Naxen – To abide in ancient abysses

Naxen is een vierkoppig black metal gezelschap uit Münster in Noordrijn Westfalen, aangeprezen door hun Ultha-vriendjes. En dan checken we dat natuurlijk uit! Naxen bracht eind vorig jaar een eerste cassettedemo uit die door Ultha’s Andy Rosczyk geremastered werd om begin 2019 door Vendetta Records in een vinyljasje gestoken te worden. “To abide in ancient abysses” bevat twee songs die gezamenlijk een zeventiental minuten omspannen. Geen duivelaanbidding en Satanische rituelen hier, maar teksten die handelen over de tekortkomingen van de mensheid, diens tragedies, wandaden en falen. Naxen’s black varieert tussen mid- en uptempo black met in “Great Gof of grief” ook een semi-akoestische passage vol melancholie. Het geluid van Ultha ligt nooit veraf, zeker de geremasterde versie. De originele tape klinkt wat scheller en voelt daardoor meteen ook Noorser aan. “Dawn of new despair” is wat venijniger en bevat he(me)lse gitaarmelodieën die een brede grijns op mijn tronie toveren. Wanneer er gas teruggenomen wordt, schemeren sludgy invloeden doorheen de black. “To abide in acient abysses” kreeg een moderne sound aangemeten die fans van het reeds eerder aangehaalde Ultha of USBM-acts zoals Ayr en Worsen zou moeten kunnen aanspreken.

JOKKE: 82/100

Naxen – To abide in ancient abysses (Vendetta Records 2019)
1. Great God of grief
2. Dawn of new despair

Батюшка – Панихида

Dit is het Batushka van gitarist Krzysztof Drabikowski, de componist achter het geprezen album “Litourgiya“. Na juridische rel, deels uitgevochten op sociale media, om de rechten op de bandnaam, waren er natuurlijk hoge verwachtingen. Deze zijn met “Panikhída” – oftewel “Herdenkingsdienst” – wel degelijk ingelost. Het is een logische opvolger geworden die in geheel dezelfde trant, van black metal gemengd met Gregoriaanse gezangen en Orthodoxe thematiek, verder gaat waar “Litourgiya” ophield. Wat wel meteen opvalt is dat, anders bij het soms nogal modderig aandoende debuut, de gitaren hier een pak meer op de voorgrond liggen zowel qua klank als prominentie. Op dit album zijn klassiekere black metal elementen meer de drijvende kracht en fungeren de gezangen eerder als een verrijking dan een doel op zich. Dit resulteert in een interessantere, agressievere plaat die minder snel inzakt en zelfs beter wordt naar het einde toe. Het laatste nummer bijvoorbeeld ontleent meer sfeer aan de gitaarpartijen dan aan de zang. Zoals gezegd is de productie meer snaargericht. De overkoepelende klank is helder en snijdend, met een mooi spanningsveld tussen de klassieke elementen en riffs. De drums zijn een duidelijk zwak punt, waardoor het album wat aan kracht en cohesie verliest. Maar dat vond ik eigenlijk net zo bij de vorige release. Nu zullen er zeker mensen zijn die het jammer vinden dat de hele 42 minuten niet zijn dicht gepleisterd met koren, maar voor mij is dit in elk geval een stap vooruit.

Xavier: 80/100

Батюшка – Панихида (Eigen beheer 2019)
1. Песнь 1
2. Песнь 2
3. Песнь 3
4. Песнь 4
5. Песнь 5
6. Песнь 6
7. Песнь 7
8. Песнь 8

Gaahl’s Wyrd – GastiR – Ghosts invited

Kristian Eivind Espedal is beter bekend als “Gaahl”. Sommige mensen zullen hem waarschijnlijk wel kennen van Gorgoroth of Godseed, maar meer zullen hem wellicht voor het eerst echt hebben gezien in de documentaire “A headbanger’s journey“. Zijn rijzige, stoïcijnse voorkomen is sindsdien semi-legendarisch binnen bepaalde kringen. Helaas vertaalt zich dat, volgens mij, niet in spectaculaire muzikale prestaties. Het debuutalbum “GastiR – Ghosts invited”  is een amalgaam van black metal stijlen dat zeker niet slecht is, maar ook nergens echt indruk op me weet te maken. Er zijn elementen van al Gaahls’ vorige bands en projecten, waaronder ook wat folk, maar niks springt er echt uit. De riffs zweven tussen traditionele black, pagan en thrash terwijl de stem wisselt tussen screams, clean gezang en parlando. De vocalen zijn trouwens over het algemeen best in orde, maar nu ook niet indrukwekkend te noemen en op sommige plaatsen zelfs wat vals. De moderne, maar niet gelikte, productie is prima en het nogal knullige foto-artwork past ergens ook wel, maar voor mij voelt het allemaal wat flauw aan. Misschien ligt het eraan dat dit een eerste release is en de muzikanten elkaar nog wat moeten vinden, maar gezien Gaahl toegang heeft tot toch wel een hoop talent, had er eventueel wel wat beters in gezeten. Hoe dan ook lijkt de band wel relatief hoge ogen te gooien met de release, gepromoot door een Europese tournee met Mayhem. Fans van de man of echte black metal groupies kunnen dit gerust aanschaffen. De iets meer kritische mens, zou toch best eerst eens goed luisteren vooraleer tot een koop over te gaan.

