amenra

Briqueville – Quelle

Anonimiteit is het nieuwe normaal geworden in de metalscene. Het verbergen van gelaat en identiteit creëert gelijkheid en voorkomt de verafgoding van een persoonlijkheid. Nu, na verloop van tijd lekken de namen van gemaskerde muzikanten meestal wel uit. Zo niet bij onze landgenoten Briqueville die steevast op en naast het podium in zwarte Nazgûlgewaden en gouden maskers gehuld zijn. Het self-titled debuut uit 2014 klonk veelbelovend, maar van de opvolger “I I” uit 2017 hebben we enkel live enkele nummers gehoord, die ons een pak minder konden bekoren. De band uit het Waasland (ga zelf maar op zoek naar het dorp waaraan de bandnaam ontsproten is) is ondertussen toe aan zijn derde langspeler waarop acht nieuwe, naar goede gewoonte instrumentale, aktes prijken. Recensies die we in de mainstream pers van “Quelle” zagen verschijnen, strooiden de superlatieven kwistig in het rond; Briqueville lijkt wel het nieuwe Amenra te zijn. We mogen best wat meer chauvinistisch zijn op gebied van onze vaderlandse muziekscene, maar wie het heavy genre al wat langer dan vandaag volgt, bekijkt dit collectief misschien toch net wat meer nuchter. Sommige beukende slepende composities zoals de openende akte walsen ons immers niet plat, daarvoor lopen er zwaardere en meer effectieve bands genre Bongripper rond. En ook “Akte XV” en het wat te langdradige afsluitende “Akte XV” wijken niet van de platgereden post-metal/sludge/doom-paden af. Het meer dreigende en apocalyptisch aanvoelende “Akte IX” scoort al beter, net als het meer hoekige, groovende en dronende “Akte XII“. Wat ons betreft is het gemaskerde gezelschap echter op haar best in een song als het op een kwartier afklokkende rustig opbouwende “Akte X” waarin de meer psychedelische kaart getrokken wordt die een soort meditatieve loomheid opwekt en de composities ook een Oosterse tint meegeeft. “Akte XI” en het uit een altijd aanstekelijk werkende zeven achtste maatsoort opgetrokken “Akte XIII” gaat nog een stap verder qua hypnotiserende warmbloedige klanken en bands als Om en Bong komen dan al snel vanachter een in de snikhete woestijn verdwaalde kameel piepen. Die broeierige atmosfeer komt ook naar voor in de hieronder geplaatste videoclip voor het reeds aangehaalde “Akte XV“, die uiteindelijk een kortfilm is geworden en gefilmd werd op een locatie die even goed zou kunnen dienen als inspiratie voor een Kyuss album, waar de band en acteur op de warmste dag van het jaar temperaturen van 40°C trotseerden om toch maar de perfecte toon qua visueel aspect neer te zetten. Het album en de bijhorende clip zijn een reflectie van wat er in dit bevreemdende jaar 2020 aan de hand is. Om te kunnen (over)leven moeten we onze grootste angsten (isolement, eenzaamheid en afzondering) opzij zetten en het leven met opgeheven hoofd trotseren. Met het tijdens de quarantaine geschreven “Quelle” gaat Briqueville op zoek naar het verbindingselement tussen enerzijds het ruwe, het duistere, het mysterieuze, het psychedelische, het zware en het buitenaardse en anderzijds een liefde voor schoonheid en melodie. Deze zoektocht resulteerde in een plaat met tal van beklijvende momenten, maar die nog niet over de ganse lijn écht weet te overtuigen. Vooral halfweg houdt “Quelle” ons stevig in haar greep. Desalniettemin een stevige aanrader voor fans van Hemelbestormer, Sleep, en de aangehaalde referenties.

