Een sombere drone, het ruisen van de zee, woordeloze, ritualistische vocalen en een onheilspellend tremologitaartje… In de intro wordt vakkundig een filmische sfeer gecreëerd alvorens deze opmerkelijke debuutschijf van Zeicrydeus werkelijk losbarst. En ineens, voor je het weet, ben je er als luisteraar van overtuigd dat je bent teruggekatapulteerd naar het Hellas van de jaren ’90; of misschien eerder nog overgeflitst naar een parallel universum waar Proscriptor McGovern niet aan Ierse grond is ontsproten, maar aan de grofkluitige aarde van Attica, rijk aan wijnstokken, en waar hij als een schuimbekkende Themistocles zijn popelende manschappen opruit tegen de vloot van Xerxes die dreigend aan de horizon opdoemt. Niet kwaad dus voor een obscuur debuut van een band met een mysterieuze naam die geen enkel belletje doet rinkelen. Het blijkt hier evenwel niet om nobele onbekenden te gaan, maar om een nieuw solo-project van niemand minder dan Philippe Tougas, de 33-jarige meester-snarentemmer uit Québec die we wel degelijk kennen als de man achter de in Lovecraftiaanse duisternis gedoopte death van Chthe’ilist bijvoorbeeld, of als lid van het elegante funeral doomensemble genaamd Atramentus, en uiteraard ook van het verbluffend virtuoze First Fragment. Dit is zelfs nog maar het topje van de ijsberg; zo laat hij sinds enkele jaren bovendien de gitaar bitterzoet huilen bij Worm en maakte hij tot heel recent ook nog deel uit van VoidCeremony. Waar de goede man de tijd en inspiratie vandaan haalt, mag wolkenverzamelaar Zeus weten, maar hier is dus Zeicrydeus.

Met Zeicrydeus heeft Tougas een naam verzonnen die vaag Grieks én Latijns aandoet – maar geen van beide is – en steekt hij bepaald niet onder stoelen of banken wat deze keer zijn voornaamste inspiratiebronnen zijn geweest. Er is geen ruimte voor twijfel: hier wordt nadrukkelijk een ode gebracht aan de vroegste releases van Rotting Christ, Necromantia, Varathron – de grote namen van de Helleense scene, kortom. De ritmische galop van de gitaarlijnen wijst overduidelijk in deze richting, alsook de energiek grommende en snauwende zang, de soms heel simpele percussie die de boel op krachtige wijze voortstuwt (deels echte drums, deels geprogrammeerd, maar nergens komt dit storend over), en niet in de laatste plaats de bijna constant aanwezige, nostalgisch aandoende keyboards die in combinatie met de occasionele samples de sfeer met veel succes ondersteunen. De echte ster van deze show is echter het behendige, creatieve basspel dat de hoofdrol opeist en zowat het hele album door de show steelt.

Onze vermoedens inzake de grootheden aan wie hier hulde gebracht wordt, worden overigens nog eens bevestigd in de behulpzaam in de liner notes opgenomen lijst van muzikale bezielers. Deze lijst maakt o.a. nog melding van topbands als Mortuary Drape, Zemial en Mystifier, en bij het lezen van elk daarvan knikt de luisteraar instemmend. De voor alle anderen vermelde band echter, die meteen de epische vibe van “La grande hérésie” verklaart, is geen andere dan Manowar! (Intussen zijn we er ook achtergekomen dat Tougas met nog weer een ander nieuw project, Exxûl, een geslaagde cover van “Secret of steel” brengt.) Geestig is verder nog dat in het boekje, tussen de teksten door, de bas- en gitaarsolo’s niet enkel aangegeven, maar zelfs elk afzonderlijk van een titel worden voorzien! Het draagt allemaal bij aan het bijzondere karakter en de narratieve kracht van dit bijzondere album.

Na de veelbelovende intro waarover we het eerder al hadden, volgt met “Ten thousand spears atop the bleeding mountains” meteen een knaller van formaat: een epische strijdkreet waarin de riffs elkaar in snel tempo opvolgen en de doorleefde mid-range blackmetalvocalen ons genadeloos meesleuren in het krijgstumult. Scheurende, opzwepende, occulte blackthrash die baadt in een fonkelende laag epische grandeur, daar moest wel een Absu-vergelijking van komen. In “Godsteel (Blood of the third son)” gaat de Rotting Christ-aanbidding zo ver dat ik heel even per abuis denk dat ik naar “Transform all suffering into plagues” zit te luisteren. Het doomy “Sous l’ombre éternelle des vestiges d’Heghemnon“, slechts heel beperkt met vocalen getooid, bouwt doorheen verschillende beklijvende episodes op naar een opzwepende bassolo, en wordt onderweg geregeld bijgezet met theatrale pauken die (overigens niet enkel hier) de glorierijke schim van het oude Master’s Hammer doen herrijzen.

