forteresse

Moldé Volhal – Into the cave of ordeals…

Lukrake aanbevelingen door vreemden op het internet checken is ook een manier om bands te ontdekken die ik anders mogelijks of zelfs waarschijnlijk zou hebben gemist. In het geval van Moldé Volhal kwam de tip vanuit het verre Chicago, en zelden is een openingsriff zo hard aangekomen. Geen gezever met intro’s, meteen erin vliegen is het motto van de band die net ten tonele is gekomen. Naast het feit dat ze Noors zijn en dat de “Into the cave of ordeals…” EP hun spiksplinternieuwe eerste wapenfeit is weten we helemaal niets over de band. Wanneer ik hun naam ingeef in Google krijg ik prompt recepten voor pasta op Italiaanse wijze voorgeschoteld, maar van black metal geen spoor. In elk geval is de speelknop amper goed en wel ingedrukt of Moldé Volhal trekt meteen alle registers open met een verschroeiend tempo en gitaarwerk dat wel wat doet denken aan, en even triomfantelijk klinkt als Forteresse. Enkel de rochelende vocalen geven een Noors tintje mee aan de sound die wel heel Québecois aandoet met een gestage stroom aan blast beats en repetitieve tremolo picked riffs die best warm klinken. “Beyond the red horizons of a thousand battles” komt opnieuw uit dezelfde hoek aanwaaien en komt galopperend op gang, maar bouwt al meer variatie in op vlak van tempo’s en heeft bijwijlen zelfs een punky kantje meegekregen. Het is pas het daaropvolgende “Through everlasting halls (thriumphant return to the keep of Moldé Volhal)” we get it, ‘t is geïnspireerd op een zelfgemaakte fantasywereld – dat door middel van plots heel aanwezige synths en het lagere tempo meer een eigen gezicht meekrijgt en de gitaarsolo halfweg klinkt even episch als de titel doet vermoeden. Na een intermezzootje komt het afsluitende “Moldé Volhal” dat voor het eerst scherpe Noorse randjes laat horen. Nog steeds krijgen we sterk rollende riffs zoals we dat uit Canadese hoek gewend zijn, maar de Noren klinken hier ruwer, kwader, minder warm en wel, meer Noors. In ’t begin dan toch, want halfweg horen we een passage met blazers die onverwachts doet denken aan Summoning, om er meteen daarna de meest kille riff van het album tegenaan te gooien waar uiteindelijk dan weer een melodieuze solo uit voortvloeit. De overgangen zijn niet steeds even conventioneel maar meestal vrij vloeiend, dus dat dit nummer met zijn zesenhalve minuut net iets teveel ideeën bevat kan ik nog ietwat door de vingers zien. Of het album al of niet een fysieke release zal krijgen en bij welk label dat dan zou zijn is ongeweten, maar dat “Into the cave of ordeals…” er als zoete koek in zal gaan bij liefhebbers van de Frans-Canadese scene mag duidelijk zijn.

CAS: 79/100

Moldé Volhal – Into the cave of ordeals… (Eigen beheer 2020)
1. Into the cave of ordeals…
2. Beyond the red horizons of a thousand battles
3. Through the everlasting halls (triumphant return to the keep of Moldé Volhal)
4. In the land where frozen rivers meet…
5. Moldé Volhal