Xavier: 70/100

Gaahl’s Wyrd – GastiR – Ghosts invited (Season Of Mist 2019)
1. Ek erilar
2. From the spear
3. Ghosts invited
4. Carving the voices
5. Veiztu hve
6. The speech and the self
7. Through and past and past
8. Within the voice of existence

Rraaumm – The eternal dance at the nucleus of time

Rraaumm…vreemde naam voor een band hoor ik u denken…en dat is het ook. De betekenis ervan dien ik jullie echter schuldig te blijven. Achter het cryptische woord gaat een Duitse black metal band schuil en daar stopt de info die ik kan meegeven zowaar al (er wordt wel gefluisterd dat hier iemand van Häxenzijrkell bij betrokken zou zijn). Oh ja, en het artwork werd verzorgd door Karmazid, een ondertussen bekende naam in het designwereldje dankzij ontwerpen voor o.a. LVTHN, Wederganger, Blaze Of Perdition, Gevurah en…Häxenzijrkell. Soit, full focus op de muziek dan maar. “The eternal dance at the nucleus of time” is Rraaumm’s eerste EP waarvan de speelduur van de vier nummers op 38 minuten afklokt (er werd in de vorm van “Out of the aeons” een extraatje toegevoegd ten opzichte van de reeds eerder verschenen cassetteuitgave). De lengte van de songs is een hint naar het black metal-segment dat we te horen krijgen: atmosferische black waarbij de nodige tijd uitgetrokken wordt om een verhaal te vertellen. Om de kippenvelfactor in de twaalf minuten durende opener “To wander beyond lunar seas” de hoogte in te jagen, worden post-rock gitaarlijnen, melodieuze solo’s, spookachtige keyboards, burzumeske repetitiviteit en verwrongen gekwelde screams ingezet. Snelheidsrecords worden er hier niet gebroken, maar dat hoeft allerminst. De mystieke aanvang van een nummer als “Spiral black vortices” doet een herinnering aan oude-Limbonic Art voorbijkomen, maar de typische bombast van deze twee Noren blijft hier achterwege. Hoewel er kosmisch aandoende trips ondernomen worden, doet Rraaumm dit op een organische manier en aan een slepend doomtempo waarin sporadisch een spoken word sample opduikt. Het titelnummer is wat meer uptempo en klinkt vrij braafjes, moesten het niet de zwaar door de mangel gehaalde vocalen zijn die toch nog voor een bibber- en beefeffect zorgen. Me omver blazen doet “The eternal dance at the nucleus of time” niet, daarvoor zijn er te weinig memorabele passages en klinkt het allemaal nog wat te vrijblijvend, maar ik ruik wel potentieel.

JOKKE: 70/100

Rraaumm – The eternal dance at the nucleus of time (Ván Records 2019)
1. To wander beyond lunar seas
2. Spiral black vortices
3. Out of the aeons
3. The eternal dance at the nucleus of time