Het is werkelijk bewonderenswaardig hoe Tougas erin slaagt om uit heel uiteenlopende stijlen en sferen een amalgaam te smeden dat volstrekt natuurlijk en overtuigend werkt. In het negen minuten durende hoogtepunt “Godsteel (Blood of the third son)“, komen ze allemaal langs: doom, thrash, heavy, black… een vleugje Bathory hier, een streepje Macabre Omen daar. Maar nooit krijg je de indruk dat het om een beredeneerd, zielloos samenraapsel gaat. Dit machtige epos dat grandioze strijdtaferelen voor ons geestesoog tovert, wordt afgesloten met maar liefst zes solo’s (afwisselend gitaar en bas), alvorens er, na een korte, alweer zeer sfeervolle outro, nog een toetje volgt in de vorm van een geslaagde Thou Art Lord-cover, “The era of Satan rising“: tegen dan verwondert het ons niks dat Tougas dit nummer naadloos kan integreren in de unieke wereld die hij in de 36 voorafgaande minuten heeft geschapen.

Op tekstueel vlak lijkt het alsof Tougas de fantasy lore die hij bij Chthe’ilist en Atramentus al begon te creëren, verder uitbouwt, deze keer in een begeesterende sword & sorcery-context waarin speren ten hemel rijzen, vijandige legioenen verdreven en tronen geüsurpeerd worden, en ook hier weer overgoten met een toepasselijk Helleens smakend sausje. Zo is er sprake van phalanxen, van de aegis der goden, en van ‘warmother Heeos’ (een geheel nieuwe spin op de Griekse godin van de dageraad?). Dat ‘Heghemnon’ uit die ene titel, dat moet toch wel een schalkse versmelting zijn van het woord hēgemon (‘aanvoerder’) en Agamemnon, de aanvoerder van het leger voor Troje? Naast deze Griekse elementen worden we echter ook om de oren geslagen met de ‘goldenshores of Eastarrion’ en de ‘halls of Enarria’, met Nhaath en Xenith en wat dies meer zij – een eclectisch en esoterisch geheel kortom, dat meteen weer de sfeer van Absu oproept. Heel onverwacht in dit lyrische kader is wel de plotse oproep in het al eerder vermelde “Ten thousand spears…“: ‘All fascist pigs must rot / under the scalding sun / All powers must return / to the persecuted & the true’! Elders in het booklet heet het: ‘Nazi metalheads fuck off!!!! Bootlicking traitors fuck off!!!!’ Enz. – er volgen nog enkele lijntjes, en nog héél veel uitroepingstekens. Nou, dat zagen we tussen al die brullende draken en bloederige schilden niet aankomen! Vermoedelijk zit niet iedereen te wachten op dergelijke uitlatingen die de quasi-mythische sfeer misschien enigszins aantasten, maar je kunt eigenlijk alleen maar sympathie hebben voor Tougas’ openheid en bevlogenheid. De Franse titel en occasionele tekstflard (zoals ‘je ne servirai pas’, ongetwijfeld een knipoog naar de titel van een van de beste Rotting Christ-albums) lijkt het geheel bovendien nog een tweede, subtiel (nu ja) politieke dimensie geven.

Meesterwerk? Een groot woord, maar hier helemaal op zijn plaats. Ik hou voor “La grande hérésie” alvast een plaatsje vrij in de hoogste regionen van mijn eindejaarslijstje. Zoals het in de lyrics luidt: Total Zeicrydian Victory!

David: 93/100

Zeicrydeus – La grande hérésie (Productions TSO/Gates Of Hell Records/Nameless Graves Records 2025)
1. Dragonships on the Juurn (Open wide the gate of the Zeicryde)
2. Ten thousand spears atop the bleeding mountains
3. Profane spells & naked swords in the emerald meadows of Nhaath
4. Sous l’ombre éternelle des vestiges d’Heghemnon
5. Godsteel (Blood of the third son)
6. La grande hérésie
7. The era of Satan rising (Thou Art Lord cover)