JOKKE: 82/100

Briqueville – Quelle (Pelagic Records 2020)
1. Akte VIII
2. Akte IX
3. Akte X
4. Akte XI
5. Akte XII
6. Akte XIII
7. Akte XIV
8. Akte XV

Throane – Une balle dans le pied

De Parijzenaar Vincent Petitjean, beter gekend als Dehn Sora, is een artiest die van vele markten thuis is. Muzikaal kan hij zijn ei kwijt met Sembler Deah, Ovtrenoir en Throane. Zijn grafische creaties sierden releases van ondermeer Amenra en Blut Aus Nord en hij had de eer een fenomenale videoclip te mogen maken voor het nummer “Ad arma! Ad arma!” van het onvolprezen Deathspell Omega. Met Throane is deze creatieve geest aan een nieuwe EP toe nadat eerder al twee langspelers verschenen (“Derrière nous, la lumière” uit 2016 en “Plus une main à mordre” uit 2017). Daar waar Sembler Deah gitzwarte elektronische soundscapes schetst en Ovtrenoir (trouwens geen soloproject van Dehn Sora) zich in de sludge/postmetal hoek bevindt, smeedt de Fransman met Throane een geluid uit elementen van blackmetal, donkere ambient, drone en industrial. En natuurlijk gaan muziek en visuele esthetiek daarbij hand in hand. Opnieuw prijkt een zwartwitte foto van een menselijke figuur uit de muzikant zijn dichte omgeving op de cover. Deze keer is het Dehn Sora’s zus die we zien die als verpleegster tewerkgesteld is en daarbij aan heel wat leed wordt blootgesteld en voor de fotogelegenheid het eelt van haar voeten aan het trekken is. De titel van de EP verwijst naar het gezegde ‘zichzelf in de voet schieten’ waarbij je jezelf benadeelt. De EP beslaat één nummer van zo’n dertien minuten, of eerder gezegd twee nummers die één geheel vormen aldus Dehn Sora. Het muzikale spektakel dat zich dertien minuten lang voltrekt bestaat uit hoekige drumritmes die door Throane’s live drummer Julien T. ingespeeld werden. Ten gepaste tijde vallen de industrieel klinkende percussie en militante doomriffs en dissonanten stil waarna gitzwarte ambient en noise de overhand nemen om daarna terug naar de diepste krochten van Dehn’s psyche af te dalen. Het zorgt voor de nodige dynamiek maar komt me ook wat onsamenhangend over. “Une balle dans le pied” klinkt daarentegen wel uitermate verstikkend en er is absoluut geen plaats voor daglicht, zelfs geen subtiel straaltje zonlicht is in staat hier ook maar enige sprankel hoop te laten uitschijnen.

JOKKE: 75/100

Throane – Une balle dans le pied (Debemur Morti Productions 2020)
1. Une balle dans le pied

