Wie na negen jaar stilte vond dat de “Motestandarin” EP met zijn schamele negen minuten wel een erg karig teken van leven was van het Zweedse Arckanum, mag opgelucht ademhalen: het blijkt slechts een voorproefje te zijn geweest van “Beswærilsin“, de tiende langspeler van Shamaatae. Met ruim een uur aan materiaal heeft de Zweed deze keer heel wat meer bezweringen in petto.
Wie op een muzikale terugkeer naar “Fran marder“, het debuut uit 1995, hoopte, zal zijn verwachtingen enigszins moeten bijstellen. “Beswærilsin” leunt eerder aan bij de tweede fase in de grillige levensloop van Arckanum. De rauwe, eigenzinnige black metal waarmee Shamaatae zijn naam vestigde, is niet helemaal verdwenen, maar de composities verraden een andere benadering. Ook de productie schuurt tegen een modernere sound aan. Gelukkig wordt de muziek niet volledig gladgestreken, is de ronkende basgitaar goed hoorbaar en blijven er voldoende ongepolijste randjes over om te vermijden dat dit een generiek klinkende blackmetalplaat wordt.
Muzikaal valt vooral de afwisseling tussen de meer swingende aanpak en de duistere, zwaardere passages op. “Rymz rand” is een mooi voorbeeld van die eerste categorie, met een uitstekende drive die door de basgitaar stevig wordt voortgestuwd. Het nummer bezit een aanstekelijk momentum zonder dat de muziek daardoor aan venijn inboet. Ook “Wiþirskapit” verdient een bijzondere vermelding. Het nummer is grotendeels instrumentaal, op enkele verdwaalde growls na, en laat de instrumenten volop het woord voeren. Dat daarbij zelfs een heuse gitaarsolo uit de vingers van Shamaatae rolt, is een aangename verrassing. Zowel de drums als de basgitaar drukken een stevige stempel op het geheel en geven de compositie extra gewicht en dynamiek. Dat Shamaatae van oorsprong drummer is, valt trouwens moeilijk te ontkennen: de aanstekelijke drumgrooves en subtiele accenten bezorgen de songs een herkenbaar en bijwijlen verrassend catchy karakter.
Aan de andere kant van het spectrum vinden we “Wilianz kniwer“, een duistere, zware en doomy compositie die positief opvalt tussen het meer swingende materiaal. Het nummer bewijst dat Shamaatae van vele markten thuis is en weet hoe hij met dynamiek en spanningsopbouw moet spelen om zijn muziek extra dreiging mee te geven.
Ongeveer halfweg de plaat gaat de razernij even liggen en schetst “Gyghra hirþi” een mystiek en aardedonker klanklandschap waarin de basgitaar een prominente rol opeist. Wanneer het gekrijs van de kraaien langzaam uitsterft, brengt een welgemikte drumfill aan het begin van “Eldstenz frø” het nodige leven weer in de brouwerij. Die opleving blijkt echter niet van lange duur, want gaandeweg laat het nummer zich van een heel andere kant zien. Het tempo wordt drastisch teruggeschroefd, waardoor er ruimte ontstaat voor mystiek en onderhuidse dreiging. Die afwisseling tussen aanstekelijke ritmiek en beklemmende passages houdt de plaat levendig en voorkomt dat de ruime speelduur een uitputtingsslag wordt.
Met meer dan een uur aan muziek valt er op “Beswærilsin” sowieso voldoende te ontginnen. Dat “Skæpna aer krigh” en “Anskoti“, die we in de tweede helft van de plaat aantreffen, eerder al op het voorproefje “Motestandarin” verschenen, nemen we er dan ook graag bij. Wie die nummers al heeft leren kennen, krijgt immers nog genoeg nieuw materiaal voorgeschoteld om zich verder in de wereld van Shamaatae te verdiepen. Vooral “Utgarþzeþer” springt eruit. De compositie koppelt een aanstekelijke groove aan de folklore die Arckanum in de begindagen zo’n eigen smoel gaf. Ook “Trulmoþir” laat de Scandinavische folklore nadrukkelijk doorschemeren met rituele keelgezangen die het archaïsche karakter van de muziek extra in de verf zetten. Die bezwerende elementen sluiten naadloos aan bij de mythologische en spirituele wereld waarin Shamaatae zijn luisteraars wil onderdompelen.
In de staart van de plaat wacht met “Twæþursaspa” nog een negen minuten durende, duistere en onheilspellende vertelling. Het nummer biedt Shamaatae de ruimte om zijn Thursische universum verder uit te diepen en de luisteraar nog even in de beklemmende sfeer van “Beswærilsin” gevangen te houden.
De spirituele insteek blijft ondertussen onverminderd aanwezig. Alles wat onder de naam Arckanum verschijnt, staat in het teken van Shamaatae’s Thursische overtuigingen en artistieke visie. Muziek, teksten en visuele vormgeving moeten samen één magisch werk vormen, terwijl de teksten in het Oudzweeds (fornsvenska) teruggrijpen naar Oudnoordse en Zweedse poëtische tradities. Elementen uit de Zweedse svartkonst vervolledigen het geheel. De vargar, buitenstaanders die zich niet onderwerpen aan opgelegde normen en conventionele moraal, blijven daarbij een belangrijk onderdeel van het gedachtegoed. Dat klinkt allemaal bijzonder plechtig, maar gelukkig hoeft de luisteraar niet eerst een cursus Thursische spiritualiteit te volgen om zich aan de muziek te kunnen overgeven.
Ook het duistere en ronduit angstaanjagende artwork, verzorgd door Darby Lahger, verdient een vermelding. De Amerikaanse was in het verleden al te horen op platen als “Antikosmos” en “Den förstfödde“. Haar betrokkenheid vormt een mooie verwijzing naar het verleden, terwijl het onheilspellende visuele werk naadloos aansluit bij de occulte wereld die Shamaatae met “Beswærilsin” oproept.
Na enkele mindere platen weet Arckanum met “Beswærilsin” het vuur van weleer opnieuw aan te wakkeren. Het resultaat is een sterke langspeler waarin duidelijk heel wat tijd en aandacht werd geïnvesteerd, zonder dat Shamaatae zijn eigenzinnige karakter overboord gooit. De afwisseling tussen swingende grooves, onheilspellende passages en folkloristische elementen zorgt voor voldoende variatie om de ruime speelduur te verantwoorden. We vermoeden dan ook dat Shamaatae met deze plaat heel wat verloren gelopen zielen opnieuw voor zich zal weten te winnen. De oude demonen zijn nog lang niet uitgeraasd.
JOKKE: 86/100
Arckanum – Beswærilsin (Darkness Shall Rise Productions 2026)
1. Mz fianda raþi
2. Utgarþzeþer
3. Wilianz kniwer
4. Rymz rand
5. Gyghra hirþi
6. Eldstenz frø
7. Wiþirskapit
8. Skæpna aer arigh
9. Anskoti
10. Trulmoþir
11. Twæþursaspa
