mysticum

nether – Between shades and shadows

Vanuit de mistige herfstlandschappen waarin het pittoreske Limburg in deze tijd van het jaar meermaals ondergedompeld wordt, bereikt ons het debuut van nether (yep, zonder hoofdletter). De heren J, P, B en K hebben al wat kilometers op hun tellers staan en tezamen richtte ze de band vorig jaar op. Dat volwaardige debuut “Between shades and shadows” verschijnt dus al tamelijk snel via (het mij onbekende) Art Gates Records. Nu is nether niet de meest originele bandnaam, maar voor de heren symboliseert deze onderwereld de kern of roots van ieder individu, ook al is deze donker en goed verstopt. In het sobere artwork en bandlogo komt de thematiek duidelijk naar voren. Acht nummers prijken er op het debuut en in plaats van opener “The hand of the unspoken” met een gitaarriff in te zetten, krijgt drummer B de eer om het boeltje op gang te roffelen. Hij doet dat met verve (wat een binnenkomer zeg!) en al snel blijkt dat de drums een belangrijk deel vormen van de hondsagressieve sound die het viertal op ons afvuurt en die ingeblikt werd met Andy Classen achter de knoppen, gekend als producer van ondermeer Belphegor en Krisiun. In de ram- en blaasstukken van het voorts best dynamisch gecomponeerde “Abandon” of het brutale “Humanity’s crescendo” moeten we onlosmakelijk aan een band als Marduk, oude-Enthroned of Dark Funeral (ten tijde van “Diabolis interium“) denken, maar de riffs van K en P zijn nog niet altijd van hetzelfde kaliber. De hakkende tempo’s in combinatie met de gortdroge gitaarsound zorgen ook voor een machinale en industriële toets (ik hoor Mysticum in de verte soms wat resoneren). Voor finesse is er niet veel plaats op deze plaat, hoewel het tempo ook niet voortdurend verschroeiend hoog ligt. Zo neigen “To the shores” (mijn persoonlijke favoriet) en “The blood is gone” wat meer naar de atmosferische kant van het blackmetalspectrum. Bassist J neemt ook de honneurs als zanger waar, maar zijn krijsende strot is nogal eentonig, een wat breder bereik zou geen kwaad kunnen. In “To the shore” worden zijn screams afgewisseld met de wat diepere grunt van gitarist P. Op zich een mooie prestatie dat nether vrij snel met een langspeler op de proppen komt en de heren laten horen al goed op mekaar te zijn ingespeeld. Links en rechts moet er wel nog wat aan de formule bijgeschaafd worden, maar het potentieel is zeker aanwezig.

JOKKE: 75/100

nether – Between shades and shadows (Art Gates Records 2020)
1. The hand of the unspoken
2. Mouths sealed clenched fists
3. Abandon
4. To the shores
5. Humanity’s crescendo
6. The blood is gone
7. The oathbreakers
8. So all adore me

Bloedzuiger – Leidensweg

De bandnaam en titel van deze EP laten er geen twijfel over bestaan dat het hier niet om happy happy joy joy liedjes gaat. Deze Nederlandse (?) band (of éénmansproject?) moet niets weten van tech black, post-black of eender welke andere moderne black metal-variant en heeft second wave depressieve black op de hoofdpagina van diens black metal-bijbel staan. Drie composities vol rauwe en noisey black krijgen we in onze aders ingespoten. Mechanische en militaristische computergestuurde drums stuwen het zaakje Mysticums-gewijs voort. Dit gehakketak klinkt al snel ééndimensionaal hoewel het tempo aan het einde van “Krocht” wat gematigder wordt. In “Zwartslelijk” laat Bloedzuiger het tempo zakken totdat we in doom-regionen beland zijn. Dit gaat me meteen beter af hoewel de snelheid halfweg terug opgedreven wordt door een hoempapa-achtig ritme. De vocalen van de zanger zijn zo hard door de mangel gehaald dat we echt geen jota verstaan van zijn vervormde kreten. Als het een laatste smeekbede of noodkreet betreft om aan zijn leidensweg te ontsnappen, is het pech voor de uitvoerder want niemand zal hem komen redden.