Naxen – Towards the tomb of times

To abide in ancient abysses” van Naxen vormde twee jaar geleden een fijne smaakmaker naar meer, althans voor de liefhebbers van lang uitgesponnen atmosferische black. De link naar de muziek van hun broeders in Ultha lag wel wat voor de hand, maar aangezien we grote fan van die band zijn, vormde dat hoegenaamd geen struikelblok. Op “Towards the tomb of times”, het volwaardige debuut van de uit Münster, Duitsland afkomstige band, is die Ultha-link nog steeds aanwezig. Het trio kerft dan ook een geluid uit traditionele Scandinavische black, Oost-Europese aandoende melodieën en een vleugje USBM. Deze langspeler klokt op een kloeke 47 minuten speeltijd af die netjes over vier nummers verdeeld werden…you do the math. “Towards the tomb of times” verkent de zwaktes van de mensheid, thema’s gerelateerd aan dood en verlies en het onvermijdelijke falen van onze soort. Ja, vrolijk worden we niet van wat er allemaal in de wereld gaande is en Naxen heeft een passende soundtrack geschreven voor het existentiële falen dat we rondom ons aanschouwen. Net zoal bij Ultha (daar zijn ze weer) hoor je ook bij deze jongens dat elke noot die ze spelen en elke krijs die ze uit hun strot persen – Naxen maakt gebruik van twee vocalisten – gemeend is. Ik heb het tegenwoordig liever zo dan al het gehocus pocus met rituele magie. De openingstrack “To welcome the withering” kent een massieve intro die uiteindelijk een voorbode vormt voor de niet aflatende zwartgeblakerde aanval van het hoofdgedeelte van dit nummer. Plots valt de song stil om nadien terug geleidelijk aan op te bouwen en door een leidende melodie voortgestuwd te worden. Dit lijkt tegenstrijdig met het verwelkingsproces, maar de opener kan volgens zanger/gitarist L.N. als een sterfbed gezien worden en de drie nummers die volgen, vormen de nasleep vol verlies en verdriet. “Lebend und sterbend nähren wir die Flamme“; een zinsnede die het plaatje bondig samenvat. De twee vocalisten laten voldoende ruimte vrij voor instrumentale passages die serieus op je emotionele gemoedstoestand inhakken en je meedogenloos de troosteloze en gitzwarte beenderentombe die op het hoesontwerp van Arjen Kunnen (o.a. Amenra) prijkt, mee insleuren. In het eerste deel van het epische tweeluik “A shadow in the fire” herkennen we meteen de high pitched strot van Ultha’s Chris Noir, wat samen met een mix en mastering door Ultha’s Andy Roscyzk in diens Goblin Sound Studio de parallellen met die band er nog eens dubbel en dik bovenop legt. Het tweede deel vormt het absolute hoogtepunt van “Towards the tomb of times” dat met zijn vlijmscherpe riffs en meeslepende melodieën enkele welgeplaatste krassen in mijn ziel weet te kerven. Voer voor fans van Ultha (hoe kon je het raden?), Sun Worship, Altar Of Plagues en Wiegedood.

JOKKE: 84/100

Naxen – Towards the tomb of times (Vendetta Records 2020)
1. To welcome the withering
2. The odious ordeal
3. A shadow in the fire part I (Scars of solitude)
4. A shadow in the fire part II (Where fire awaits)

Nahtrunar/Hesychia – Split

Toen ik bovenstaande split in talrijke online shops zag verschijnen, klikte ik deze zonder verpinken in mijn winkelkarretje. Hesychia deed dan wel geen belletje rinkelen, het Oostenrijkse Nahtrunar kan in mijn ogen niet veel verkeerd doen. Toen bleek dat de vinylversie erg karig met info was (eigenlijk enkel vermelding van de bandnaam en songtitels) ging ik online verder op zoek naar dat mysterieuze Hesychia. Vreemd, de zoekfunctie op Metal Archives leverde niets op. Zou het dan om een kakelverse band gaan? Niets van dat, Hesychia blijkt een dark ambient project te zijn van ene Arthur Rosar (dank u Discogs!) die een verleden als zanger bleek te hebben bij Abigor en de platen “Fractal possession” en “Time is the sulphur in the veins of the saint – An excursion on Satan’s fragmenting principle” in zong. “Op zich wel interessant zo’n split met een black metal en dark ambient kant”, dacht ik “hoewel dat laatste ook garant kan staan voor weinig omvattend geneuzel en gekabbel”. Wanneer de naald zakt, maak ik kennis met “Nacht” een twintig minuten durende compositie van Nahtrunar. Het duurt even alvorens de nietszeggende ambient-intro overslaat naar beklijvende tremolo picked riffs die op ons afgevuurd worden te midden van de second wave black metal waarmee deze Oostenrijkse eenzaat ons al twee demo’s en drie langspelers lang bestookt. De gitzwarte melodieën weten ons te raken in het diepste van ons hart en nemen regelmatig een Negative Plane-achtige old-school vorm aan, maar evengoed leunen ze naar heavy metal-achtige melodieuze epiek toe. Uiteindelijk mondt deze kolossale compositie in duistere ambient uit om ons alvast voor te bereiden op het tweede luik van deze split. Kant A rechtvaardigt de aanschaf al, oef! Over naar kant B voor “Licht“, opnieuw een werkstuk van ruim twintig minuten dat ondanks wat de titel laat vermoeden misschien nog meer duister is uitgevallen dan de zwartmetalen klanken die we reeds te verwerken kregen. Hesychia levert een erg bevreemdende compositie af die echter zo dermate goed van de ene naar de andere passage vloeit, dat het een soort van soundtrack voor een deprimerende kortfilm zou kunnen zijn. Alle ingrediënten voor een innemende rit naar de donkerste krochten van je ziel zijn aanwezig: gaande van een triomfantelijk klinkende introductie met blazers en paukenslag over spookachtige soundscapes met vervormde zang en beats tot huiveringwekkende noise. Nadien gaat deze ruwe climax over in berustende heldere klaagzang die wel wat weg heeft van Amenra’s Colin H. van Eeckout en pikzwarte dark ambient die een omineuze atmosfeer à la Sembler Deah creëert. Maar er schijnt, zoals het artwork laat zien, ook wel een hoopgevend lichtpunt doorheen de duisternis, en dat bij zowel Nahtrunar als Hesychia. Conclusie: erg geslaagde split die, ook al ben je net als ik misschien niet de grootste liefhebber van ambient, veertig minuten lang weet te beroeren. Straffer nog, Hesychia heeft me zelfs nog net iets meer weten te imponeren dan Nahtrunar.

