Vandaag introduceren we jullie het ‘platenlabel’ The Hermetic Order of Ytene waarvan de belangrijkste leden Albionic Hermeticism en Auld Ridge zijn, twee éénmansprojecten van een zekere O. W. G. A. Hoewel de muzikant naar Frankrijk verkaste waren de ziel en invloeden van de mystieke Britse eilanden nog steeds volop doorheen zijn muzikale creaties. Zo verwijst ‘Ytene’ naar de Engelse regio New Forest. O.W.G.A. startte zijn muzikale loopbaan met het spelen in verscheidene Oi!, punk, postpunk en neofolkbands en besloot daarna het zwartmetalen pad op zijn eentje te bewandelen.

Het verhaal van Auld Ridge startte in 2019 met de EP “Mítt ríce“, een verzameling donkere instrumentale folknummers die uitmondden in een blackmetalsong als afsluiter. Op de releases die hierna in sneltempo volgden (debuutlangspeler “Ascetic invocation” uit 2020, een split met Yak later dat jaar en het tweeluik “Consanguineous tales of bloodshed and treachery” en “Consanguineous hymns of faith and famine” die beide in 2021 verschenen), werd de formule omgedraaid en hoorden we pure folknummers eerder als intermezzi voor volwaardige blackmetalcomposities. Dat is niet anders op het nagelnieuwe “Folklore from further out” waarop minder bekende folkloristische en volksverhalen van de Britse eilanden verkend worden. Maar even goed handelen andere nummers over het bijgeloof van een pas gekerstend IJsland tot verhalen over weerwolven uit Ierland en de sjamanistische praktijken van Noord-Scandinavië.

O.W.G.A. beschikt niet enkel over de gave om in “Titchfield abbey“, “Auld spurgin hide” en “Tornedalen” meeslepende en aangrijpende folkmelodieën uit zijn hoed te toveren, maar trakteert ons evenzeer op meerdere beklijvende, duivelse blackmetalriffs zoals de overdonderende riffbarrage aan het einde van “The sound of the Fyrth begins to creep“. Ook de magnifieke, tegelijk woeste en meeslepende melodieën iets over halfweg in “An omen of death heralds the season” vormen een absoluut hoogtepunt. Zo schrijven vele vergane Noorse gloriebands ze al jaren niet meer.

De sound mag dan wel een tikkeltje gepolijster zijn dan op voorgaand werk, toch klinken de pure blackmetalstukken nog steeds zuur en grimmig en bevatten ze invloeden van oude Gorgoroth, Trelldom, Windir en Satyricon, maar evengoed hoor ik wat Triumph, Genus terug. Opener “A pact with Kólumkilli” had omwille van zijn Noorse aanpak en dromerige finale ook niet misstaan op de laatste Djevel-plaat “Naa skrider natten sort“. De aandachtige luisteraar noteert ook de vele frivole baslijnen, heldere heroïsche gezangen en subtiele synths die de grijsgrauwe composities wat bijkleuren. Over het algemeen klinkt Auld Ridge wat minder triomfantelijk dan voorheen, met uitzondering van het drukke en de ene na de andere tremolopartij aan elkaar reigende afsluiter “Where night’s black bird her sad infamy sings (John Dowland)“. Hier worden wel alle toeters, bellen, orgels en akoestische gitaren uit de kast gehaald.

Auld Ridge’s muziek kan ook best een cinematografisch karakter aannemen. Zo is het niet moeilijk om ons, vergezeld van het gemoedelijke atmosferische intro van “The sound of the Fyrth begins to creep“, de Schotse kustwateren voor te stellen, totdat deze plotsklaps in een kolkende woestenij veranderen en met grote kracht op de kustlijn inbeuken wanneer de zwartmetalen kaart wat later getrokken wordt. De riff die op 4:18 start bevat ook een stukje bouzouki (Grieks snaarinstrument). Wat een machtig epos is me dat! Deze stelling mag je gerust doortrekken voor gans “Folklore from further out“. Absolute heersplaat waarop O.W.G.A. laat horen over heel wat compositorisch talent te beschikken! Morgen buigen we ons over zijn andere band Albionic Hermeticism en diens nieuwe langspeler “Nova nativitas mundi“. Tot dan!

JOKKE: 85/100

Auld Ridge – Folklore from further out (Amor Fati Productions/Dark Adversary Productions 2023)
1. A pact with Kólumkilli
2. Titchfield abbey
3. The sound of the Fyrth begins to creep
4. Auld spurgin hide
5. An omen of death heralds the season
6. Tornedalen
7. Where night’s black bird her sad infamy sings (John Dowland)