Serment – Chante, Ô flamme de la liberté

Métal Noir Québécois gaat er bij mij als zoete koek in. Platen van Forteresse, Monarque of Sorcier des Glaces maken ten huize Jokkemans dan ook regelmatig kennis met de naald van de platenspeler. De heer Moribond, gekend van Forteresse en Ephemer, heeft met Serment een nieuw soloproject uit de bevroren Canadese ondergrond gestampt. “Chante, Ô flamme de la liberté” is het eerste teken van leven – de twee instrumentale songs tellende tape die in 2019 via Tour de Garde verscheen even niet meegeteld – en laat na de nietszeggende overbodige ouverture horen dat Serment een kwaliteitsvolle toevoeging voor de Canadese scene betekent. Moribund kan zijn voorliefde voor epiek en grootsheid moeilijk onder stoelen of banken steken, en hoewel ook de parallellen met Forteresse duidelijk hoorbaar zijn, klinkt Serment toch net wat rauwer, maar tegelijkertijd ook symphonischer, want de majestueuze toetsenpartijen draaien hier overuren. Ze nemen de leidende rol over van de gitaarriffs waarbij het voortdurend lijkt alsof een resem engelen uit de hemel komt neergedaald om zich op een extatische wijze te moeien met de gure en grimmige ondertoon aan riffs. En dit terwijl we eigenlijk met een conceptalbum te maken hebben dat de legende vertelt van een pact met de Duivel en de zoektocht naar een verloren erfgoed. De screams klinken verbeten en gaan in “Par-delà collines et rivières” de dialoog met de Duivel aan, de riffs schuren lekker weg, de computergestuurde (?) drums doen niet veel meer dan middels basispatronen het tempo bepalen en de goddelijke keyboards brengen je voortdurend in vervoering met een bijna cathartische ervaring et mhet (o)orgastische “Flamme hivernale” als hoogtepunt. Maar eigenlijk moeten de drie andere volwaardige songs met telkens een gemiddelde speelduur van zo’n acht minuten amper onderdoen voor deze monumentale en cinematografische kraker. Iets over halfweg in “Avant que ne meure la gloire” is een Emperor nooit veraf; het gebeurt wel meer binnen symfonische black dat we echo’s van deze grootheid terughoren. In het uitluidende “Hymne pour la patrie” hebben de dominante toetsen nu écht het alleen bestaansrecht en wordt er een symfonisch einde vol berusting aan dit knappe debuut gebreid totdat de gure wind het overneemt. “Chante, Ô flamme de la liberté” luistert weg als een duistere en epische reis door het hart van de besneeuwde bossen van Quebec die onder een eeuwenoud sneeuwdek begraven liggen. Dikke vette aanrader!

JOKKE: 88/100

Serment – Chante, Ô flamme de la liberté (Sepulchral Productions 2020)
1. Ouverture
2. Sonne, le glas funèbre
3. Par-delà collines et rivières
4. Flamme hivernale
5. Avant que ne meure la gloire
6. Hymne pour la patrie

Ossuaire – Premiers chants

De Canadese black metal-scene heeft in de vorm van Monarque, Forteresse, Akitsa, Délétère en Gevurah al heel wat interessante bands voortgebracht en Ossuaire kan meteen aan dit rijtje toegevoegd worden. In 2016 werd via Productions Haineuses een opwarmertje uitgebracht in de vorm van de “La diatribe infernale” EP, maar nu is het met de langspeler “Premiers chants” tijd voor het echte werk. De intense titeltrack houdt ons dankzij de knallende productie meteen bij de les. Ossuaire lijkt misschien de zoveelste band te zijn waar tremolo picking en blast beats het mooie weer maken, maar het kwartet heeft het nu eenmaal in de vingers om middels deze ingrediënten pakkende nummers te schrijven zoals “La flamme noire de Ge’henom“, waarin catchy melodieën een dynamisch spel aangaan met opzwepende black, en de elf minuten durende epische afsluiter. Hérésiarque wisselt zijn krijszang ten gepaste tijde af met cleane (koor)zang wat een heidense toets toevoegt. Van het christendom moeten de vier muzikanten sowieso niet veel weten want deze langspeler is de eerste van een tweeluik waarbij de voornaamste gebeurtenissen aangekaart worden die bijdragen aan de teleurgang van het christendom en ketterij promoten. Het korte “Exhortation” vormt een tussendoortje waarbij akoestische gitaren, verhalende vocalen en gure wind het verhaal vertellen. “Saints céphalophores” is in het eerste deel grotendeels mid-tempo van aanpak en schakelt nadien een versnelling hoger. Opnieuw laat gitarist Atrocité zien dat hij een goed oor voor catchy melodieën heeft, maar de man tovert eveneens enkele lekkere old school riffs uit zijn instrument. Ossuaire heeft een veelbelovende start genomen en mixt haar Frans-Canadese roots met melodieuze Scandinavische elementen. Benieuwd naar deel twee!

JOKKE: 83/100

Ossuaire – Premiers chants (Sepulchral Productions 2019)
1. Premiers chants
2. La procession des flagellants
3. La flamme noire de Ge’henom
4. Exhortation
5. Saints céphalophores
6 La grande apostasie