JOKKE: 83/100 (Nahtrunar: 82/100 – Hesychia: 84/100)

Nahtrunar/Hesychia – Split (Altare Productions 2020)
1. Nahtrunar – Nacht
2. Hesychia – Licht

Schammasch – Hearts of no light

Schammasch is een band die niet van half werk beschuldigd kan worden. Het plaatwerk van deze modieuze Zwitsers is steevast tot in de puntjes verzorgd qua artwork en fotografie en ook op muzikaal vlak wordt nooit over één nacht ijs gegaan, wat in het verleden o.a. resulteerde in een dubbelaar (“Contradiction” uit 2014) en een driedelige plaat (“Triangle” uit 2016). In 2017 volgde de EP “The Maldoror chants: Hermaphrodite” en nu is het opnieuw tijd voor een kolossale brok muziek, want het kakelverse “Hearts of no light” klokt toch ook weer op een mooie 67 minuten af. Het uit pianoklanken opgetrokken “Winds that pierce the silence” fungeert als introductie maar gaat wat aan haar doel voorbij aangezien het daaropvolgende acht minuten durende epos “Ego sum omega” best een lange instrumentale aanloop kent en beter de plaat had geopend daar de spanningsboog meteen opgespannen wordt. Deze compositie kent een mooie opbouw die uitbarst in melodieuze black die echter nergens gevaarlijk of duivels klinkt. De finale is wel lekker groots en bombastisch met haar toeters en bellen. “A bridge ablaze” is dan weer eerder een occult sfeerscheppend intermezzo vol mysterieuze elektronica. Gelukkig ontbloot het kwintet in “Qadmon‘s heir” haar tanden wat meer: de muziek is steviger (zo worden er enkele blastspurtjes getrokken), er passeren knappe wendingen en de vocalen flirten met helder gezongen theatraliteit. “Rays like razors” trekt die lijn door nu de band goed op dreef is: knappe herhalende melodieuze leads en cinematografische instrumentale epiek gaan hand in hand met ruwere riffs. In de personen van Aldrahn (de legendarische ex-Dødheimsgard frontman), klankkunstenaar DehnSora (o.a. Throane, Treha Sektori en Ovtrenoir) en de klassiek geschoolde pianiste Lillian Liu, werd er – zeker in het geval van die laatste – schoon volk opgetrommeld om de plaat van extra kleur te voorzien. Aldrahn’s excentrieke zangstijl op “I burn within you” is uit de duizenden te herkennen en maakt van dit nummer meteen het meest avontuurlijke op “Hearts of no light“. Alhoewel, “A paradigm of beauty” trapt met Amenra-achtige akkoorden af om vervolgens met gothrock-achtige cleane gitaren te dollen en is absoluut de vreemde eend in de bijt, zeker wanneer de heldere zang een wel heel toegankelijk poppy randje toevoegt. Deze moderne aanpak heeft wel wat weg van een band als Alchemist. “Katabasis” is met haar rituele percussie en occulte atmosfeer dan weer een veiligere keuze voor deze Zwitserse formatie waarin nog eens lekker ouderwets van jetje wordt gegeven. “Innermost, lowermost abyss” breidt een einde aan de plaat maar dan wel één dat ongeveer een kwartier duurt en waarbij DehnSora het elektronisch raamwerk aanleverde voor een compositie vol (iets te lang) uitgesponnen (akoestisch) gitaar- en pianowerk en rituele ambient. Deze vierde langspeler is opnieuw een knap epos geworden waar duidelijk veel werk in geslopen is, maar zoals met al het vorig materiaal van Schammasch komt het me dikwijls te berekend en doordacht voor. Ik mis nog steeds wel wat spontaneïteit, rock ’n roll en het gevaarlijke karakter dat intrinsiek met black metal verbonden zou moeten zijn. Anderzijds heeft de band geen schrik om met een afwijkend nummer als “A paradigm of beauty” uit te pakken en zo buiten de lijntje te kleuren. Liefhebbers van ‘universiteitsblack’ kunnen echter blind toehappen.