JOKKE: 66/100

Bloedzuiger – Leidensweg (Fantoom 2020)
1. Leidensweg
2. Krocht
3. Zwartslelijk

Borgne – Y

Fans van kosmische/industriële black kunnen niet om Borgne, het geesteskind van de Zwitser Sergio Da Silva beter bekend als Bornyhake, heen. Sinds 2017 omringde de multi-instrumentalist, die een graag geziene gast is bij tal van andere bands zoals Darvaza, Manii, Serpens Luminis en Schammasch, zich met keyboardspeelster Lady Kaos (Asagraum). Met “Y” is Borgne al aan zijn negende (!) langspeler toe, die zoals gewoonlijk op een dik uur afklokt. Borgne is een labelhopper en nadat de vorige plaat via Avantgarde Music verscheen werd nu een deal met het Franse Les Acteurs de l’Ombre Productions getekend. Die waren zo opgetogen over het feit dat ze eindelijk met deze act konden samenwerken dat ze voor het eerst uit hun carrière een band een meerplatendeal aanboden. Borgne is zo’n band waarvan je op voorhand weet wat je kan verwachten hoewel sinds voorganger “[∞]” toch wel een hoorbare verschuiving van ambient black naar industriële atmosblack plaatsvond. Opener “As far as my eyes can see” klinkt als een kruisbestuiving tussen het kosmische Limbonic Art en het militaristische Mysticum. “Je deviens mon propre abysse” voegt modern klinkende machinale riffs en beats aan het klankpallet toe en de start van “A hypnotizing, perpetual movement that buries me in silence” klinkt als een door de mangel gehaalde Oranssi Pazuzu. Dit nummer bevat, net als het afsluitende “A voice in the land of stars“, een bijdrage op zang en gitaar van Schammasch opperhoofd C.S.R. De statische vrouwelijke vocalen zijn afkomstig uit de strot van ene Ruby Bouzioti die bij enkele symfonische bands zingt. Deze bijna tien minuten durende klepper ontwikkelt zich tot een traag voortstuwende en bombastisch gedragen compositie. In de aftrap van “Derrière les yeux de la création” trekken akoestische gitaren en aanzwengelende elektronische percussie de spanningsboog aan om zich vervolgens te ontpoppen tot een gothisch horror aandoend nummer waarin pas naar het einde toe het tempo wat omhoog gaat. Het was wachten tot “Qui serais-je si je ne le tentais pas?” om nog eens via een intergalactische roetsjbaan de kosmos ingestuwd te worden. Beats en bliepjes wringen zich doorheen de ratelende drumpulsen die weids klinkende gitaarpanorama’s doen openvouwen. “Paraclesium” is van een heel andere orde en is eerder een soort van soundscape-achtige speeltuin waarin de heer en dame zich met allerhande elektronica en samples kunnen uitleven; goed voor een minuut of drie maar geen negen. Gelukkig is er dan nog de titaan “A voice in the land of stars“, een zeventien minuten durende klepper die nog eens opsomt waar Borgne voor staat en stilistisch terug aanknoopt bij de opener met aangrijpende heldere zangpartijen van C.S.R. als extra bonus. Guillame Schmid van Serpens Luminis leverde deze keer de afwisselend Engels- en Franstalige teksten aan en Kruger-drummer Raphaël Bovey verzorgde de mastering en leverde nog enkele samples aan. Qua intensiteit, zwartheid en integriteit zit het zoals gewoonlijk snor, maar het is vooral de geboden variatie die “Y” tot een klepper bombardeert!

JOKKE: 85/100

Borgne – Y (Les Acteurs de l’Ombre Productions 2020)
1. As far as my eyes can see
2. Je deviens mon propre abysse
3. A hypnotizing, perpetual movement that buries me in silence
4. Derrière les yeux de la création
5. Qui serais-je si je ne le tentais pas?
6. Paraclesium
7. A voice in the land of stars

