summoning

Óreiða – Óreiða

Na twee demo’s en een split met het Portugese Holocausto Em Chamas achtte Óreiða de tijd rijp voor een volwaardige langspeler. Op basis van het nummer dat deze IJslandse einzelgänger op de split liet horen, verwacht ik best veel van dit debuut. Binnen de immens populaire IJslandse black metal-scene heeft Óreiða haar eigen niche reeds gevonden en laat ze een sound horen die serieus afwijkt van de rest van de scene. Het recept voor de vier nummers, die in totaal op vijfendertig minuten afklokken, is heel minimalistisch: men neme één, maximum twee gitaarriffs die eindeloos lang herhaald worden en het doel hebben om tot in het diepste van de menselijke geest door te dringen. Emoties boven intellect met andere woorden. Door het ontbreken van vocalen zou je Óreiða’s muzikale creaties als een vorm van extreme post-rock kunnen bestempelen, maar toch hoor je ook wel invloeden van een Burzum, Ildjarn of Payasage d’Hiver terug. Ook de geest van drone-acts zoals Coil en Nurse Without Wound en de minimalistische aanpak van Vomir waart doorheen de vier nummers. Met slechts een handvol riffs per nummer in de aanbieding en één drumbeat die genadeloos lang doordendert, is het natuurlijk erop of eronder. Bij de eerste luisterbeurten in de wagen was ik niet echt ondersteboven van de vier nieuwe nummers. Óreiða’s muziek vraagt immers veel aandacht om te absorberen en is niet geschikt om als achtergrondmuziekje op te zetten. Al liggend in de sofa met de lichten gedimd en de ogen gesloten de plaat ondergaan, riep echter een andere beleving op. De stroom aan gelaagde atmosfeer maakt zich zo gestaag van je meester en je merkt toch minieme klank- en kleurschakeringen op in de vier nummers. “Daudi” neigt het meest naar groots klinkende symfonische post-rock, terwijl de riff(s) van “Dagar” en “Draumar” toch duidelijk geworteld zijn in black metal. Het lijkt wel of allerhande details zich als lichtschuwe creaturen in de gitzwarte riffmist verschuilen. Afhankelijk van waar je je op focust, openbaren deze geheimen zich stelselmatig. Zo creëren de dronende geluiden die in “Dagar” uit de dichtgeplamuurde riffmuur opborrelen een illusie van screams die je in de verte hoort, hoewel de songs toch wel écht instrumentaal zijn. “Draumar” valt op door haar repetitieve bezwerende Summoning-achtige toverfluitjes die een middeleeuwse sfeer creëren. Ook “Draugar” ligt in het verengde van dit nummer. Óreiða heeft er goed aan gedaan om haar langspeler met een speelduur van zesendertig minuten aan de korte kant te houden, want anders zou het wel wat te veel van het goede geweest zijn. Geweldige groeiplaat wel.

JOKKE: 85/100

Óreiða – Óreiða (Harvest Of Death 2019)
1. Dagar
2. Draumar
3. Daudi
4. Draugar

Dumal – The lesser God

Het is niet all cascadian style black metal wat de klok slaat daar aan de andere kant van de grote plas. Neem nu het uit Pennsylvania afkomstige kwartet Dumal bijvoorbeeld dat na een viertal EP’s toe is aan haar eerste langspeler “The lesser God“. Met een bandnaam ontleend aan Charles Baudelaire’s “Les fleurs du mal” en één blik op de gehoornde die op het hoesontwerp prijkt, weet je meteen ook waar de klepel hangt op gebied van tekstuele thema’s en invalshoeken: heilige huisjes worden ferm ingetrapt zoals onder andere blijkt uit “Abrahamic contagion” (“Invert – the trinity of liars / Pervert – the books that sustain them / Blaspheme – all names held there within / Desecrate – the temples built unto them / Deny – their prophet of ignorance / Tear down – the walls of paradise / Burn – all symbols of their faith / Destroy – the bloodline of Abraham“). De black metal die Dumal ons vijftig minuten lang voorschotelt, is een smeltkroes van invloeden uit de Noorse (Taake), Zweedse (Arckanum, Sacramentum), Poolse (Mgla) en Slavische scenes (Drudkh). De voorliefde voor die laatste wordt overduidelijk in het negen minuten durende “Ukrainia” waarvan de tekst ontleend is aan het werk van de Oekraïense dichter Taras Shevchenko en waarin vioolklanken een extra dosis weemoed toevoegen. Met voorsprong de meest opvallende track van de plaat. De gelaagdheid van de melodieuze riffs – indien nodig ondersteund door een subtiel keyboardlaagje –  weet mijn armhaartjes meermaals te erecteren en met de flow van de goed geschreven songs zit het meer dan snor. De instrumentale keyboardtrack “The wind demon” doet sterk aan Summoning denken en vormt een welgekomen rustpunt. Eigenlijk wist ik halverwege openingstrack “Fane of the clandestine” al dat Dumal haar zaakjes goed op orde heeft op “The lesser God“. Benieuwd wat deze band nog allemaal in haar mars heeft. Bedankt YouTube om dit Dumal op mijn muzikale pad te laten passeren!