JOKKE: 81/100

Schammasch – Hearts of no light (Prosthetic Records 2019)
1. Winds that pierce the silence
2. Ego sum omega
3. A bridge ablaze
4. Qadmon‘s heir
5. Rays like razors
6. I burn within you
7. A paradigm of beauty
8. Katabasis
9. Innermost, lowermost abyss

Hegemone – We disappear

Onbekend is zeker niet onbemind, is al jaren het motto bij Addergebroed. Met de regelmaat van de klok worden ook wij nog eens stevig verrast door een onverwachtse release, alhoewel onverwachts in dit geval misschien met een korrel zout genomen mag worden. Al enige tijd raadde een kennis van me het nieuwe album “We disappear” van Hegemone aan, echter nu pas vond ik de tijd het album eens degelijk onder de loep te nemen. Het Poolse kwartet heeft blijkbaar al een uit 2014 daterend debuutalbum en een daaropvolgende split met het mij eveneens vrij onbekende, Wit-Russische Challenger Deep op haar naam staan en voegt anno 2018 nog een langspeler aan de discografie toe. Hoe een album dat al enige tijd uit is, nota bene via Debemur Morti Productions, zo lang onder mijn radar bleef zal voor eeuwig een raadsel blijven, maar vanaf heden volg ik elke stap die de band zet op de voet. “We disappear” is namelijk een parel van een album geworden waarop enkele invloeden van Amenra overgoten worden met een fikse vleug post-black metal, waarbij het riffwerk bijwijlen aan het vroegere werk van Fluisteraars doet denken. Het samenspel tussen bezwerende post-black gitaarspel, zelfs doorspekt met enkele zuivere post-rock riffs, de aanwezige rustpunten doorheen de plaat en de ijzingwekkende, getergde screams van zanger en bassist Jakub Witkowski vormt een coherent geheel waarbij elke song moeiteloos overvloeit in de volgende. Zoals het een Debemur Morti release betaamt zit alles productiegewijs ook weer snor, waarbij vooral de volle, krachtige bassound positief opvalt. Met een speelduur van meer dan 50 minuten doet Hegemone niet mee aan de nieuwe trend waarbij 30 minuten blijkbaar al voor een full length moet doorgaan (gesnopen, Marduk?), maar maakt de groep ruimte voor gelaagde spanningsbogen die nu eens in loodzware sludge (“Raising barrows”), dan weer in ijselijke black metal (“Тәңірi”) ontaarden. Doorheen “Π” ontwaren we ook de geest van het terziele gegane Amesoeurs. Zodoende lijkt het album wel een trip waaruit niet te ontsnappen valt, eens de play knop wordt ingeduwd vergeet je al snel dat er ook zoiets als pause of zelfs stop bestaat – tot plots die akelige stilte je verweesd achterlaat. Het was lang geleden dat een nieuwe band mij uit mijn goed vastgeknoopte combats blies, maar voor Hegemone bleek het een koud kunstje.