Sühnopfer – Hic regnant borbonii manes

Florian Denis aka Ardraos kennen we al een tijdje. De man verwierf vooral faam als (ondertussen ex-) drummer bij Peste Noire op alle releases sinds diens self-titled, en ook op Aorlhacs “L’esprit des vents” hanteerde hij de stokken. Echter heeft dit heerschap ook sinds 2001 een soloproject, waarmee hij recent aan zijn derde langspeler toekwam. Via Debemur Morti Productions verscheen zodus “Hic regnant borbonii manes”, waarop Ardraos bewijst ook een begenadigd gitarist te zijn. Zoals het een nationalist zoals Ardraos zelf betaamt, duikelt het album lyrisch gezien halsoverkop terug de middeleeuwen in, terug naar de tijd toen zijn geboortestreek Auvergne nog Bourbon genoemd werd – vandaar de referentie in de titel die verwijst naar de krochten van de kerkers van de toenmalige adel. Geen nazibedoeningen hier, wel een glorificatie van de tijden van weleer. De melodieuze tremoloriffs volgen elkaar zonder genade op, ondersteund door een belachelijk groot aantal blastbeats. Echter krijgen we hier niet zomaar hersenloos geram want de songs bevatten genoeg variatie en interessante opbouwen om ons een klein uur lang geboeid te houden. Met de intro in de vorm van “Invito funere” worden we ietwat op het verkeerde been gezet: deze bereidt ons absoluut niet voor op het opeenvolgende “Pénitences et sorelages” dat meteen het gaspedaal volop indrukt. Datzelfde gaspedaal wordt doorheen het album met moeite losgelaten, iets wat er normaliter voor zorgt dat mijn interesse na een tijdje nog even onbestaand is als een erectie van Herman Brusselmans. Gelukkig is Ardraos’ gitaarspel gevarieerd en inventief genoeg om mijn koppeke als het ware automatisch doorheen gans het album te doen meeknikken en waarin knipogen naar Sacramentums “Far away from the sun” (een referentie die Ardraos zelf aanhaalt, naast Dissection) en Peste Noires debuut af en toe eens om het hoekje komen piepen. Muzikale duizendpoot die hij is neemt de man ook de zang op zich (anders was het dan ook geen soloproject meer) en deze klinkt scherp, hoog en vooral ziedend. Na voorganger “Offertoire” las ik vaak de kritiek dat mensen de band instrumentaal goed vonden, maar dat de zang hen tegenstond. Op “Hic regnant borbonii manes” wordt het overslaande, ‘scheurende’ stemgeluid achterwege gelaten waardoor de vocalen iets toegankelijker zijn voor de gemiddelde liefhebber van zwart metaal. Hoewel geclaimd wordt dat zijn muziek een medieval kantje zou hebben, hoor ik hier echter bitter weinig van terug of het moeten de akoestische gitaartonen zijn die hier en daar over het album verspreid de kop opsteken. Wat we wel voorgeschoteld krijgen is een uiterst melodieus werk dat fameus blaast ende knalt, en waarvan de productie (die Ardraos ook zelf onder handen nam) absoluut top klinkt. Geen lo-fi toestanden hier, maar een zeer helder gitaartapijt waar de raggende blastbeats en dubbele bassen hun weg doorheen vinden zonder alles te overstemmen. De bas is niet steeds even hoorbaar, maar die volgt dan ook gewoon de drumpatronen en tja, die zijn nu eenmaal belangrijker hier. Iets meer variatie in het tempo had gemogen, maar voor een keer val ik er niet over: Ardraos weet een grimmige, ruwe sfeer neer te poten en doet dit met verve.

CAS: 84/100

Sühnopfer – Hic regnant borbonii manes (Debemur Morti Productions 2019)
1. Invito Funere (Introduction)
2. Pénitences et sorcelages
3. Hic Regnant Borbonii Manes
4. La Chasse Gayère
5. Je vivroie liement
6. Dilaceratio Corporis
7. L’Hoirie de mes ancêstres

Impavida – Antipode

Tweede plaat voor het uit Noordrijn-Westfalen afkomstige Impavida, maar we hebben er wel een luttele elf jaar op moeten wachten. Met het debuut “Eerie winds” liet het duo destijds horen te weten hoe een beklijvende depressieve black metal-plaat in mekaar te flansen. Dat kunstje wordt op “Antipode” nog eens losjes overgedaan én op alle vlakken overklast. Multi-instrumentalist en songschrijver Dennis Blomberg aka God Killing Himself (what’s in a name?) zag in tussentijd drummer Herbst de biezen pakken, maar vond in de Amerikaan He, Who Walketh the Void wel een nieuwe frontman; één met een ijzingwekkende scream dan nog wel want wat kan die kerel raspend hoge krijsen uit zijn strot persen zeg. Het lijkt bij momenten wel of er een varken gekeeld wordt. Zoals de titel aangeeft, draait het bij Impavida om tegenstellingen en dat vertaalt zich naar de muziek. We horen een dynamisch spel tussen licht en duisternis, ingetogenheid en extase, reinigende emotie en vervuilende psychose. De twee van-een-lange-titel-voorziene hoofdnummers klokken beide op meer dan een kwartier speeltijd af en bevatten telkens een drie à vier minuten durende appendix, waarvoor een aparte track gecreëerd werd. De start van “Demons’ eerie flutes accompany with the decay of corpses defiled” bevat allerlei vervreemdende en onaardse klanken die langzaam aanzwellen tot een vloedgolf van doorratelende drums en een vortex aan gitaarriffs waar een hypnotiserende melodie doorheen meandert en ijselijke uithalen doorheen klieven. Al deze elementen weerkaatsen voortdurend heen en weer en creëren een onmenselijke, kosmisch aanvoelende sfeer. De wijzigingen in ritme duwen de energie alle kanten van het universum uit en mikken op creatie en vernietiging van het heilige en lichamelijke. Marcherende drumritmes en sireneachtige leads maken van “Corpse devourer” een misselijkmakend aanhangsel voor de allesverpletterende opener. “The first flame initiates the cleansing of putrid terrestrial spirits” wekt middels spookachtige cleane gitaarlijntjes en repetitieve gargantueske zwartgallige onderstromen een totaalgevoel van radeloosheid en eenzaamheid op. Wanneer de energie-explosies plaatsmaken voor dronend doemgedonder, beuken deze kinetische pulsen onophoudelijk op je gemoed in. Eens bij het finale “Towards the pyre” aangekomen, stel je je geestelijke gezondheid volledig in vraag. Voor de volle, massieve sound tekende onze landgenoot Deha op. Naar aanleiding van het verschijnen van “Antipode” zal Ván ook het debuut opnieuw en geremasterd uitbrengen. De liefhebbers van depressieve, maar intense en energieke (hoe contrasterend dat ook mag lijken) en monolithisch klinkende black, weten wat doen.