JOKKE: 80/100

Dumal – The lesser God (Draigfflam Productions 2017)
1. Fane of the clandestine
2. Lost caverns
3. Abrahamic contagion
4. The path to the fortress is lined with statues
5. Serpents in the bramble
6. The wind demon
7. Ukrainia
8. Spring will never come

Midnight Odyssey – Shards of silver fade

Een weekje geleden stuitte ik online, vlak voor het slapen gaan, op “Starlight oblivion”, het eerste vrijgegeven nummer van de nieuwe plaat van het tot dan toe voor mij onbekende Midnight Odyssey. Wat er zich de volgende achttien minuten op auditief vlak afspeelde triggerde mijn interesse om de rest van de plaat op te zoeken. Het feit dat “Shards of silver fade” een mastodont van een plaat bleek te zijn die, verspreid over twee schijfjes, meer dan tweeënhalf uur (!!!) duurt, resulteerde bijgevolg tot een korte nachtrust en wallen waarbij de exemplaren van Walter Grootaers in het niets verdwenen. Van een gebrek aan creativiteit kunnen we mastermind Tony Parker bijgevolg ook niet beschuldigen. Van “zijn verhaal beknopt vertellen” of “straight to the point” komen echter wel. Maar ach, dat is ook helemaal de bedoeling niet van de Australische éénmansband Midnight Odyssey, want deze naam staat garant voor uitgesponnen en über atmosferische progressieve en kosmische ambient black metal (een hele mond vol). Maar staat de kwantiteit in dit geval ook gelijk aan constante kwaliteit? Om deze plaat naar waarde te kunnen schatten, moet je een zekere theatraliteit, progressiviteit of avantgarde in je black metal kunnen smaken. Hoewel dat bij mij maar tot op zekere hoogte het geval is, blijf ik toch aan mijn stereo gekluisterd. Collega Filip overleeft de eerste twee minuten zelfs niet zonder over zijn nek te gaan, daar durf ik mijn handen voor in het vuur te steken. Maar dit geheel ter zijde. De plaat trapt af met plechtstatige en epische cleane zang op een dik aangzwollen tapijt van keyboards. Pas na een kwartier nemen de black metal vocalen en grimmige gitaren de overhand. Net op tijd omdat ik juist begon in te dommelen. De black metal die je hier voorgeschoteld krijgt is geen moment agressief maar draait helemaal rond “atmosfeer” en de klinische drums storen hier zelfs niet bij. Op zijn beste en spannendste momenten neigen de klanken naar Summoning, Bal-Sagoth, Limbonic Art of Lunar Aurora. Spijtig genoeg zijn deze pieken te veel ondergesneeuwd in saaie en langdradige platte meug. De rustige stukken hebben evenveel met black metal te maken als McDonalds met gastronomisch eten. Niks, nada, niente. Het is eerder een soort van new of dark wave achtige (think Dead Can Dance of Fields Of The Nephilim) musical die we dan te verteren krijgen…en ik ben niet zo tuk op musicals. De grandeur in “A ghost in gleaming stars” doet zijn werk wel bij mijn armhaartjes en de grunts in “Asleep in the fire” creëren een episch doom momentum om even later op Dimmu-bombast over te schakelen. In een nachtelijke roes en op een hoog volume scoort de plaat wel beter dan op andere momenten geef ik grif toe. Een tijdje geleden kwam van labelgenoot Mare Cognitum een gelijkaardig album uit dat het een pak beter deed bij ondergetekende. Ik raad Tony aan om de volgende keer voor één schijfje te gaan (disc twee is de betere) en meer gefocust en gestroomlijnder te werk te gaan (tien minuten per nummer in plaats van twintig zullen ook wel volstaan om je verhaal te vertellen). De eerste twee nummers van disc twee zouden immers een knappe plaat van veertig minuten opleveren. By far de moeilijkste plaat die ik al heb gereviewed voor Addergebroed. 60/100 voor disc één en 80/100 voor disc twee bepalen de uiteindelijke score.

JOKKE: 70/100

Midnight Odyssey – Shards of silver fade (I, Voidhanger Records 2015)

Disc 1
1. From a frozen wasteland
2. Hunter of the celestial sea
3. Son of phoebus
4. A ghost in gleaming stars

Disc 2
1. Asleep in the fire
2. Starlight oblivion
3. Darker skies once radiant
4. Shards of silver fade