CAS: 88/100

Hegemone – We disappear (Debemur Morti Productions 2018)
1. Mara
2. Fracture
3. Raising Barrows
4. Π
5. ХанТәңірі
6. Тәңірi

Rituals Of The Dead Hand – Blood oath

Onze landgenoot Filip Dupont lijkt zelfs als hij slaapt muziek te schrijven. De Diepenbekenaar bracht eerder dit jaar nog een tweede langspeler (“A ring of blue light“) met Hemelbestormer uit en houdt er menig ander project op na waaronder het nagelnieuwe Rituals Of The Dead Hand, waarmee hij zijn liefde voor black en death metal wil uiten nadat zijn geesteskind Gorath er in 2013 het bijltje bij neergooide. Oude liefde roest blijkbaar niet en hij trok aan de drumstokken van mede-Hemelbestormer Frederic Cosemans om dit nieuwe project ritmisch te ondersteunen. Tekstuele interpretatie werd gevonden in de oude lokale folkloristische volksverhalen van de bokkenrijders en “Blood oath” vertelt het verhaal vanuit hun perspectief. Het thema weerspiegelt zich ook in het cover artwork waarop we een custom made schilderij zien van een oude boom die dicht bij hun thuisstad staat en waarrond de bokkenrijders volgens de legende zouden verzameld hebben alvorens op een roof- en plundertocht te vertrekken. Over het algemeen grijpt de sound van de vier lange nummers – “The gathering” is een intermezzo – terug naar Gorath’s zwanenzang “The chronicles of Khiliasmos” waarop black metal gemixt werd met elementen uit sludge en post-metal. Zo bevat opener “Bonderkuil” wel wat referenties naar Amenra en Hemelbestormer alvorens invloeden van de recente Satyricon opduiken. Addergebroed-lezers zullen wel weten dat ik niet zo’n fan ben van het recente werk van Satyr en Frost maar hier klinkt de mid-tempo rockende black gelukkig minder gezapig. “Sworn” gaat op hetzelfde elan verder en laat sludge met een black metal sausje horen. Op vocaal vlak horen we allerlei keelklanken voorbij komen waarbij de hese screams à la Amenra’s Colin H. Van Eeckhout, die in de tweede helft van het nummer ingezet worden om Nederlandstalige zanglijnen te vertolken, mij persoonlijk minder liggen. Tevens borduurt “Sworn” wat te veel op hetzelfde thema voort en is het einde te langdradig. Na het korte intermezzo “The gathering” rijden de bokkenrijders eindelijk uit en wordt de muziek wat gepeperder. “They rode by night” klinkt opzwepender en grijpt terug naar de oude Gorath hoogdagen maar laat tevens een fikse scheut laaggestemde death metal horen, zowel qua riffs als zang en zowel mid-tempo als uptempo. Rond 5:00 lijkt een melodieuze riff een hoogtepunt in te leiden, maar valt het nummer onbegrijpelijk stil alvorens, na enkele creepy geluiden, pas anderhalve minuut later de bulderende finale in te zetten. Spijtig dat hier niet voor een vloeiende overgang gekozen werd. Voor de rest een prima nummer. “The scourge” is met haar elf minuten de langste song van de plaat en trekt opnieuw de kaart van mid-tempo sludge en black waarbij Glorior Belli als referentie te binnen schiet en het einde repetitieve en psychedelische Burzumeske keyboards bevat. Ook de andere nummers bevatten subtiele effecten spielerei, wat we herkennen van bij Hemelbestormer. Op de sound van “Blood oath” en diens mastering, die in handen was van Patrick Engel (Temple of Disharmony Studio), valt niets aan te merken. Andere positieve punten zijn de mix aan extreme muziekstijlen die we horen en dat de songs niet bulken van de ideeën en riffs maar uitblinken in hun less is more-aanpak. Wel worden enkele stukken te lang gerekt en halen stiltes de vaart uit de plaat. En daar waar tekst en muziek bij Hemelbestormer zo goed samen passen als Nicole bij Hugo, vind ik het thema van de bokkenrijders minder te rijmen met de overwegend mid-tempo, en ietwat “veilige” muziek van “Blood oath“. Ik denk bij deze legende eerder aan vuile en opruiende black. Maar soit, dat laatste is eerder mierenneuken. Liefhebbers van de genoemde referenties moeten dit debuut van Rituals Of The Dead Hand zeker eens een luisterbeurt geven. Geen idee of de heer Dupont dit als een eenmalig project ziet, maar van mij mag er gerust nog een vervolg komen.

