalbands wel eens durven te klinken. Ondertussen heeft Relapse Records deze heren onder hun vleugels genomen. Quality pays off!

fLP: 84/100

Ulcerate – The destroyers of all (Willowtip 2011)
1. Burning Skies
2. Dead Oceans
3. Cold Becoming
4. Beneath
5. The Hollow Idols
6. Omens
7. The Destroyers of All