JOKKE: 82/100

Impavida – Antipode (Ván Records 2019)
1. Demons’ eerie flutes accompany with the decay of corpses defiled
2. Corpse devourer
3. The first flame initiates the cleansing of putrid terrestrial spirits
4. Towards the pyre

Yellow Eyes – Rare field ceiling

Hoewel de bakermat van Yellow Eyes de miljoenenmetropool New York City is, klinkt de muziek van het kwartet verreweg van urbaan of industrieel. Integendeel, bij Yellow Eye’s black metal passen eerder de adjectieven ‘organisch’ en ‘natuurlijk’. Voor het schrijven van de plaat trok gitarist Sam Skarstad zich – zoals gewoonlijk – twee maanden terug in een cabin in the woods in Connecticut, ver weg van het hectische leven. In complete afzondering kregen de songs hier vorm waarbij talrijke veldopnames aan de composities toegevoegd werden. Op voorganger “Immersion trench reverie” uit 2017 werd deze werkwijze reeds gebruikt, maar op het nieuwe “Rare field ceiling” is er nog meer plaats voor allerlei in de natuur opgenomen geluiden. In de nasleep van het optreden tijdens Roadburn en Doom Over Leipzig, bezochten de vier muzikanten – naast de Skarstad broers is de line-up met drummer Michael Rekevics (Vanum, Vilkacis, Fell Voices) en bassist Alexander DeMaria (Anicon) identiek aan die van de vorige plaat – vorig jaar nog een zevental landen met het oog op het vastleggen van allerlei veldopnames. Zo bevat “No dust” geluiden die in Siberië vastgelegd werden en wordt er naar het einde toe ook gemusiceerd op een door de bassist zelfgemaakte zither, een snaarinstrument waarbij de klankbodem bespannen is met één of meerdere snaren. Het einde van de albumopener wordt dan weer ingekleurd door vrouwelijke Russische koorzang. De veldopnames vinden hun culminatie echter in de zes minuten durende afsluiter “Maritime flare” waarbij ze, in combinatie met dronende gitaargeluiden en een minimalistisch melodiemotief, een somber en desolaat gevoel uitdragen dat nog aangescherpt wordt door de getormenteerde screams van Will Skarstad. De sound van “Rare field ceiling” is scherp, wrang, schel, bijtend en iel waarbij de ijle krijszang in de muziek verweven zit en voortdurend lijkt te moeten opboksen tegen de muzikale storm die er rondom heen plaatsvind. “Warmth trance reversal” start met een knoert van een black metal-riff maar zoals we van Yellow Eyes gewend zijn, gaat hun black meermaals alle richtingen uit. In haar meest progressieve momenten duiken bands als Ved Buens Ende en Fleurety als referentie op maar er wordt ook met dissonanten gegoocheld. De zes lange songs zitten complex in mekaar maar weten te begeesteren. De triomfantelijk klinkende gitaarmelodieën in “Light delusion curtain” overmannen je met een gevoel van majestueusheid en een zekere romantiek. Haaks hierop staan de vervreemdende waanzin en ijskoude duisternis die o.a. in het chaotische en uit messcherpe riffs opgetrokken “Nutrient painting” geëtaleerd worden. Het titelnummer start met een simpele punky drumbeat, maar schakelt verderop naar galopperende ritmes over en ontpopt zich eveneens tot een complexe song. Yellow Eyes heeft zichzelf op “Rare field ceiling” weten te overtreffen en levert een avontuurlijke plaat af voor fans van allesbehalve rechtlijnige en gemakkelijk verteerbare black. Een plaat die de volle aandacht vraagt om geabsorbeerd te worden.

JOKKE: 85/100

Yellow Eyes – Rare field ceiling (Gilead media 2019)
1. Warmth trance reversal
2. No dust
3. Light delusion curtain
4. Nutrient painting
5. Rare field ceiling
6. Maritime flare