JOKKE: 80/100

Rituals Of The Dead Hand – Blood oath (Dunkelheit Productions 2018)
1. Bonderkuil
2. Sworn
3. The gathering
4. They rode by night
5. The scourge

Onrust – De oogst

Een tijdje terug viel vanop de verre parking – euh, Antwerpen – een zilveren schijfje op mijn West-Vlaamse deurmat. Het bleek het debuutalbum van onze landgenoten Onrust te zijn. Een tijdje terug begon helaas ook een zeer hectische examenperiode en moest er ook een thesis ineengeflanst worden, dus kwam van reviewen helaas even niet veel in huis. Driewerf hoera want ik ga een lange zomer tegemoet, kan terug in mijn pen kruipen én Onrust wist me danig te verrassen! Nadat de door u allen beminde Jokke zijn drumstokken helaas moest opbergen tijdens het schrijfproces van het debuutalbum “De oogst” werd vervanging gezocht en gevonden (Sam Wouters) en kon de band lustig verder musiceren. Dat Onrust er niet zo’n positief mens- en wereldbeeld op nahoudt wordt al snel duidelijk na een blik te werpen op de bevreemdende en afstootwekkende (en da’s positief bedoeld!) albumcover en het doornemen van de titels: “Verderf” en “Progeria” bijvoorbeeld roepen niet bepaald beelden op van een zomerse strandwandeling op. Deze eerstgenoemde track knalt het album meteen op gang en brengt een zwaar post-metalgeluid ten gehore, waarbij de hese zang van Ruben Birrell bijwijlen aan een minder rauwe versie van Kirk Windstein (Crowbar) doet denken. U hoort het al: geen zuivere black metal review van mijn hand deze keer, wel recht-voor-de-raap sludge met tal van elementen die we ook bij post-black metal en post-hardcore terugvinden, een mix die mij wel vaker weet te bekoren. “Progeria” zet de trend verder en wisselt agressieve, in-your-face passages af met bezwerende heldere gitaarlijnen die voor de welkome rustpunten zorgen. Bewust of onbewust slopen er ook enkele invloeden van het gerevereerde Fall of Efrafa in het album, iets wat op “Het nest” vooral duidelijk wordt (ook het gebruik van de Obama-sample als intro is hieraan debet), terwijl het titelnummer dan weer enkele knipogen richting Amenra bevat. Onrust weet een duidelijke rode draad doorheen het vijfenvijftig minuten durende album te trekken en levert een zeer sterk samenhangend werk af. Als debuutalbum kan dat wel tellen. Het volledige plaatje klopt: muzikaal is het album bijzonder coherent en de troosteloosheid en zweem van misantropie vinden een sterke echo in de songtitels en albumhoes. Dat de mix werd verzorgd door Bo Engelen, het eigenlijke meesterbrein achter de groep, verdient enkel maar pluspunten: de plaat klinkt bijzonder dynamisch en wordt gekenmerkt door een vol geluid waarbij elk instrument goed tot zijn recht komt. Onrust had duidelijk een heldere visie voor ogen bij het schrijven en opnemen van dit eerste wapenfeit, en weet deze bijzonder vlot over te brengen. Helaas moesten ze hun optreden in Gent van vorige week afzeggen, want ik was benieuwd of een live vertolking van “De oogst” even intens zou zijn. Simpel gezegd: Onrust brengt ons dit jaar één van de interessantse albums van Belgische bodem, waarbij een klemtoon op gevoel in plaats van techniciteit gelegd wordt en die je bijna een uur lang in vervoering weet te brengen. Het zilveren schijfje draaide al meerdere rondjes en het ziet ernaar uit dat het dat nog een tijdje zal blijven doen. Knap!

