sepulchral productions

Sombre Héritage – Alpha ursae minoris

Het debuut van Serment was voor Sepulchral Productions een schot in de roos. Met Sombre Héritage lossen ze opnieuw het eerste werk van een nieuwe act uit Quebec, hoewel de bandnaam enigszins bekend in de oren klinkt. Net als Serment is Sombre Héritage composotorisch gezien het werk van één man, in dit geval Exu van Hak-Ed Damm, op drums voor de gelegenheid bijgestaan door Silencer. Deze veteraan van de Canadese black metal scene koos voor dit nieuwe product een vorm van zwartmetaal die het midden houdt tussen enerzijds een ijskoude atmosfeer en riffwerk maar waar anderzijds melancholische leads een warme gloed doorheen laten schijnen. De productie is krachtig en modern maar toch voldoende rauw, waardoor alle gespeelde noten en aangeslagen potten en pannen goed hoorbaar zijn. Het maakt het nog meer genieten van de brok rauwe ongebreidelde emotie die Exu weet te ontketenen. In de ferme openingstrack “Polaris” is het al meteen raak. Wanneer de man dan nog eens zijn heldere koorstem boven haalt, zijn we helemaal verknocht aan zijn gevoel voor melodramatiek. Snelheden variëren van mid- tot up-tempo wat de nummers een goede dynamiek en flow meegeeft. “Nature souillée” klinkt door een meer rock gerichte aanpak wat opener en toegankelijker vergeleken met een rampestamper als “Sombre héritge“, hoewel het venijn ‘em in dit nummer duidelijk in de staart zit. “Déchéance” staat bol van de dynamiek, hoewel de snelle passages soms wat gerushed aanvoelen. De diepe heldere zang zorgt voor een magisch gevoel en het contrast met de verbeten krijsstem van Exu kan niet groter zijn. Ook in “Dissidence” voelt het soms aan alsof er willens nillens snelle passages aanwezig moeten zijn, wat soms wat geforceerd aanvoelt tussen de meer emotioneel geladen tragere stukken. In het afsluitende “Ténèbres” gaat het tempo terug wat naar beneden en wordt er opnieuw wat ‘opener’ gemusiceerd. In het vocaal departement wordt Exu hier bijgestaan door Molag-Venn van Nälzer die ook over een pakkende verhalende heldere stem beschikt. Ondanks enkele kleine bemerkingen – en voeg daar meteen ook maar het ietwat knullige artwork en logo aan toe – is “Alpha ursae minoris” een dijk van een eerste statement. Net als Serment zou dit Sombre Héritage wel eens tot een grote naam in de Canadese scene kunnen uitgroeien!

JOKKE: 83/100

Sombre Héritage – Alpha ursae minoris (Sepulchral Productions 2020)
1. Polaris
2. Sombre héritage
3. Nature souillée
4. Déchéance
5. Dissidence
6. Ténèbres

Serment – Chante, Ô flamme de la liberté

Métal Noir Québécois gaat er bij mij als zoete koek in. Platen van Forteresse, Monarque of Sorcier des Glaces maken ten huize Jokkemans dan ook regelmatig kennis met de naald van de platenspeler. De heer Moribond, gekend van Forteresse en Ephemer, heeft met Serment een nieuw soloproject uit de bevroren Canadese ondergrond gestampt. “Chante, Ô flamme de la liberté” is het eerste teken van leven – de twee instrumentale songs tellende tape die in 2019 via Tour de Garde verscheen even niet meegeteld – en laat na de nietszeggende overbodige ouverture horen dat Serment een kwaliteitsvolle toevoeging voor de Canadese scene betekent. Moribund kan zijn voorliefde voor epiek en grootsheid moeilijk onder stoelen of banken steken, en hoewel ook de parallellen met Forteresse duidelijk hoorbaar zijn, klinkt Serment toch net wat rauwer, maar tegelijkertijd ook symphonischer, want de majestueuze toetsenpartijen draaien hier overuren. Ze nemen de leidende rol over van de gitaarriffs waarbij het voortdurend lijkt alsof een resem engelen uit de hemel komt neergedaald om zich op een extatische wijze te moeien met de gure en grimmige ondertoon aan riffs. En dit terwijl we eigenlijk met een conceptalbum te maken hebben dat de legende vertelt van een pact met de Duivel en de zoektocht naar een verloren erfgoed. De screams klinken verbeten en gaan in “Par-delà collines et rivières” de dialoog met de Duivel aan, de riffs schuren lekker weg, de computergestuurde (?) drums doen niet veel meer dan middels basispatronen het tempo bepalen en de goddelijke keyboards brengen je voortdurend in vervoering met een bijna cathartische ervaring et mhet (o)orgastische “Flamme hivernale” als hoogtepunt. Maar eigenlijk moeten de drie andere volwaardige songs met telkens een gemiddelde speelduur van zo’n acht minuten amper onderdoen voor deze monumentale en cinematografische kraker. Iets over halfweg in “Avant que ne meure la gloire” is een Emperor nooit veraf; het gebeurt wel meer binnen symfonische black dat we echo’s van deze grootheid terughoren. In het uitluidende “Hymne pour la patrie” hebben de dominante toetsen nu écht het alleen bestaansrecht en wordt er een symfonisch einde vol berusting aan dit knappe debuut gebreid totdat de gure wind het overneemt. “Chante, Ô flamme de la liberté” luistert weg als een duistere en epische reis door het hart van de besneeuwde bossen van Quebec die onder een eeuwenoud sneeuwdek begraven liggen. Dikke vette aanrader!

