Met zeven full-lengths, 2 EP’s en een split op een decennium tijd op je palmares kan je het Duitse Dauþuz allerminst van enige luiheid beschuldigen. Het duo Aragonyth S. (gitaar, bas, drums) en Syderyth G. (zang, akoestische gitaar en keyboards) verscheen in 2021 op onze radar met “Vom schwarzen Schmied“, een plaat die één jaar later nog een herwerking in min of meer akoestische vorm kreeg in de vorm van “”Bergkgesænge“. Met “Todeswerk: Uranium II” krijgen we – zoals de titel reeds deed vermoeden – de opvolger voorgeschoteld van het twee jaar geleden verschenen “Uranium“.
Zoals vanouds bezingt Dauþuz de gitzwarte geschiedenis van de mijnbouw. Ook de dag van vandaag blijft mijnbouw wereldwijd een van de gevaarlijkste sectoren, vooral in steenkoolmijnen en in kleinschalige of slecht gereguleerde mijnen. Denk maar aan de mijnramp die op 22 mei 2026 plaatsvond in de kolenmijn Liushenyu in de Chinese provincie Shanxi. Ten gevolge van een gasexplosie kwamen minstens 82 mijnwerkers om het leven en raakten meer dan 100 mensen gewond, wat het de dodelijkste mijnramp van China maakte sinds 2009. Deze Duitsers duiken voor hun nieuwe album echter wat verder terug de tijd in. Thematisch vormt “Todeswerk: Uranium II” een indrukwekkend en beklemmend geheel waarbij de focus ligt op de slachtoffers van de uraniumwinning in Joachimsthal en Bohemen na de Tweede Wereldoorlog. Dauþuz belicht de mensonterende omstandigheden waaronder dwangarbeiders en mijnwerkers moesten werken voor de Sovjet-atoomindustrie. Het resultaat is geen romantisering van geschiedenis, maar een somber monument voor duizenden levens die werden opgeofferd in de wedloop naar de atoombom.
Muzikaal blijft Dauþuz trouw aan de melodische black metal van de jaren negentig, maar zonder zich te verliezen in nostalgie. De riffs ademen de geest van de tweede golf black metal, terwijl de composities voortdurend nieuwe spanningsbogen creëren. De songs voelen levendig en dynamisch aan, met voldoende variatie om de aandacht gedurende de volledige speelduur vast te houden. Opvallend is dat de band een iets agressievere koers vaart dan voorheen. De gitaren klinken scherper en de algehele sfeer is grimmiger, wat uitstekend aansluit bij het zware onderwerp van het album.
De toevoeging van sessiedrummer Werwolf (o.a. Runenwacht) blijkt een schot in de roos. Het drumwerk geeft de nummers extra kracht en diepgang, zonder de atmosferische insteek van de band te verdringen. Tegelijk keren de akoestische gitaren terug in de intermezzi “Hammerzwange” en “Bluteisen” die als rustpunten dienen tussen de stormen van blastbeats en tremoloriffs. Waar deze passages vroeger vooral melancholie opriepen, lijken ze hier vooral wanhoop en uitzichtloosheid te weerspiegelen. De berglandschappen die Dauþuz zo vaak muzikaal oproept, voelen ditmaal koud, verlaten en stervend aan.
Ook vocaal toont de band heel wat variatie met screamende en semi-raspende keelklanken, meerstemmige zangkoren en subtiele verwijzingen naar de aanpak op “Bergkgesænge“. De afwisseling tussen verschillende stemregisters versterkt de dramatiek van de nummers en voorkomt dat het album in een monotone zwartmetalen aanval verzandt. In tegendeel, de songs druipen van de emotie en dat met het enorm beklijvende “Uranlager II” op kop.
Met “Todeswerk: Uranium II” levert Dauþuz opnieuw een sterk hoofdstuk af binnen hun inmiddels indrukwekkende discografie vol ‘mining black metal‘, zoals de heren hun muziek zelf labelen. De combinatie van melodie, agressie, atmosferische diepgang en historisch bewustzijn maakt van dit album meer dan zomaar een blackmetalplaat. Het is een muzikale afdaling in de donkerste schachten van de Europese geschiedenis, uitgevoerd met overtuiging en vakmanschap.
JOKKE: 84/100
Dauþuz – Todeswerk: Uranium II (Amor Fati Productions/Archaic Oath Productions/Moonstruck 2026)
1. Joachimsthal / Jáchymov
2. Uranlager I
3. Hammerzwang
4. Der Turm des Todes
5. Uranlager II
6. Bluteisen
7. 211947
8. Des Häftlings Bergmannstod