CAS: 86/100

Onrust – De oogst (independent 2018)
1. Intro
2. Verderf
3. Progeria
4. Eindig
5. Het lege geloof
6. Beschadigd
7. Het nest
8. Onrust
9. The outcast

Wiegedood – De doden hebben het goed III

Wiegedood is goed op dreef en lijkt onvermoeibaar door te gaan zowel qua touren als qua uitbrengen van nieuw plaatwerk. In een kleine drie jaar tijd hebben onze landgenoten, die ook voltallig terug te vinden zijn in de line-up van Oathbreaker, hun trilogie “De doden hebben het goed” afgerond. Delen I en II zijn ondertussen grijsgedraaid en ook het nagelnieuwe derde hoofdstuk dat via Century Media verschijnt, zal hier de komende jaren ongetwijfeld nog de nodige rondjes draaien. Zoals de traditie het wil, prijken er opnieuw vier songs op de tracklist en klokt het geheel op iets meer dan een half uur af. Ten opzichte van de voorganger vallen er geen wereldschokkende veranderingen te bespeuren of het moeten de diepe keelgezangen aan het einde van “Prowl” zijn. Het tempo ligt meermaals verschroeiend hoog (wat is drummer Wim toch een beest!), de riffs zijn bovengemiddeld sterk en de – zij het ietwat monotone – hese krijsen van Levy klieven doorheen de razernij. Enkel in “Doodskalm” en de meer dan twaalf minuten durende titeltrack wordt met een voor atmosferische USBM typerende eb-en-vloed dynamiek gespeeld zoals Wiegedood eerder hanteerde op haar debuut, maar waarbij het eindstuk van het eerst vernoemde nummer wel gevaarlijk dicht naar recyclage van eerder materiaal neigt (de titeltrack van het debuut om specifieker te zijn). In de andere songs klinkt het allemaal wat Noorser hoewel er in enkele breaks van “Doodskalm” en de tremolo riffs van “Parool” ook Zweedse elementen te bespeuren vallen (in de afsluiter hoorde ik wat Setherial ten tijde van “Nord…” voorbijkomen). Criticasters die beweren dat het succes van de band een gevolg is van de link met Amenra zullen er altijd wel zijn (en dat mag ook) en de duivel houdt zich hier mijlenver vandaan, maar voor mij bewijst Wiegedood toch dat ze deze razende pot black metal recht en diep vanuit het hart brengt en verre van een ééndagsvlieg is. Benieuwd naar de performance op Roadburn maar vooral ook naar de releaseshow in de Kreun waar het trio eenmalig de drie albums volledig in chronologische volgorde gaat spelen. Dat gaat vuurwerk geven!

JOKKE: 88/100

Wiegedood – De doden hebben het goed III (Century Media 2018)
1. Prowl
2. Doodskalm
3. De doden hebben het goed III
4. Parool