JOKKE: 88/100

Serment – Chante, Ô flamme de la liberté (Sepulchral Productions 2020)
1. Ouverture
2. Sonne, le glas funèbre
3. Par-delà collines et rivières
4. Flamme hivernale
5. Avant que ne meure la gloire
6. Hymne pour la patrie

Sanctvs – Mors aeterna

Zondagochtend: hoogtijd om nog eens naar de mis te gaan. “Sanctus, Sanctus, Sanctus, Dominus Deus Sabaoth; Pleni sunt cæli et terra gloria tua.
Hosanna in excelsis. Benedictus, qui venit in nomine Domini. Hosanna in excelsis.
” Vergezeld van orgelklanken schalt dit misgezang door de huiskamer om even later een zwartgeblakerde misviering in gang te steken. Mortheos is de duivelse preker die achter Sanctvs schuilgaat, een nieuwe speler in de Quebecois black metal-scene. De Franstalige teksten en suggestieve heroïsche en triomfantelijke melodieën zijn prominent aanwezig in deze helse opvoering van een kleine veertig minuten. Er prijken vier échte nummers op debuut “Mors aeterna” (‘de eeuwige dood’) die trapsgewijs van zeven naar tien minuten opklimmen en de luisteraar met hun woedend aura weten te overweldigen. Je voelt continu een zekere onderhuidse sacrale spanning waarvoor Mortheos links en rechts de orthodoxe en occulte schuif aan toeters en bellen opentrekt. In het beklijvende en razende “Dans la pleine obscurité l’on te devine” uit zich dat heel even via rituele koorzang en in de mid-tempo start van het voor de rest opzwepende “Descends sur l’homme telle une épée flamboyante” zorgen orgelklanken voor een verheven inkleuring. Demonische tremolo-riffs doorklieven hosties, priestergewaden en glasramen en laten geen spaander heel van houten kruisen en altaren. Opnieuw zorgen heldere gezangen voor een hiëratisch tintje. Dezelfde ingrediënten zijn ook in “Et scinde les chaînes qui le lient à Yaweh” te horen, opnieuw een vlijmscherpe aanval op alle heilige huisjes. Mortheos laat zien dat hij zowel het instrumentale als vocale luik prima beheerst en koos voor een knallende doch rauwe productie voor zijn prima debuut.

JOKKE: 84/100

Sanctvs – Mors aeterna (Sepulchral Productions 2019)
1. Sanctvs dominvs
2. Roi omnipotent, sainteté maléfique
3. Dans la pleine obscurité l’on te devine
4. Descends sur l’homme telle une épée flamboyante
5. Et scinde les chaînes qui le lient à Yaweh
6. Mors aeterna