Cantique Lépreux – Paysages polaires

Cantique Lépreux is Frans voor “leproze lofzang” maar thematisch gezien bezingt het Canadese trio op haar tweede langspeler “Paysages polaires” de ijskoude wildernis van haar thuisland. De heren hebben de nodige ervaring in bands zoals Forteresse, Chasse-Galerie, Au-Delà Des Ruines en Mêlée Des Aurores waardoor ik hier eigenlijk best wel wat van verwacht. Het debuut “Cendres célestes” uit 2016 heb ik dan ook maar eens vanonder het ijs opgevist om de vergelijking te kunnen maken of de vooruitgang te zien. Hoewel de zeven nieuwe hypothermische songs nog steeds bulken van de nostalgische gevoelens, somberheid en duistere tragedie is de aanpak op “Paysages polaires” minder direct en mist de sound toch wel wat ijzigheid en scherpte om de frostbitten thematiek écht te voelen. De scherpe randjes zijn volledig van de – nochtans grimmige – sound gevijld waardoor ik geen oorwarmers dien op te zetten wanneer de als-triptiek-opgezette lofzang voor de Noord-Amerikaanse winter halfweg de plaat komt aandraven. Slecht is het allemaal niet want de felle opener “le feu secret“, “Paysages polaires III” en het met solo’s opgesmukte “Hélas…” bevatten best wel wat leuke en effectieve riffs en de Franse taal past goed bij de grimmige atmosfeer. Ik ben echter geen al te grote koukleum waardoor de Canadezen nóg beter hun best zullen moeten doen vooraleer ik mijn chauffageke een paar graden hoger dien te zetten bij het beluisteren van hun werk. Geef mij maar het debuut.

JOKKE: 69/100

Cantique Lépreux – Paysages polaires (Eisenwald 2018)
1. Le feu secret
2. Les étoiles endeuillées
3. Paysages polaires I
4. Paysages polaires II
5. Paysages polaires III
6. Hélas…
7. Le fléau

Thantifaxath – Sacred white noise

Ik ben een lijstjes fetisjist, neuroot die ik ben. Her en der zag ik de mysterieuze naam Thantifaxath opduiken in overzichten van de beste platen van 2014. Nu ben ik normaal gezien goed op de hoogte van het muzikale reilen en zeilen in de underground, maar bij het lezen van deze moeilijke bandnaam hoorde ik het toch in Keulen donderen. Effe Metal Archives raadplegend dan maar. Daar valt te lezen dat het om een Canadese black metal band gaat en dat “Sacred white noise” de eerste full length is, volgend op een EP uit 2011. De plaats is al een paar maanden uit, maar toch geef ik jullie mijn gedacht er nog over mee. Niet alleen is het band numero elvendertig waarbij de bandleden zich verschuilen onder zwarte kapmantels, tevens verkiezen ze ook nog eens incognito te blijven. Veel meer info over de band kan ik jullie dus niet meedelen en wie of wat Thantifaxath is, daar heb ik ook het raden naar. Over naar de muziek dan maar. Bij Canadese black metal denk ik in eerste instantie aan Xasthur-worshipping groezelige depri black à la Forteresse of Gris. Daarvoor zijn we bij dit Thantifaxath echter aan het verkeerde adres. “Sacred white noise” staat immers garant voor een intense brok avontuurlijke en progressieve black metal die op tijd en stond de nodige theatraliteit bevat. Het tempo ligt doorgaans verschroeiend hoog en het disonnante gitaarspel is zenuwachtig (soms zelfs zenuwslopend) van aard zoals we dat ook kennen van een Krallice of Nightbringer (vooral in openingstrack “The bright white nothing at the end of the tunnel” en “Where I end and the hemlock begins”). Soms krijg ik het er dan ook van op mijn heupen. Emperor ten tijde van “Prometheus – The Discipline of Fire & Demise” popt ook regelmatig in mijn brein op. Na twintig minuten vormt het kalmere (hoewel bevreemdende) “Eternally falling” dan ook een welgekomen rustpunt. Het theatrale en avantgardistische effect wordt vooral bekomen door het experimentele gebruik van blazers en strijkers (“Gasping in darkness”, “Eternally falling”, “Lost in the static between worlds“). De productie staat als een huis, wat noodzakelijk is bij dit soort muziek. Complexe en moeilijk te doorgronden songstructuren zorgen ervoor dat je deze plaat de nodige luisterbeurten dient te geven alvorens je enkele herkenningspunten als houvast kunt vastleggen. ADHD’ers, avontuurlijke black metal liefhebbers en fans van bands genre Dillinger Escape Plan zullen dit wel kunnen smaken. Tijdens het schrijven van deze review, heb ik de plaat nog eens twee maal integraal na mekaar opgezet. Tijd voor mijn dwangbuis!

JOKKE: 80/100

Thantifaxath – Sacred white noise (Dark Descent Records 2014)
1. The bright white nothing at the end of the tunnel
2. Where I end and the hemlock begins
3. Gasping in darkness
4. Eternally falling
5. Panic becomes despair
6. Lost in the static between worlds