RDS-220 – Hell is truth seen too late III & IIII

Enkele maanden na de overrompelende release van delen I en II slaan de heren John M. en Siegried H. met delen III en IIII van hun “Hell is truth seen too late” reeks genadeloos hard terug. Het concept is ongewijzigd gebleven: met andere woorden zijn het opnieuw twee tapes vol ziedende black metal met één song op elk kant en telkens een andere gastzanger per tape. Op de eerste cassette verzorgt Paulo Rui van de Portugese grindcore band Besta de vocalen en op deel IIII horen we de Fransman Dehn Sora van Throane en Treha Sektori. Hoewel beide heren niet echt een black metal-achtergrond hebben, leveren ze een voortreffelijke prestatie. “Numbers delight” klinkt razend en woest zoals we ondertussen van de band gewend zijn en de geprogrammeerde drums ratelen als een bezetene. In vergelijking met delen I en II is de helse bak lawaai op deel III met iets meer industrial en machinale invloeden doorspekt (“Lost god“). Het acht minuten durende “Onction” bevat tussen al het grof geschut door ook mid-tempo riffs, enkele futuristisch aandoende effectjes en een melodieuze gitaarsolo die voor een welgekomen afwisseling blijven zorgen want eenmaal de band op dreef is, hakken de militaristisch aandoende staccato-drums er genadeloos hard op in. Ook “Des bris dans une prisme” heeft naast al het geweld meer oog voor melodie waardoor deel IIII duidelijk het meest melodieuze is. Maar laat u niet misleiden want eens de laatste tonen uitgestorven zijn, worden de helrode striemen die de geselende riffs hebben nagelaten duidelijk zichtbaar in onze ziel. Liefhebbers van razendsnelle black à la Marduk of Mysticum of andere industrial-black metal bands moeten dit zeker eens een kans geven. Maar wees snel, want er zijn opnieuw slechts 50 stuks beschikbaar.

JOKKE: 82/100

RDS-220 – Hell is truth seen too late III & IIII (Svart Blod Records 2018)
Tape 3 – Chapter III
A – Numbers delight
B – Lost god
Tape 4 – Chapter IIII
A – Onction
B – Des bris dans une prisme

Arkhtinn – IV

“Google man, ben je daar?” Blijkbaar niet, want buiten het feit dat Arkhtinn uit het noorden komt, is er niet veel geweten over deze (eenmans?)-band. Wat ik wel weet is dat deze act al vier “cassette-demo’s” lang ijzige, maar ook dromerige ambient black metal maakt waar mijn gelukshormoon van in overdrive geraakt. Naar aloude gewoonte krijgen we twee ongetitelde tracks te horen – de eerste in een metalen jasje gestoken en de tweede bestaande uit pure ambient – die elks op een minuutje of twintig afklokken en de luisteraar doorheen tijd en ruimte katapulteren waarbij het watertanden is op de dimensies die middels dichte keyboardlagen vorm krijgen. Eenmaal de drums en gitaren in ‘I‘ invallen, weten we dat het goed komt. Atmosferische gitaar- en keyboardtapijten worden doormidden gekliefd door een snaredrum die klinkt als een specht op speed en de militaristische cadans er stevig inhoudt. Hierover draperen de pakkende screams zich als een extra saus die alle openingen van de nochtans redelijk volgestouwde songs opvullen. Dit is spacecake voor aanhangers van Darkspace, Mysticum en Borgne. Na deze kosmische rollercoaster is het met “II” tijd om de ademhaling en hartslag – die ondertussen compleet in het rood staan – opnieuw onder controle te krijgen. Vergeet die meditatieve cd’s vol walvisgeluiden of kabbelende beekjes! Hier wordt een mens pas rustig van. “IV” is wederom een schot in de roos. Dat belooft voor “V” die ondertussen ook al in de intergalactische pijplijn zou zitten. Laat maar komen!

JOKKE: 82/100

Arkhtinn – IV (Fallen Empire Records 2017)
1. I
2. II

RID – Lightning wheel

Less is more” zou het opschrift moeten zijn om op de achterkant van de shirts of longsleeves (met armprint! Eat that Fenriz!) van het Britse RID te prijken. Eén schedelsplijtende riff per nummer, vergezeld van een onverbiddelijk doorrazende monotone (computergestuurde?) blastbeat die werkelijk zero zero zero zero zero variatie bevat, is immers voldoende om je murw te beuken. Het uit Nothingham afkomstige trio Ordal (Die van het water? Indien hij de zanger van dienst is, lijkt hij me eerder salpeterzuur te drinken), Galgast, en Isensaur speelt naar eigen zeggen “English animist black metal” waarbij hun auditief geweld het geluid van verrotte gewassen, vergiftigde rivieren en stervende bossen belichaamt. Animisme – moest u het niet weten – is namelijk een filosofisch, religieus of spiritueel concept waarbij zielen of geesten niet alleen bestaan in mensen en dieren, maar ook in planten, stenen of natuurlijke fenomenen. Het verschroeiende tempo, repetitieve karakter en noisy raamwerk van de zes tracks die “Lightning wheel” vormen, geven deze old-school Darkthrone on speed ook wel een industrieel kantje. Een vergelijking met Mysticum is daarom niet zo hard uit de lucht gegrepen, hoewel het er bij RID wel minimalistischer aan toe gaat. Met achtentwintig minuten speeltijd, heeft dit intense plaatje bovendien de perfecte speeltijd. Rest in darkness!