Ossuaire – Premiers chants

De Canadese black metal-scene heeft in de vorm van Monarque, Forteresse, Akitsa, Délétère en Gevurah al heel wat interessante bands voortgebracht en Ossuaire kan meteen aan dit rijtje toegevoegd worden. In 2016 werd via Productions Haineuses een opwarmertje uitgebracht in de vorm van de “La diatribe infernale” EP, maar nu is het met de langspeler “Premiers chants” tijd voor het echte werk. De intense titeltrack houdt ons dankzij de knallende productie meteen bij de les. Ossuaire lijkt misschien de zoveelste band te zijn waar tremolo picking en blast beats het mooie weer maken, maar het kwartet heeft het nu eenmaal in de vingers om middels deze ingrediënten pakkende nummers te schrijven zoals “La flamme noire de Ge’henom“, waarin catchy melodieën een dynamisch spel aangaan met opzwepende black, en de elf minuten durende epische afsluiter. Hérésiarque wisselt zijn krijszang ten gepaste tijde af met cleane (koor)zang wat een heidense toets toevoegt. Van het christendom moeten de vier muzikanten sowieso niet veel weten want deze langspeler is de eerste van een tweeluik waarbij de voornaamste gebeurtenissen aangekaart worden die bijdragen aan de teleurgang van het christendom en ketterij promoten. Het korte “Exhortation” vormt een tussendoortje waarbij akoestische gitaren, verhalende vocalen en gure wind het verhaal vertellen. “Saints céphalophores” is in het eerste deel grotendeels mid-tempo van aanpak en schakelt nadien een versnelling hoger. Opnieuw laat gitarist Atrocité zien dat hij een goed oor voor catchy melodieën heeft, maar de man tovert eveneens enkele lekkere old school riffs uit zijn instrument. Ossuaire heeft een veelbelovende start genomen en mixt haar Frans-Canadese roots met melodieuze Scandinavische elementen. Benieuwd naar deel twee!

JOKKE: 83/100

Ossuaire – Premiers chants (Sepulchral Productions 2019)
1. Premiers chants
2. La procession des flagellants
3. La flamme noire de Ge’henom
4. Exhortation
5. Saints céphalophores
6 La grande apostasie

Délétère – De horae leprae

Van de veertiende tot de negentiende eeuw werd Europa veelvuldig geteisterd door de pest. De ziekte die veroorzaakt wordt door de yersinia pestis bacterie nam verscheidene keren zelfs een pandemisch karakter aan. Zo stierf naar schatting één derde van de Europese bevolking tussen 1347 en 1351 aan de gevolgen van de Zwarte Dood. Deze vuile ziekte heeft doorheen de geschiedenis vele kunstenaars geïnspireerd (denk maar aan Gustave Doré of Theodor Kittelsen) en meer recent was dit smerig verschijnsel natuurlijk ook de ideale voedingsbodem voor menig black metal band. Het Canadese Délétère is één van die acts die inspiratie haalt uit de Zwarte Dood getuige hun “Les heures de la peste” album uit 2015 en de “Per aspera ad pestilentiam” EP van vorig jaar. Op het kakelverse “De horae leprae” is dat – u raade het al – niet anders. Ook menig aan deze epidemie gelinkt ongedierte zoals wormen en duizendpoten (zelfs in het bandlogo is er één terug te vinden) komen in het meer dan één uur durende lugubere verhaal aan bod. Wat meteen opvalt wanneer opener “Teredinis lepra” uit de boxen schalt is de uitstekende productie die in schril contrast staat met de vele lo-fi bands in het genre en de grimmige demo’s van de band zelf. Wat ook meteen duidelijk wordt, is dat het Oekraïense Drudkh hoog aangeschreven staat bij het duo Atheos (gitaar en bas) en Thorleïf (zang, drums en keyboards) want die typische Oost-Europese melancholie en dat inherente triomfantelijk gevoel zitten ook diepgeworteld in de muziek van Délétère. Keyboard- en orgeltoetsen zorgen volcontinu voor extra episch gevoel, hoewel de gitaarriffs ook reeds een vette portie melodie en atmosfeer creëren. In een nummer als “Barathra I” wordt het echter al snel iets te dansbaar en daar heb ik de pest aan jongens. Dikwijls lopen lagere en hogere ‘suicidal’ screams synchroon samen en op tijd en stond passeren er cleane gezangen met een een sacraal randje. De krachtige ritmesectie legt het tempo doorgaans hoog maar minpunt is dat er niet zo bijzonder veel afwisseling tussen de nummers onderling is, en een uur daardoor lang duurt. Na enkele luisterbeurten springen het van een catchy melodielijn voorziene “Sagina caedendis” en het met cleane zangkoren opgesmukte “Ichthus os tremoris” er wel bovenuit. Als je puur venijn, vitriool en agressie zoekt in je black metal, laat Délétère je deels op je honger zitten. Is melodieuze black met glorieuze insteek echter je ding, dan zal je je hier absoluut geen pestbuil aan vallen.

JOKKE: 79/100

Délétère – De horae leprae (Sepulchral Productions 2018)
1. Cantus I – Teredinis lepra
2. Cantus II – Sagina caedendis
3. Cantus III – Ichthus os tremoris
4. Cantus IV – Inopia et morbo
5. Cantus V – Figura dysphila
6. Cantus VI – Barathra I
7. Cantus VII – Barathra II
8. Cantus VIII – Atrum lilium
9. Cantus IX – Oratio magna