JOKKE: 81/100

RID – Lightning wheel (White Horse 2016)
1. Red grain
2. RID
3. Who is this who is coming?
4. White walls
5. Lightning wheel
6. Solve

Nihill – Verderf

Verrek, platenspeler naar de verdoemenis! Dat is het eerste wat in me opkwam bij de eerste kennismaking tussen de naald van mijn pick-up en de nieuwste plaat van het Nederlandse Nihill. Gelukkig bleek het loos alarm! Zit ik dan te knoeien met een verkeerd toerental? Nope! Dan zijn mijn trommelvliezen naar de zak! Nogmaals nope! Gelukkig komt er na drie minuten een einde aan de teringherrie, genaamd “Ghoul”, waarmee plaat numero vier van start gaat. Nu is het niet bepaald fijnzinnige muziek die we daarna te verwerken krijgen. Een plaat van Nihill is immers nooit een gemakkelijk rit en vraagt de nodige toewijding van de luisteraar én juiste sfeer om te ondergaan. Na die kut kakafonie van de intro krijgen we de eerste volwaardige track “Carrion eaters” te verwerken. Snedige gitaarriffs en intens drumwerk worden als een waar salvo op de luisteraar afgevuurd, begeleid door de salpetervocalen van de imposante frontman Michiel Eikenaar die we ook nog kennen van Dodecahedron en Anaphylactic Shock, twee andere orkestjes die nu ook niet bepaald muziek voor de grote massa maken. Daarna wordt met “Kolos” het tempo teruggeschroefd en krijgen we beklemmende black metal voorgeschoteld waarbij de repetitieve dissonante riffs ons naar de keel grijpen. Het slepende tempo in combinatie met de proclamerende vocalen geven de song een militaristisch karakter, maar met bijna negen minuten speelduur is de song wat aan de lange kant. Daarna worden alle registers terug open getrokken en wordt er met het felle maar rechtlijnige “Wielding the scythe” zwaar op de luisteraar ingebeukt. Qua intensiteit moet Nihill absoluut niet onderdoen voor een band als Mysticum, hoewel ze muzikaal gezien slechts een klein deel in elkaars vaarwater zitten. Na deze auditieve aanslag op de trommelvliezen graven de claustrofobische klanken van “Spirituum” zich in je psyche in (hoewel de song opnieuw te lang gerekt wordt). Nu ben ik bij Nihill altijd al meer te vinden geweest voor het tragere werk, een vaststelling die ik op de nieuweling ook weer maak (met het afsluitende “Ossuarium” als hoogtepunt). Je krijgt geen seconde de tijd om naar lucht te happen want het razende “Morbus” laat geen spaander heel. Het piept en kraakt dat het een felle lust is. Voornaamste kritiek is dat zowat elke song te lang is en de plaat met een half uur speelduur beter had gescoord. Met vijfenvijftig minuten vraagt Nihill wel héél veel van de luisteraar en je moet echt over een stel stalen zenuwen beschikken om de tien minuten durende noise eruptie van “Engorged” levend door te komen. Laat dat nu natuurlijk net het doel zijn dat Nihill met haar muziek voor ogen heeft. Met een titel als “Verderf” dekt de gitzwarte vlag de lading volledig, want dit is de perfecte soundtrack voor de ondergang en vernieling van de menselijke parasiet! Niet voor gevoelige zieltjes.

JOKKE:  75/100

Nihill – Verderf (Burning World Records 2014)
1. Ghoul
2. Carrion eaters
3. Kolos
4. Wielding the scythe
5. Spirituum
6. Morbus
7. Engorged
8. Ossuarium